Je leest:

De onvoorstelbare diversiteit van het zonnestelsel

De onvoorstelbare diversiteit van het zonnestelsel

Auteur: | 1 maart 2005

De succesvolle missie van de Europese Huygens-sonde markeert het begin van een nieuwe fase in het zonnestelselonderzoek.

Het is donker in Xanadu. Zonlicht – toch al niet bijster fel op meer dan een miljard kilometer afstand – dringt nauwelijks door de smoezelige dampkring heen. Het onaardse landschap schemert in een vlak schijnsel zonder uitgesproken schaduwen. Op grote hoogte trekken donkere mistflarden voorbij. De heuvels in de verte vertonen na de regenbui van enkele dagen geleden weer hun vertrouwde ijzige aanblik. De donkere organische slurrie die continu uit de hemel neerdwarrelt is door de methaanbui van de toppen weggespoeld. De zompige laagvlakte heeft even blank gestaan, maar inmiddels is het vloeibare methaan de bodem in gezakt. Afgesleten ijsklompen liggen her en der verspreid op de broze, bevroren bodem. Er staat een zwakke bries – de dikke, stikstofrijke dampkring komt moeilijk in beweging. Het is stil in Xanadu. Stil en koud.

Plotseling verschijnt er aan de hemel een stip die langzaam maar zeker groter wordt. Een cilindrische trommel van een paar meter in middellijn daalt af aan een parachute. Meetinstrumenten snuffelen en proeven aan de dampkring en aan de koolwaterstofverbindingen die erin rondzweven. Camera’s aan boord van de roterende ruimtesonde leggen het duistere landschap vast. Met een snelheid van vijf meter per seconde komt het 340 kilogram zware gevaarte op de grond terecht. De trommel zakt een klein beetje weg in de bodem, maar lijkt de klap goed te overleven. Nog ruim twee uur blijft de apparatuur in bedrijf. Meetgegevens worden de ruimte in gezonden via een kleine antenne. Dan raken de batterijen aan boord van de capsule uitgeput. Even later is de rust weergekeerd in Xanadu.

Illustratie van Cassini en Huygens bij de planeet Saturnus.

Het duurt nog een paar uur voordat technici en vluchtleiders in het European Space Operations Centre in Darmstadt in applaus en gejuich uitbarsten, en elkaar geëmotioneerd in de armen vallen. De radiosignalen van de Europese Huygens-capsule, die op 14 januari 2005 een zachte landing maakte op de grote Saturnusmaan Titan, zijn eerst opgevangen door de Amerikaanse planeetverkenner Cassini, het moederschip van Huygens. Pas nadat het radiocontact met de lander werd verbroken, richtte Cassini zijn antenne op de aarde, een onzichtbaar blauw stipje vlak bij de verre zon, op zeventig lichtminuten afstand. Voor het eerst in de geschiedenis is er een landing uitgevoerd op de maan van een andere planeet. Titan geeft eindelijk zijn geheimen prijs.

Deze prestatie was bepaald een tour de force. Saturnus is de verste planeet die nog zonder telescoop zichtbaar is – in de oudheid lag hier de rand van het waarneembare heelal. Titan werd pas 350 jaar geleden ontdekt door de Nederlandse natuur- en sterrenkundige Christiaan Huygens, naar wie de Europese sonde is genoemd. Tot 1944 – het jaar waarin de Nederlander Gerard Kuiper ontdekte dat Titan een dampkring heeft waarin methaan voorkomt – was er vrijwel niets over het hemellichaam bekend. En pas sinds de scheervluchten van de Amerikaanse Voyager-ruimtesondes, begin jaren tachtig, weten sterrenkundigen dat Titan de op een na grootste maan in het zonnestelsel is, en dat het stijf bevroren oppervlak schuilgaat onder een volstrekt ondoorzichtige, oranje dampkring.

Experiment van miljarden jaren

Titan is de op één na grootste planeetmaan in het zonnestelsel – alleen de Jupitermaan Ganymedes is nog een tikje groter. Titan is zelfs groter dan de planeet Mercurius, en met zijn intrigerende dampkring en bizarre landschapsformaties doet hij niet onder voor een volwaardige planeet. Die dampkring bestaat grotendeels uit stikstof (net als de dampkring van de aarde), en bevat daarnaast methaan en argon. Hoog in Titans atmosfeer ontstaan onder invloed van ultraviolet zonlicht allerlei koolwaterstofverbindingen, die samenklitten en als kleine deeltjes (aërosolen) naar het oppervlak dwarrelen. Aan dat oppervlak, waar de temperatuur 180 graden onder nul bedraagt, komen mogelijk poelen, meren en zeeën van vloeibaar methaan en ethaan voor, en diep onder het oppervlak bevindt zich waarschijnlijk een oceaan van water vermengd met ammoniak.

