Je leest:

De ongrijpbare chemie

De ongrijpbare chemie

Gastcolumn door chemiehistoricus Arjan Linthorst

Auteur: | 16 november 2010

Elke twee weken verschijnt op Kennislink een gastcolumn. De columnist is steeds een andere onderzoeker, die vanuit zijn of haar vakgebied schrijft over de wetenschap achter een gebeurtenis in de maatschappij of uit ons dagelijks leven. Deze week Arjan Linthorst, die de geschiedenis en status van de ‘groene chemie’ onderzoekt. Chemie en milieu en imago, het blijft een lastige combinatie.

Arjan Linthorst is verbonden aan het Descartes Centre van de Universiteit Utrecht. Hij werkt aan het proefschrift “The History and Scientific Development of Green Chemistry”.

In deze gastcolumn beschouw ik evenals Aukje Lettinga in haar gastcolumn van 14 oktober 2010 de zorgen omtrent het milieu, maar dan vanuit ontwikkelingen binnen de chemie. De oorzaak van milieuproblematiek werd (en wordt) immers vaak gezocht bij de chemie. Sinds jaar en dag is de overheersende opvatting dat milieuschandalen zoals de giframp in Bhopal (1984) of de ramp met de olietanker Exxon Valdez (1989) de chemie een slecht imago hebben bezorgd.

Het slechte imago wordt ook direct in verband gebracht met de verminderde instroom van chemiestudenten aan universiteiten. Er zou zelfs een oorzakelijk verband zijn, in ieder geval in de perceptie van invloedrijke chemische genootschappen zoals de American Chemical Society en de Britse Royal Society of Chemistry. Zij gingen al in de jaren tachtig aan de slag om het imago van de chemie -zowel bij burgers als onder de chemici zelf- te verbeteren.

Burgers en imago

De inspanningen van de chemiegenootschappen zijn ook vandaag de dag nog actueel. Zo organiseren ACS en RSC -maar ook de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI)- sinds de jaren tachtig regelmatig open dagen. De deuren van de chemische industrie gaan voor alle burgers open en door de geboden informatie en de openheid zouden de bezoekers de bijdrage van de chemische industrie aan de welvaart beter gaan waarderen. Maar of dat werkelijk ook zo is…?

Hoe weerbarstig imagoverbetering is, bleek halverwege de jaren negentig bij het befaamde Huddersfield Experiment van de RSC. De gemeenschap Huddersfield werd hier enkele maanden overspoeld met lezingen, posters en aanverwante middelen, waarin het nut van de chemie breed werd uitgemeten. Zowel vóór als na het experiment werd het imago van de chemie gemeten. En wat bleek: er was nauwelijks een verschil waarneembaar.

Om de natuurwetenschappelijke geletterdheid van burgers te verbeteren, moest ook het chemieonderwijs veranderen. De invloed van contexten -ofwel het nut van chemie in het dagelijkse leven- nam toe. De eerste initiatieven hiertoe begonnen met steun van de ACS in de Verenigde Staten. Dit leidde beginjaren 90 tot de publicatie van het boek Chemistry in Context, bedoeld voor middelbare scholieren. Soortgelijke initiatieven volgden ook in andere landen, zoals de Nieuwe Scheikunde in Nederland.

Al deze ontwikkelingen vloeiden voort uit het perspectief van milieuzorg en imagoproblematiek, met als doel de publieke perceptie van chemie te verbeteren. Maar ook binnen de chemie veranderde er veel.

Groene chemie

Het institutionele landschap van de chemie veranderde vanaf de jaren tachtig met de opkomst van diverse milieucommissies en milieugerelateerde tijdschriften. Hierbij springt de opkomst van de groene chemie (green chemistry) het meest in het oog.

Paul Anastas en Joe Breen, destijds beiden werkzaam voor het Amerikaanse milieuministerie EPA (US Environmental Protection Agency) kwamen met dit in hun ogen vernieuwende concept. Ze pleitten voor een chemiefilosofie die milieuvriendelijk én economisch rendabel was. Op de omvangrijke symposia die zij er vanaf 1993 bij de ACS aan wijdden, noemden ze hun concept benign by design chemistry.

Met gevoel voor imago veranderden zij dit in 1995-1996 in green chemistry. In 1997 was Joe Breen een van de oprichters van het Green Chemistry Institute, sinds 2001 officieel onderdeel van de ACS. Ondertussen werd in Engeland in 1998 binnen de RSC het Green Chemistry Network opgericht en in 1999 kwam het wetenschappelijke RSC tijdschrift Green Chemistry uit. Dit tijdschrift behoort nu tot de meest geciteerde chemietijdschriften.

Goed voor de chemie, zou je denken. Maar helaas, ook het imago (en de wetenschappelijke status) van de green chemistry kwam al vrij snel ter discussie. Er waren geen duidelijke normen ontwikkeld voor het concept van Anastas en Breen, en daarom wordt de term green chemistry door chemici te pas en te onpas gebruikt. De European Association for Chemical and Molecular Sciences EuCheMS gebruikt tegenwoordig liever de term sustainable chemistry – duurzame chemie.

Worstelen

Het worstelen met chemie-imago zal nog wel even doorgaan, tenzij de chemie de lessen leert van haar verleden. Want de chemie heeft, als je het vergelijkt met biologie en natuurkunde, al eeuwenlang een slecht imago. Met milieuproblematiek heeft dat niets te maken.

Antoine Lavoisier.
Wikimedia Commons

De grondlegger van de moderne scheikunde, Antoine Lavoisier, ondervond dat aan den lijve. Hij probeerde andere natuurwetenschappers te overtuigen dat het ‘element’ water wél kon worden geanalyseerd – dat water kan worden ontleed in waterstof en zuurstof. Het overtuigen ging erg moeilijk. Waarom? Omdat de ‘objecten’ die Lavoisier analyseerde, de échte chemische elementen, met het blote oog niet te zien waren. Dit in tegenstelling tot de objecten die de biologie en de natuurkunde in die tijd bestudeerden.

Het wordt tijd dat chemische genootschappen dit aspect van ongrijpbaarheid onderkennen, anders blijven ze worstelen met het imago.

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (gastcolumnist).
© Kennislink (gastcolumnist), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 november 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.