Je leest:

De opwarming van de aarde

De opwarming van de aarde

Auteur: | 1 april 2004

De wereldgemiddelde temperatuur aan het aardoppervlak is sinds 1860 met ongeveer 0,6 graden toegenomen. Het is opmerkelijk dat zes recente jaren in ieder geval de warmste jaren waren sinds 1860 en waarschijnlijk zelfs in duizend jaar.

De temperatuurstijging in de tweede helft van de twintigste eeuw is voor een belangrijk deel het gevolg van de uitstoot van broeikasgassen door de mens. Ook in Nederland is het merkbaar warmer geworden. Dit hangt deels samen met de wereldwijde opwarming en deels met een verandering van stromingspatronen. Met de huidige kennis over het klimaatsysteem is het mogelijk aan de hand van schattingen van de toekomstige uitstoot van broeikasgassen uitspraken te doen over de ontwikkeling van het klimaat in de komende honderd jaar.

In dit artikel zullen we de opgetreden klimaatveranderingen in De Bilt in de twintigste eeuw proberen te verklaren aan de hand van mondiale klimaatveranderingen en veranderingen in de windrichtingen boven Nederland. Het zwaartepunt zal liggen bij toekomstige klimaatveranderingen, eerst mondiaal en vervolgens met nadruk op Nederland. In een apart kaderstuk illustreren we de universele geldigheid van het mechanisme van het broeikaseffect, door dit toe te passen op onze buurplaneten Venus en Mars.

De klimaatwetenschap, een onderdeel van de natuurkunde, is nog betrekkelijk jong. Vooral in het laatste decennium heeft deze wetenschap een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Deze hangt voor een belangrijk deel samen met de technologische vooruitgang: door de toename van de rekenkracht van computers is het mogelijk om met complexe driedimensionale gekoppelde atmosfeer-oceaan-modellen het klimaat van het verleden alsook de mogelijke veranderingen in de toekomst te onderzoeken. Verder bieden de continue waarnemingen van het klimaatsysteem vanuit de ruimte sinds de jaren zeventig de mogelijkheid om de klimaatmodellen te toetsen. Bovendien kunnen met behulp van satellieten direct enkele klimaatverstorende factoren gemeten worden, zoals veranderingen in de atmosferische samenstelling en variaties in de binnenkomende zonnestraling. Hierdoor begrijpen we steeds meer van het klimaatsysteem en kunnen we het klimaat beter nabootsen met een computer. Het klimaatonderzoek richt zich ruwweg op de volgende basisvragen:

- Hoe is het klimaat in het verleden veranderd? - Wat zijn de oorzaken van klimaatverandering? - Hoe ziet het klimaat van de toekomst eruit?

Het vraagstuk van de klimaatveranderingen in het verleden wordt detectie genoemd. Voor de ontwikkeling van het klimaat in de afgelopen anderhalve eeuw hebben we de beschikking over rechtstreekse temperatuurmetingen. In de periode vóór 1856 zijn we aangewezen op andere bronnen van informatie, zoals die welke in het kilometers dikke ijs op Antarctica ligt opgeslagen. Het tweede vraagstuk, van de oorzaken van klimaatveranderingen, wordt attributie genoemd. Hiervoor zijn behalve waarnemingen ook complexe modellen nodig om de gevoeligheden van het klimaatsysteem te onderzoeken. Met behulp van deze complexe computermodellen kunnen klimaatverwachtingen worden gemaakt. Dit wordt projectie genoemd. Het zal duidelijk zijn dat vooral de regionale klimaatprojecties volop in de belangstelling staan. Immers, voor bijvoorbeeld het Rijngebied willen we graag weten of er beduidend meer neerslag gaat vallen, die bovenop de verwachte zeespiegelstijging in Nederland voor problemen kan zorgen.

Wereldgemiddelde temperatuurtrend 1856-2003.