“De aanwezigheid van micro-organismen in die ondergrondse oceaan kan niet volledig worden uitgesloten,” aldus planeetonderzoeker Tobias Owen van de University of Hawaii, “maar erg waarschijnlijk is het niet. Het onderzoek aan Titan is dan ook niet zo relevant voor een beter begrip van het ontstaan van leven op onze eigen planeet, waar vloeibaar water – met al zijn bijzondere eigenschappen – een doorslaggevende rol speelde. Maar Titan is wél een fantastisch natuurlijk laboratorium voor wetenschappers die de prebiotische chemie van het jonge zonnestelsel beter willen begrijpen.”

Zo’n wetenschapper is de scheikundige François Raulin van de Université de Paris XII. Bij gebrek aan een tijdmachine, probeert hij de chemie van de primitieve aarde te doorgronden met behulp van theoretische modellen en laboratoriumproefjes, maar die wil hij natuurlijk op de een of andere manier aan de realiteit toetsen. Raulin ziet Titan als één reusachtig en miljarden jaren durend experiment van Moeder Natuur zelf, en de Huygensmetingen kunnen helpen om de geldigheid van zijn modellen en zijn sterk vereenvoudigde laboratoriumsimulaties te testen. Vanuit scheikundig oogpunt gezien zijn er volgens Raulin namelijk tal van overeenkomsten tussen Titan en de primitieve aarde.

James Garry van de Universiteit Leiden ziet het liever nog wat breder. “Onderzoek aan Titan levert uiteindelijk meer inzicht op in de ontstaansperiode van het zonnestelsel als geheel,” zegt hij. De planeten klonterden 4600 miljoen jaar geleden samen uit een wolk van gas- en stofdeeltjes rond de pasgeboren zon, en de enige manier om meer te weten te komen over dat proces van planeetvorming, is door bestudering van de enorme verscheidenheid aan hemellichamen die daarbij ontstond. “In zekere zin,” aldus Garry, “bevat Titan een deel van het antwoord op de vraag waarom onze eigen aarde zo uniek is.”

Garry maakte ooit deel uit van het Britse team dat het Surface Science Package van Huygens ontwikkelde – de instrumenten die aan het oppervlak van Titan metingen verrichtten. Dat pakket was geoptimaliseerd voor een landing in zee – zo zou onder andere de diepte van de zeebodem gemeten zijn met sonar – maar dat wil niet zeggen dat de wetenschappers teleurgesteld zijn nu de capsule op een vast oppervlak terecht is gekomen – in een gebied dat Xanadu is genoemd (naar een beroemd gedicht van Samuel Taylor Coleridge). Vrijwel alle Huygens-onderzoekers zijn het erover eens dat de oppervlaktefoto’s ronduit spectaculair zijn. Niemand had vooraf kunnen bedenken dat een landschap van stijf bevroren waterijs en regenbuien van methaan zo veel overeenkomst zou vertonen met woestijnlandschappen op Mars of op de aarde.

Gasbollen, steenklompen en ijsballen

Toch is het bij nader inzien misschien niet zo verwonderlijk dat de grootste maan van Saturnus kenmerken heeft die we eerder zouden associëren met een volwaardige planeet. Het onderscheid tussen planeten en manen is per slot van rekening het product van de menselijke hokjesgeest. En hoe meer we te weten komen over de structuur en de opbouw van het zonnestelsel, hoe moeilijker het ons valt die klassieke termen te definiëren.

Een planeet is een relatief klein en koel hemellichaam in een baan rond de zon; een maan is een object dat rond een planeet beweegt. Maar de honderdduizenden steen- en ijsklompen die ook rond de zon draaien (de planetoïden en kometen) mogen zich geen planeet noemen, en in de buitendelen van het zonnestelsel staat de planeetstatus van de piepkleine, ijzige Pluto ernstig ter discussie. Titan is een groot hemellichaam in een baan rond de reuzenplaneet Saturnus, en is dus zonder enige twijfel een maan. Maar rond Saturnus draaien ook ijsklompen van enkele tientallen kilometer groot, en niemand weet waar je de grens moet trekken tussen zulke mini-maantjes en de nog veel kleinere deeltjes in het ringenstelsel van de planeet.

