Je leest:

De plooibare genetica van veroudering

De plooibare genetica van veroudering

Auteur: | 18 juni 2013

Genetische informatie is niet in steen gebeiteld. Sterker nog: met de informatie uit het DNA-codeboek kun je nog diverse kanten op.

Genetische informatie is niet in steen gebeiteld. Sterker nog: met de informatie uit het DNA-codeboek kun je nog diverse kanten op, vertelt de Leidse hoogleraar moleculaire epidemiologie, professor Eline Slagboom. ‘Het DNA zit in strengen om zogenoemde histonen gewikkeld. Daarnaast zitten er ook nog methylgroepen aan het DNA vast. Die histonen en methylgroepen hebben allebei een meetbare invloed op de genetische informatie. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat een specifieke cel alleen “zijn eigen ding” doet. Een huidcel moet alleen “huidinformatie” tot expressie brengen, en geen “zenuwinformatie”. Daarnaast kan je lichaam zich via bijvoorbeeld die methylgroepen ook aanpassen aan omstandigheden uit de omgeving.’

De zogenoemde ‘epigenetische informatie’ bepaalt welke informatie uit de genen op welk moment tot expressie komt. De epigenetische informatie die via de methylgroepen wordt vastgelegd is wel aan veroudering onderhevig, vertelt Slagboom. ‘Je verliest in de loop van de jaren methylgroepen. Dat is niet per definitie erg, al moeten de precieze consequenties nog worden uitgezocht. Je hebt in de epigenetica te maken met een relatief jong terrein van de wetenschap.’

Omgekeerd heeft ‘epigenetische programmering’ ook een duidelijke invloed op het proces van veroudering zelf. ‘Het duidelijkst is dat te zien aan de mensen die in de hongerwinter van 1944 – 1945 zijn verwekt. In grote delen van Nederland werd toen echt honger geleden. De kinderen die toen zijn verwekt, zijn in de baarmoeder als het ware geprogrammeerd op schaarste. Hun interne, “epigenetische thermostaat” is erg zuinig afgesteld.

Vervolgens zijn ze in de jaren daarna geconfronteerd met normale voedingsomstandigheden. Wij hebben deze kinderen vergeleken met hun broers en zussen, die dus vergelijkbaar DNA hebben, maar die niet aan schaarste zijn blootgesteld in de baarmoeder. Het blijkt dat de hongerwinterkinderen veel eerder last krijgen van verschillende kwalen, zoals hoge bloeddruk en diabetes type 2. De effecten van de schaarste in de baarmoeder zijn 60 jaar later nog te zien in de methylering van hun DNA.’

Het rantsoen in de hongerwinter van ’44-’45.

Als epigenetische regulatie een duidelijke invloed heeft op de veroudering, zou je ook kunnen denken dat je die regulatie zou kunnen bijsturen om verouderingskwalen te voorkomen. Maar daarvoor is het nog te vroeg, waarschuwt Slagboom. ‘Verlies van epigenetische controle zou een motor achter verouderingsprocessen kunnen zijn. Als dat zo is, dan zou je dat wellicht met enzymen kunnen remmen. En misschien zou je zelfs heel gericht iets kunnen doen aan de methylering van bepaalde genen om ouderdomskwalen te voorkomen. Maar voor je over dat soort ingrepen gaat dromen is nog extreem veel onderzoek nodig.’

In het jonge onderzoeksgebied van de epigenetica bestaan sowieso nog zowel believers als non-believers, zegt Slagboom. ‘Ik denk dat ik daar tussenin zit. Het is veelbelovend onderzoek, dat is zeker. Maar liever dan direct ingrijpen op het niveau van de methylering van DNA, wil ik proberen om de epigenetische controle via een omweg te beïnvloeden: via de leefstijl. Vergelijk dat bijvoorbeeld met de vondst destijds van de stof rapamycine. Dat is ooit neergezet als een wondermiddel voor gezonde veroudering. Maar uit de vele onderzoeken die zijn gedaan komen ook veel bijwerkingen naar voren. Inmiddels is gebleken dat je de moleculaire mechanismen die door rapamycine in gang worden gezet ook kunt beïnvloeden door een gezondere leefstijl.’

Slagboom en collega’s hebben een bijzondere onderzoeksgroep gevonden voor hun werk aan epigenetica en veroudering. ‘In de Leidse Langleven Studie werken we met mensen waarvan de ouders gemiddeld erg oud zijn geworden. Het blijkt dat deze mensen zelf ook tot op veel hogere leeftijd gezond blijven dan de gemiddelde Nederlander. Hun partners zijn doorgaans wél gemiddeld. Wij hebben bij 64 van deze paren een interventiestudie gedaan. Gedurende drie maanden hebben ze 12,5% meer energie verstookt op een dag, bijvoorbeeld door samen extra te wandelen. Via een dieet hebben ze in die periode 12,5% minder energie opgenomen. Vervolgens hebben we alle mogelijke kenmerken bij deze mensen gemeten. We hebben biopten genomen uit hun vetweefsel, we hebben de glucosehuishouding gemeten, noem maar op. De komende maanden hopen we uit te vinden wat iemand met een “programma” voor lang leven in de genen onderscheidt van een gemiddeld persoon, en hoe de epigenetische controle verandert onder invloed van de leefstijl.’

Zie ook:

Invloed van genetica en omgeving op veroudering

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juni 2013
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.