Het broeikaseffect

De aardatmosfeer bestaat hoofdzakelijk uit stikstof en zuurstof. Het resterende deel, circa 0,5%, wordt gevormd door broeikasgassen. Deze gassen zorgen voor een wereldgemiddelde temperatuur van circa 15 oC. Zonder deze isolerende deken van broeikasgassen zou het zo’n 33 graden koeler zijn en was complex leven op aarde onmogelijk geweest. Dit verschil van 33 graden wordt wel het natuurlijke broeikaseffect genoemd. Door activiteiten van de mens komen er steeds meer broeikasgassen in de atmosfeer. Dit veroorzaakt een verdergaande opwarming en wordt het versterkte broeikaseffect genoemd.

Sinds de industriële revolutie neemt de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer toe. De toename van de CO2-concentratie van 280 ppm (= delen per miljoen delen lucht) vóór 1800 tot 368 ppm in 2000 wordt vooral veroorzaakt door de verbranding van fossiele brandstoffen. Andere menselijke activiteiten, zoals landbouw, veeteelt en gaswinning, dragen bij tot de uitstoot van broeikasgassen zoals methaan (CH4) en lachgas (N2O) en via ingewikkelde chemische reacties tot de vorming van extra ozon (O3) nabij het aardoppervlak. De productie van drijfgassen voor gebruik in spuitbussen en koelvloeistoffen in koelkasten heeft geleid tot onaanvaardbare concentraties van chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk’s) in de atmosfeer. Deze gassen, die van nature niet in de atmosfeer voorkomen, tasten bovendien de ozonlaag in de stratosfeer aan. Verder komen door menselijke activiteiten ook zwavelhoudende gassen in de atmosfeer. Deze gassen worden gedeeltelijk omgezet in stofdeeltjes, die het versterkte broeikaseffect voor een belangrijk deel tegenwerken. Vooral bij de verbranding van steenkool en bruinkool (in tegenstelling tot bijvoorbeeld aardgas) komen grote hoeveelheden zwavelhoudende gassen vrij. In de eerste helft van de twintigste eeuw was daardoor de totale menselijke invloed marginaal.

Het atmosferische kooldioxide (CO2) gehalte in de laatste 1100 jaar. De toename van de CO2-concentratie sinds 1800 is hoofdzakelijk een gevolg van de industriële activiteiten van de mens.

De theorie van het broeikaseffect is fysisch goed begrepen en bovendien toepasbaar op de klimaatsystemen van onze buurplaneten, Venus en Mars (zie kader). Dat neemt niet weg dat er nog veel onzekerheden en hiaten in onze kennis van het klimaatsysteem zijn. Klimaatonderzoekers zijn het daarom lang niet altijd met elkaar eens. Het gaat hierbij voornamelijk om de mate waarin de mens invloed heeft op het klimaat en in hoeverre dit zich verhoudt tot andere klimaatfactoren, zoals de effecten van variaties in zonneactiviteit en de invloed van grote vulkaanuitbarstingen. Hoe langer we nauwkeurig meten, des te meer zullen we te weten komen over de werking van het complexe klimaatsysteem. Daarnaast geven natuurkundige principes enig houvast in onze ontdekkingstocht naar de factoren die ons klimaat beïnvloeden.

Oorzaken van klimaatveranderingen

Het wereldgemiddelde klimaat zegt iets over de toestand van onze planeet. De planeet aarde kent sinds haar geboorte, zo’n vijf miljard jaar geleden, grote en kleine klimaatveranderingen. In feite vormen klimaatschommelingen een normaal onderdeel van het aarde atmosfeersysteem. Wereldgemiddelde klimaatveranderingen zijn in het algemeen beduidend kleiner dan schommelingen op regionale schaal. Zo zijn de jaar tot jaar temperatuurvariaties in De Bilt zo’n 2 oC, terwijl dat voor het wereldgemiddelde een factor vier kleiner is, namelijk 0,5 oC. Dit komt doordat de lucht- en oceaanstromingen over langere tijd verstoringen kunnen vertonen, die de warmte op een andere wijze over de aardbol verdelen. Dit betekent dat de ene regio gedurende deze verstoring warmer wordt, terwijl een andere regio juist een afkoeling laat zien. Regionale verstoringen kunnen zelfs het wereldgemiddelde klimaat ongemoeid laten! Gemiddeld over de aardbol vervult de energiebalans aan de top van de atmosfeer een doorslaggevende rol (zie kader ‘Het broeikaseffect op onze buurplaneten’).