Misschien is het tijd om het kunstmatige onderscheid tussen planeten en manen maar te laten vallen, en de enorme variëteit aan hemellichamen in te delen op basis van hun individuele, fysische kenmerken. Dan blijkt dat het zonnestelsel bevolkt wordt door drie soorten objecten: gasbollen, steenklompen en ijsballen. Van de gasbollen zijn er maar vier: de reuzenplaneten Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Het zijn de grootste bewoners van het zonnestelsel. Het volume van Jupiter is 1300 maal zo groot als dat van de aarde. Geen wonder, want zonder veel eigen zwaartekracht zou een wolk van waterstof- en heliumgas binnen korte tijd vervliegen.

De steenklompen in het zonnestelsel zijn veel kleiner, om de eenvoudige reden dat er in de oerwolk waaruit de zon en de planeten ontstonden niet zo veel zware elementen voorkwamen. De aarde, Venus, Mars, Mercurius, de Jupitermaan Io en onze eigen maan zijn de grootste, met middellijnen tussen 3000 en 13.000 kilometer. In de planetoïdengordel bevinden zich nog vele tientallen steenklompen met afmetingen van een paar honderd kilometer, en het aantal kleinere brokstukken, kiezels, gruisjes en stofdeeltjes is ontelbaar. Voor de ijsballen geldt iets soortgelijks. De grootste zijn Ganymedes en Titan (beide groter dan de planeet Mercurius), gevolgd door de Jupitermanen Callisto en Europa, de Neptunusmaan Triton, de ‘planeet’ Pluto en een hele trits ijsdwergen en bevroren planeetmanen met afmetingen van een paar honderd tot maximaal 1600 kilometer. Nog veel kleiner zijn de komeetkernen – onregelmatige ijsklompen van een paar kilometer in middellijn, en de onooglijke ijsdeeltjes in de ringenstelsels van de reuzenplaneten.

Restproducten van de zon

Langzaam maar zeker beginnen astronomen te begrijpen hoe deze rijke verscheidenheid aan werelden is ontstaan, en waarom het zonnestelsel de opbouw heeft die het heeft. Dicht bij de zon was al het materiaal in de oernevel gasvormig, behalve de vaste silicaatdeeltjes, waarvan er niet zo veel waren. Het gas werd weggeblazen door de zonnewind, en de silicaatdeeltjes klonterden samen tot de stenige planeten Mercurius, Venus, de aarde en Mars. De planetoïdengordel, die grotendeels buiten de baan van Mars ligt, bestaat uit steenklompen die zich als gevolg van de zwaartekrachtsstoringen van Jupiter nooit hebben samengevoegd tot een planeet.

Op grotere afstand kwamen ook vaste deeltjes voor van bevroren water, methaan en ammoniak. In bevroren vorm lieten die gassen zich minder gemakkelijk wegblazen, en er ontstonden talloze ‘ijs-planetoïden’. Die klonterden samen tot de kernen van de reuzenplaneten, die met hun zwaartekracht enorme hoeveelheden gas opveegden uit de oerwolk. In feite vertoont de vorming van de reuzenplaneten veel overeenkomsten met de vorming van de zon: er is sprake van een groot, gasvormig hemellichaam, omringd door een ronddraaiende schijf van materie waarin kleinere objecten samenklonteren. Zo beschouwd is de vergelijking tussen de Saturnusmaan Titan en onze eigen planeet aarde nog helemaal niet zo gek.

Sterker: in feite zijn de reuzenplaneten de enige die van nature vergezeld worden door een groot aantal manen. De kleine rotsplaneten Mercurius en Venus hebben geen manen, en rond Mars cirkelen twee steenklompen van enkele tientallen kilometers groot, die zo goed als zeker ingevangen planetoïden zijn. De aarde en Pluto hebben allebei één maan, die bovendien verhoudingsgewijs erg groot is, en in beide gevallen is dat dubbelplaneet-karakter het gevolg van een catastrofale botsing in de begindagen van het zonnestelsel. Dus alleen de uitgebreide manenstelsels van Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus (planeten die trouwens ook alle vier een ringenstelsel hebben) zijn op natuurlijke en geleidelijke wijze ontstaan tijdens de geboorte van het zonnestelsel – hoewel dat van Neptunus niet helemaal zeker is.