De samenhang met de wereldgemiddelde temperatuur; b. de temperatuurreconstructie ten gevolge van de overheersende windrichting en c. beide effecten tezamen op de 10-jaargemiddelde temperatuur in De Bilt. Ter vergelijking is in elke grafiek ook de waargenomen temperatuur in De Bilt opgenomen. Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Oorzaken van klimaatveranderingen zijn talrijk. In de twintigste eeuw kunnen we drie duidelijke natuurlijke oorzaken van mondiale klimaatschommelingen aanwijzen: sterke vulkaanuitbarstingen, variaties in zonneactiviteit en El Niño. Samen met de menselijke invloed op het klimaat, die zich met name in de tweede helft van de twintigste eeuw manifesteert, kan de mondiale temperatuurontwikkeling hiermee voor een groot deel verklaard worden.

De dagelijkse temperatuur in Nederland hangt sterk af van de windrichting. Zo is in de winter een oostenwind, die lucht aanvoert over land, koud en westenwind, die lucht aanvoert over zee, zacht. In de zomer is dit precies omgekeerd. Uit welke hoek de wind waait hangt samen met het stromingspatroon boven Europa en is voor een belangrijk deel chaotisch. Ook de maandgemiddelde temperatuur varieert sterk met de overheersende windrichting. De bijbehorende temperatuurvariaties kunnen groot zijn: in de winter tot wel vijf graden en ’s zomers tot twee graden. Naarmate over langere perioden gemiddeld wordt, neemt de grillige invloed van de wind af. De langjarige veranderingen die overblijven bestaan uit een restant van toevallige weerfactoren, lokale langjarige klimaatfluctuaties, bijvoorbeeld als gevolg van afwijkingen van de zeewatertemperaturen, en wereldwijde klimaatveranderingen. Recent KNMI-onderzoek ( De toestand van het klimaat in Nederland, 2003) wijst uit dat gemiddeld over perioden langer dan tien jaar de temperatuur in Nederland grotendeels parallel loopt met de wereldgemiddelde temperatuur. Van jaar tot jaar worden de temperaturen in Nederland hoofdzakelijk bepaald door veranderingen in de overheersende windrichting. Op langere termijn vervagen die invloeden, al zijn ze niet verwaarloosbaar. Het eerste decennium en de laatste drie decennia van de twintigste eeuw waren door toedoen van de wind beduidend warmer. De koude weertypen overheersten meer tussen 1940 en 1970. In het bijzonder zijn de late winters en vroege lentes in de tweede helft van de twintigste eeuw aanmerkelijk warmer geworden door de toename van zuidwestelijke winden.

Deze toename van zuidwestelijke winden hangt samen met de veranderingen in de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO), die weer deel uit maakt van een driedimensionale structuur die een groot deel van het noordelijk halfrond beslaat. De sterkte van de NAO wordt uitgedrukt in een index die gedefinieerd is als het genormeerde luchtdrukverschil op zeeniveau tussen IJsland en de Azoren. Deze index is na 1970 al schommelend toegenomen tot vrij hoge waarden in de jaren negentig. Recent onderzoek aan de NAO suggereert een verband tussen de afbraak van de ozonlaag, het door de mens versterkte broeikaseffect, die beide een afkoeling van de hogere luchtlagen (stratosfeer) veroorzaken, en veranderingen in het West-Europese windklimaat. Wanneer na verder onderzoek de menselijke invloed inderdaad doorslaggevend blijkt te zijn, zal de NAO index ook de komende eeuw hoog blijven.

De Noord Atlantische Oscillatie (NAO)-index en b. de Noordelijk Halfrond Oscillatie (NHO)-index (de grootschalige driedimensionale structuur) in de loop van de twintigste eeuw, gedurende de winter. De rode lijn is het 10-jaargemiddelde.