Overigens bestaan de meeste van die planeetmanen niet voor honderd procent uit gesteentes of voor honderd procent uit ijs, maar is er sprake van een mix waarbij het ijsgehalte ruwweg toeneemt naarmate een hemellichaam zich verder van de zon en verder van zijn moederplaneet bevindt. Daarnaast draaien er rond de reuzenplaneten ook tientallen kleine maantjes in langgerekte, scheve banen – vermoedelijk zijn dat ingevangen steenklompen en ijsballen die tijdens de ontstaansperiode van de reuzenplaneten per ongeluk te dicht in de buurt kwamen.

Nu wordt het ware belang duidelijk van het wetenschappelijk ondezoek aan de manen van de reuzenplaneten. Net zoals de planeten de restproducten zijn van het vormingsproces van de zon, zijn de planeetmanen de restproducten van het ontstaansproces van de reuzenplaneten. Wie de geboorte van het zonnestelsel als geheel wil begrijpen, moet vergelijkend planeetonderzoek verrichten. Wie wil weten hoe een gasreus als Jupiter of Saturnus ontstond, bestudeert de manenstelsels van deze planeten. Over de vorming van de reuzenplaneten bestaat nog veel onduidelijkheid, en meer inzicht is van groot belang voor een beter begrip van planetenstelsels bij andere sterren – de meeste van de pakweg honderdvijftig exoplaneten die de afgelopen tien jaar zijn ontdekt, zijn gasreuzen als Jupiter.

Measureless to man…

Het zal nog maanden duren voordat de metingen van de Europese Huygens-capsule aan de samenstelling van de Titandampkring volledig zijn geanalyseerd, maar planeetdeskundige Tobias Owen verwacht dat de meetresultaten zeker nieuw licht zullen werpen op de vorming van Saturnus. De gaschromatograaf van Huygens heeft niet alleen de verschillende bestanddelen van de atmosfeer opgemeten – zoals stikstof en methaan – maar ook nauwkeurig bepaald in welke verhoudingen verschillende isotopen voorkomen (atomen met dezelfde chemische eigenschappen, maar met een verschillend aantal neutronen in de kern). Zo is onder andere ontdekt dat er in de Titandampkring maar één isotoop voorkomt van het edelgas argon: argon-40, dat ontstaat bij het radioactief verval van kaliumatomen. Andere argon-isotopen zijn niet gevonden, evenmin als andere edelgassen zoals xenon en krypton. Dat is opmerkelijk, want die edelgassen (die geen scheikundige reacties aangaan met andere atomen) komen wél voor op aarde en op Mars, en maakten deel uit van de oernevel waaruit de zon en de planeten ontstonden. Dat Titan die edelgassen niet bevat, moet op de een of andere manier het gevolg zijn van de manier waarop het Saturnusstelsel is ontstaan.

Volgens de Leidse astrobioloog James Garry is ook de herkomst van het methaangas op Titan nog niet opgehelderd. Hoog in de dampkring worden methaanmoleculen afgebroken door ultraviolet zonlicht, dus het waargenomen methaangehalte (ca. zes procent) kan alleen gehandhaafd blijven wanneer er voortdurend nieuw gas wordt toegevoegd. Waarschijnlijk gaat het om methaan uit de ontstaansperiode van Saturnus, en is Titan gewoon nog steeds heel langzaam aan het ‘uitgassen’. Maar helemaal zeker is dat niet. Een deel van het methaangas zou ook op Titan afgeleverd kunnen zijn bij komeetinslagen in het verleden, en zelfs een biologische oorsprong wordt niet volledig uitgesloten zo lang de Huygens-gegevens niet uitputtend zijn geanalyseerd. Garry gaat in Leiden in elk geval laboratoriumexperimenten uitvoeren om te onderzoeken wat voor onverwachte (bio-)chemische reacties er kunnen optreden in vloeibaar methaan onder de omstandigheden die heersen aan het Titanoppervlak.

Eén ding is zeker: de succesvolle Huygens-missie markeert een mijlpaal in de geschiedenis van het ruimteonderzoek. Met de eerste landing op de maan van een andere planeet is een nieuwe fase aangebroken in de exploratie van het zonnestelsel. Planeetmanen kunnen niet langer beschouwd worden als de toevallige tweederangsbegeleiders van werkelijk belangwekkende hemellichamen. In plaats daarvan gaat het om volwassen werelden, met hun eigen karakteristieke kenmerken, die minstens zoveel aandacht verdienen als de planeten waar ze omheen cirkelen. De landing in Xanadu (waar, volgens Coleridge, een ‘sacred river ran through caverns measureless to man, down to a sunless sea’) is nog maar het begin.

Vage plaatjes. De foto’s die Huygens maakte van het Titanoppervlak zijn op het eerste gezicht vage zwartwitplaatjes, met een aanzienlijk lagere resolutie dan de meeste hedendaagse digitale vakantiekiekjes. Veel mensen vragen zich dan ook af of er bij een project van een paar honderd miljoen euro geen geld af kon voor een betere camera. De Nederlandse astronoom Stefan Schröder van het het Max-Planck-Instituut voor Zonnestelselonderzoek in Katlenburg-Lindau, die deel uitmaakt van het camerateam van Huygens, reageert als door een wesp gestoken: “Ik daag die mensen uit om op vakantie te gaan op Titan!” De instrumenten van de Huygens-capsule zijn stuk voor stuk ontworpen om de meeste extreme omstandigheden het hoofd te kunnen bieden, zoals een jarenlang bombardement van kosmische straling (waar elke gewone camerachip in korte tijd onder zou bezwijken) en extreme temperaturen. Bovendien werden Huygens en Cassini al ruim zeven jaar geleden gelanceerd. De camera is eind jaren tachtig ontworpen, toen de digitale fotografie nog in de kinderschoenen stond. Daar komt nog bij dat de foto’s zo snel mogelijk naar het moederschip verzonden moesten worden, om vervolgens via een radioverbinding een afstand van meer dan een miljard kilometer af te leggen. “Voldoende reden om te werken met zo klein mogelijke bestanden,” aldus Schröder. In totaal seinde Huygens ongeveer 350 foto’s door. Een deel daarvan werd gemaakt tijdens de afdaling door de Titandampkring, de rest na de landing.

De 10 interesssantste bestemmingen in het zonnestelsel

10. Japetus Japetus is een mysterieuze maan van de geringde planeet Saturnus, met een middellijn van 1440 kilometer. Eén helft van Japetus is veel donkerder dan de andere helft; niemand weet hoe dat komt. Misschien dwarrelt er donker materiaal op Japetus neer dat afkomstig is van de Saturnusmaan Phoebe, maar het is ook mogelijk dat er een vreemd soort vulkanisme op de ijsmaan voorkomt. Bovendien ontdekte Cassini dat zich rond de evenaar een gigantische, 1300 kilometer lange bergrug bevindt met een hoogte van ca. twintig kilometer, waardoor de maan eruitziet als een walnoot. In 2007 zal Cassini nog veel gedetailleerdere foto’s van Japetus maken.

9. Triton De grootste maan van de verre planeet Neptunus heeft een middellijn van 2700 kilometer. NASA’s planeetverkenner Voyager 2 ontdekte in 1989 sporen van ijsvulkanisme en actieve stikstofgeisers op Triton. Triton draait in de verkeerde richting rond de planeet, tegen de rotatierichting van Neptunus in. Waarschijnlijk is het een ingevangen ijsdwerg uit de Kuipergordel – het koude buitengebied van het zonnestelsel. Triton lijkt vermoedelijk ook veel op Pluto, die een slag kleiner is, maar als zelfstandige planeet zijn baantjes rond de zon trekt. Concrete plannen voor nieuw onderzoek aan Triton zijn er momenteel niet.

8. Ceres Ceres is de grootste van de planetoïden – steenklompen die tussen de banen van Mars en Jupiter rond de zon draaien. De middellijn van Ceres bedraagt ongeveer 940 kilometer. Hij werd in 1801 ontdekt, en lange tijd als volwaardige planeet beschouwd. Planetoïden zijn overblijfselen uit de ontstaansperiode van het zonnestelsel. De meeste zijn niet groter dan een paar kilometer. Onderzoek aan planetoïden biedt informatie over de manier waarop planeten zoals de aarde zijn ontstaan. In de zomer van 2006 wordt Dawn gelanceerd, een NASA-ruimtesonde die onderzoek gaat doen aan Ceres en Vesta, een andere grote planetoïde.

7. Tempel 1 In 1986 vloog de Europese ruimtesonde Giotto vlak langs de kern van de beroemde komeet Halley. Sindsdien is nog een handjevol kometen van nabij bestudeerd, maar deze kleine, ijzige hemellichamen (de bevroren neefjes van de rotsachtige planetoïden) herbergen nog tal van geheimen. Op 4 juli 2005 komt NASA’s komeetverkenner Deep Impact aan bij komeet Tempel 1. Er wordt een projectiel op de komeetkern afgeschoten om het inwendige te bestuderen. De Europese ruimtesonde Rosetta is inmiddels onderweg naar komeet Churyumov-Gerasimenko, waarop in november 2014 een kleine lander zal worden neergelaten.