Klimaatveranderingen in de 21ste eeuw

Voor het doen van voorspellingen van de ontwikkelingen in de 21ste eeuw is het noodzakelijk een beeld te hebben van de uitstoot van broeikasgassen en stofdeeltjes in de toekomst. Op grond van mogelijke sociaal- economische en technologische ontwikkelingen zijn scenario’s opgesteld die ten behoeve van het recente IPCC-rapport wetenschappelijk zijn doorgerekend met klimaatmodellen. Het is vrijwel zeker dat ook de komende eeuw de ontwikkeling van de concentratie CO2 in de atmosfeer zal worden bepaald door de verbranding van fossiele brandstoffen. Naarmate de hoeveelheid CO2 toeneemt, vermindert het vermogen van oceanen om extra CO2 op te nemen. Aan het eind van de 21ste eeuw wordt een CO2-concentratie van 1,5 tot 2,6 maal de huidige waarde verwacht. In alle scenario’s neemt de relatieve bijdrage van CO2 aan het netto broeikaseffect gedurende de 21ste eeuw toe. De verkoelende werking van stofdeeltjes wordt substantieel kleiner.

Geografische verdeling van de jaarlijks gemiddelde temperatuurtoename in 2100 t.o.v. 1990 voor het IPCC A2-scenario. De contouren geven de bandbreedte in graden aan ten gevolge van de modelonzekerheid.

Computersimulaties op basis van bovengenoemde scenario’s laten zien dat die toename in de 21ste eeuw zal leiden tot een toename van de wereldgemiddelde temperatuur met 1,4 tot 5,8 graden. De bovengrens is van dezelfde orde als de natuurlijke temperatuurtoename sinds de laatste ijstijd, die zich over een veel langere periode van ongeveer twintigduizend jaar heeft voorgedaan. De temperatuurtoename boven de continenten van het noordelijk halfrond zal over het algemeen tot ongeveer veertig procent sterker zijn dan boven zee. De opwarming zal de waterkringloop intensiveren, waardoor er mondiaal gemiddeld meer en heviger neerslag wordt voorzien. Die toename zal vermoedelijk vooral plaatsvinden op de gematigde breedten, terwijl in de subtropen juist een afname van de neerslag wordt verwacht. Dergelijke veranderingen gaan gepaard met toenemende verschillen van jaar tot jaar. Zee-ijs, gletsjers en landijs zullen verder terugtrekken, terwijl de ijsmassa van Antarctica, als gevolg van toename van de hoeveelheid neerslag, juist zal toenemen. Het niveau van de zeespiegel wordt verwacht te stijgen met 9 tot 88 cm. De opwarming zal ook na 2100 nog eeuwen doorwerken, waardoor uiteindelijk op een termijn van duizend jaar een zeespiegelstijging met enkele meters moet worden verwacht.

Het broeikaseffect op onze buurplaneten

De gemiddelde temperatuur aan het oppervlak van planeten met een atmosfeer wordt vrijwel geheel bepaald door de intensiteit van de inkomende en gereflecteerde zonnestraling aan de top van de atmosfeer en door de massa van de broeikasgassen daarin. De netto zonnestraling, inkomend minus gereflecteerd, bepaalt immers de hoeveelheid energie die door het klimaatsysteem van zo’n planeet wordt geabsorbeerd. Deze energie wordt omgezet in warmte. Hoe deze warmte vervolgens over het planeetoppervlak en atmosfeer wordt verdeeld, hangt af van de broeikaswerking van de planeetatmosfeer.

Op aarde wordt de broeikaswerking van de atmosfeer hoofdzakelijk bepaald door waterdamp (H2O) en kooldioxide (CO2). De huidige gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak is 15 oC. Onze buurplaneten, Venus en Mars, hebben een atmosfeer die vrijwel helemaal uit het broeikasgas kooldioxide bestaat. Venus is de broeikasplaneet bij uitstek, met een gemiddelde oppervlaktetemperatuur van maar liefst 460 oC, terwijl op Mars (die een zeer ijle atmosfeer heeft) een ijzige koude heerst van gemiddeld -55 oC. De hoeveelheid zonnestraling die de planeetatmosfeer gemiddeld binnenkomt, is afhankelijk van de afstand tot de zon. Een deel van de binnenkomende zonnestraling wordt door het oppervlak en de atmosfeer teruggekaatst en dus niet ‘benut’ door het klimaatsysteem van de planeet. De fractie van het inkomende zonlicht die door een planeet wordt gereflecteerd, wordt planetair albedo genoemd.