6. Pluto en Charon Pluto is de buitenste planeet in het zonnestelsel. Zijn middellijn is ca. 2200 kilometer. Pluto werd pas in 1930 ontdekt. De planeet wordt vergezeld door de half zo grote maan Charon, ontdekt in 1978. Pluto en Charon vormen een ‘dubbele ijsdwerg’, zoals er inmiddels veel meer zijn gevonden in de koude buitendelen van het zonnestelsel. Hoewel de meeste ijsdwergen een stuk kleiner zijn, verdient Pluto volgens veel sterrenkundigen de benaming ‘planeet’ helemaal niet. NASA’s ruimtesonde New Horizons wordt begin 2006 gelanceerd en komt in 2015 bij Pluto en Charon aan.

5. Io De binnenste van de vier grote Jupitermanen heeft een middellijn van 3636 kilometer en vertoont de grootste vulkanische activiteit van alle werelden in het zonnestelsel. Het oppervlak van Io wordt voortdurend ververst door nieuwe uitbarstingen. Het zwavelvulkanisme op Io wordt aangedreven door de sterke getijdenkrachten van Jupiter, die het binnenste van de rotsachtige maan kneden en vloeibaar houden. Een landing op Io lijkt uitgesloten. De maan bevindt zich in de stralingsgordels van Jupiter, en de gevoelige elektronica van een lander of een robotwagentje houdt het in die energierijke omgeving hooguit een paar uur uit.

4. Venus Venus is het lelijke tweelingzusje van de aarde. De planeet is vrijwel even groot, en heeft een vergelijkbare inwendige opbouw. Aan de buitenkant is Venus echter heel verschillend. Het is een helse wereld met een oppervlaktetemperatuur van 500 graden, een luchtdruk die negentig maal zo groot is als die bij ons, en een dampkring waarin wolken van geconcentreerd zwavelzuur rondzweven. De Europese planeetverkenner Venus Express, die in november 2005 gelanceerd wordt, moet onderzoek gaan doen aan dampkring en klimaat, en het antwoord vinden op de vraag wat er mis is gegaan met deze gesluierde planeet.

3. Titan Met een middellijn van 5150 kilometer is de Saturnusmaan Titan groter dan de planeet Mercurius. Na de Jupitermaan Ganymedes is Titan de grootste planeetmaan. Bovendien is het de enige maan in het zonnestelsel met een dichte dampkring, die qua samenstelling veel overeenkomst vertoont met de atmosfeer van de pasgeboren aarde. De succesvolle landing van Huygens en het lopende Cassini-onderzoek brengen veel nieuwe informatie over deze merkwaardige wereld aan het licht. Planeetonderzoekers hebben al ambitieuze plannen voor een terugkeer naar Titan, met ballonnen, luchtschepen of robotlanders.

2. Europa Europa is een van de vier grote manen van de planeet Jupiter, met een middellijn van 3122 kilometer. Hij is in de tweede helft van de jaren negentig uitgebreid bestudeerd door Galileo, een NASA-ruimtesonde die lange tijd in een baan rond Jupiter heeft gecirkeld. Uit het Galileo-onderzoek blijkt dat Europa een dikke korst van ijs heeft, waaronder een honderden kilometers diepe oceaan van vloeibaar water schuilgaat. In die oceaan – verreweg de grootste watermassa in het zonnestelsel – zouden micro-organismen kunnen leven. NASA’s Jupiter Icy Moons Orbiter moet in de toekomst veel gedetailleerder onderzoek gaan verrichten aan Europa.

1. Mars De Rode Planeet blijft de absolute favoriet van ruimteonderzoekers. Langgeleden heeft er water gestroomd, en wie weet zijn er fossiele overblijfselen van micro-organismen te vinden. Terwijl de Amerikaanse robotwagentjes Spirit en Opportunity nog volop in bedrijf zijn, wordt de volgende vlucht naar Mars al voorbereid: in augustus 2005 gaat NASA’s Mars Reconaissance Orbiter op pad. In de toekomst moeten stenen van Mars naar de aarde gebracht worden voor nader onderzoek, en tussen 2030 en 2040 hopen zowel de Verenigde Staten als Europa een bemande reis naar het kleine, koude en droge broertje van de aarde te maken.

Dit artikel is eerder verschenen in de Volkskrant

Dit artikel is een publicatie van Allesoversterrenkunde.nl.
© Allesoversterrenkunde.nl, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 maart 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.