De aarde heeft een planetair albedo van circa 30%. Door het dichte wolkendek heeft Venus een zeer hoog albedo van circa 72%, terwijl het praktisch onbewolkte Mars juist een zeer laag reflecterend vermogen heeft van 16%. De netto inkomende zonnestraling wordt door het klimaatsysteem van een planeet geabsorbeerd. Nu zendt alle materie straling uit en wel meer naarmate de temperatuur hoger is. De aardse planeten zenden dus ook straling uit. Dit is echter aanzienlijk minder dan de zon en tevens in een ander golflengtegebied, namelijk in het infrarood. De totale hoeveelheid infraroodstraling die aan de top van de planeetatmosfeer de ruimte in verdwijnt, is in evenwicht met de geabsorbeerde kortgolvige straling, althans wanneer het gemiddelde over de planeetbol en over een voldoende lange tijd (bijvoorbeeld de omlooptijd) wordt beschouwd. Wanneer de planeetatmosfeer geen broeikaswerking heeft, wordt de uitgaande infraroodstraling geheel bepaald door de gemiddelde temperatuur van het planeetoppervlak.

Zo’n oppervlak, wanneer dat bestaat uit vaste stoffen en/of vloeistoffen, absorbeert vrijwel alle invallende infraroodstraling. Materie die deze eigenschap heeft, wordt een zwart lichaam genoemd. Een dergelijk zwart lichaam heeft tevens de eigenschap straling uit te zenden die slechts afhankelijk is van de temperatuur en de golflengte. Geïntegreerd over alle golflengten zendt het zwarte lichaam sT4 [Wm-2] aan stralingsenergie uit: dit staat bekend als de wet van Stefan-Boltzmann. Hierin is s=5,67.10-8 Wm-2K-4 een constante en T de temperatuur in kelvin (K). Met behulp van deze wet kan de uitgaande infraroodstraling in verband gebracht worden met de temperatuur van het oppervlak, althans wanneer we aannemen dat de atmosfeer niet in wisselwerking treedt met de infraroodstraling. Deze temperatuur wordt effectieve temperatuur genoemd. Het verschil tussen de werkelijke gemiddelde oppervlaktetemperatuur en de effectieve temperatuur zegt dan iets over de broeikaswerking van de atmosfeer en wordt het natuurlijke broeikaseffect genoemd. Het natuurlijke broeikaseffect is in eerste instantie afhankelijk van de kolommassa van de aanwezige broeikasgassen en de mate van absorptie.

Verder is bij een voldoende hoge concentratie van broeikasgassen het absorptievermogen evenredig met de luchtdruk. Aan het Venusoppervlak heerst een luchtdruk die 91 maal zo groot is als op aarde, aan het Marsoppervlak is de luchtdruk juist een factor 150 lager. Bovendien wordt de broeikaswerking van een planeetatmosfeer beïnvloed door temperatuurafhankelijke processen. In het aardse klimaatsysteem zijn de belangrijkste geassocieerd met de waterkringloop. Hierdoor wordt de broeikaswerking van CO2 versterkt met een factor tussen de 1,5 en 3,7. Zowel op Venus als Mars is geen (nauwelijks) water aanwezig, zodat de broeikaswerking hierdoor niet versterkt wordt. Ten slotte is de broeikaswerking afhankelijk van het temperatuurverval met de hoogte. In de drie planeetatmosferen bevindt zich het grootste gedeelte van de massa aan broeikasgassen in de troposfeer. Deze ‘weerlaag’ kenmerkt zich door een kritisch temperatuurverval met de hoogte: stralingsprocessen streven naar een groter temperatuurverval, maar (snelle) spontane warmtestromen vanaf het planeetoppervlak verhinderen dat dit kritisch temperatuurverval overschreden wordt.

De grootte van deze warmtestromen is afhankelijk van de zwaartekrachtsversnelling en de samenstelling van de atmosfeer. In het bijzonder is van belang of er waterdamp in de atmosfeer zit. Op aarde is dit temperatuurverval door condensatie en neerslagprocessen gemiddeld 6,5 graad per kilometer. Op Venus en Mars wordt het temperatuurverval gegeven door de zogeheten droogadiabaat, die voor beide CO2-atmosferen alleen afhangen van de zwaartekrachtsversnelling. Wanneer we alle bovengenoemde effecten verdisconteren, vinden we voor de broeikaswerking van Venus en Mars respectievelijk 498 en 3 graden. Opgeteld bij de effectieve temperatuur van de betreffende planeet vinden we dan de oppervlaktetemperatuur. Deze blijkt nagenoeg gelijk aan de gemeten gemiddelde temperatuur.

Gevolgen voor Nederland

De gemiddelde temperatuur in Europa zal vermoedelijk iets sterker toenemen dan het wereldgemiddelde. De kans op hittegolven neemt toe, de kans op vorstdagen neemt af. In de Scandinavische landen zal de wintertemperatuur waarschijnlijk veel sterker stijgen dan het wereldgemiddelde. In Zuid-Europa lijken juist de zomertemperaturen omhoog te gaan. De zeespiegelstijging voor West-Europa zal niet wezenlijk afwijken van het wereldgemiddelde, al moet voor Nederland ook nog rekening worden gehouden met een bodemdaling van tien centimeter per eeuw vanwege inklinking van de veengronden.

Het grillige karakter van de neerslag maakt uitspraken over toekomstige ontwikkelingen onzeker. Er is een redelijke overeenstemming dat de winterneerslag in Noord-Europa met vijf tot twintig procent zal toenemen – met name in Scandinavië, maar ook op lagere breedtegraden. In de zomer is de neerslagverandering onzeker. In Zuid-Europa kan de neerslag met meer dan twintig procent afnemen.

Wereldgemiddelde temperatuurprojecties voor zes verschillende scenario’s, waarin de modelonzekerheid is verdisconteerd ( IPCC, 2001).

De verwachte toename van de neerslag zal in Nederland gepaard gaan met een toename van de kans op perioden met extreme neerslag en de kans op natte jaren. Waterbeheerders houden daar nu al rekening mee. Tegenover de kleine maar onzekere toename van de gemiddelde zomerneerslag staat een sterkere verdamping in de zomer, met grotere kans op verdroging tot gevolg. Toch neemt de kans op lokale wateroverlast toe, als gevolg van de toenemende kans op hevige lokale onweersbuien.

De verwachte invloeden op de neerslag en de verdamping in Europa vergroten de gemiddelde afvoer van de Rijn in de winter. Bij de huidige dijkhoogte verhoogt dat de kans op overstromingen. In de zomers wordt een verlaging van de gemiddelde afvoer voorzien. Dat leidt tot lagere waterstanden, die de scheepvaart kunnen hinderen. Lagere afvoeren hebben een negatieve invloed op de waterkwaliteit en vergemakkelijken het binnendringen van zout water. In de droge zomers kan de vraag naar water de aanvoer overstijgen, waardoor de kans op waterschaarste toeneemt.

De zeespiegelstijging vergroot de indringing van zout water in de kustgebieden, met gevolgen voor de drinkwatervoorziening en voor de landbouw. De kusterosie neemt toe. Het spuien van overtollig rivierwater uit bijvoorbeeld het IJsselmeer zal worden bemoeilijkt. De kans op hoge waterstanden aan de kust neemt in beginsel toe. De hoge onzekerheid van de invloed van klimaatverandering op het stormklimaat maakt dat de veranderingen in de kans op hoogwater nog niet goed bekend zijn.

Wetenschappelijk gezien wordt nauwelijks meer getwijfeld aan een verdere opwarming in de loop van de 21ste eeuw als gevolg van de menselijke invloed op het klimaat. Dat neemt niet weg dat er nog veel onderzoek nodig is om de bestaande onzekerheden te verkleinen en de toepasbaarheid van kennis te vergroten.

Literatuur

Dorland, R. van, Het broeikaseffect ter discussie: De rol van CO2 in de broeikasverwarming, Zenit 24, 30-35, januari 1997 Dorland, R. van, Menselijke invloed op het klimaat aangetoond, Zenit 28, 128-130, maart 2001 Dorland, R. van, Klimaatveranderingen en het broeikaseffect, Actuele Onderwerpen (AO) boekenreeks, AO2781, 2003. Verbeek, K. e.a., De toestand van het klimaat in Nederland 2003, 2003.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Zenit.
© Zenit, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 april 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.