Je leest:

De onbedoelde gevolgen van herinneringen

De onbedoelde gevolgen van herinneringen

Auteur: | 21 juli 2006

Ernstige mensenrechtenschendingen kunnen niet vaak genoeg worden herdacht, wordt vaak gezegd. Maar veel herdenken blijkt juist tot nieuw daderschap te kunnen leiden. Een interview met Bob de Graaff.

Een zondag in Sarajevo, enkele jaren na de Bosnische oorlog (1992-1995). Bob de Graaff doet als historicus onderzoek voor het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie naar de val van ‘Srebrenica’. Op zijn vrije dag wil hij het nationaal museum bezoeken. Het blijkt gesloten. Waarom?, vraagt hij een passant. Het antwoord dat volgt, is voor De Graaff mede aanleiding voor de oratie die hij onlangs aan de Universiteit van Utrecht uitsprak. “Het museum,” zei de passant, “is al geruime tijd gesloten, omdat wij anders moeten laten zien dat we hier ook lange tijd in vrede hebben samengeleefd. En dat willen we niet.” Daar op die kalme dag in Sarajevo zag De Graaff (1955) hoe geschiedschrijving alles behalve neutraal is. Het verleden dient voortdurend als politiek instrument. “De meeste Bosniërs, Serven en Kroaten hebben er belang bij te spreken over ‘eeuwenlange conflicten’. Dat de meeste daarvan echter pas na de Tweede Wereldoorlog ontstaan, en dat de lijnen waarlangs de strijd ontbrandt telkens verschuiven, dat komt de nationalisten niet goed uit.”

Bob de Graaff

Zo ontstaan mythen. De collectieve herinnering aan het geschonden verleden is vaak een legitimatie voor nieuwe strijd. De Graaff: “De interpretatie van conflicten en mensenrechtenschendingen hangt ten nauwste samen met het ontstáán ervan. De wraakgevoelens achteraf, de voorstellingen van ‘wij’ en ‘zij’, zijn meestal dezelfde als de vijandbeelden vooraf.”

In zijn oratie laat hij zien hoe ‘wederopbouwende’ samenlevingen, in het bijzonder post-genocidale, tussen twee klippen hebben te varen: herinneren of vergeten. Te veel herinneren dwarsboomt de verzoening, verkleurt de feiten en verklaart slachtoffers zalig. Maar te veel vergeten is, in de woorden van de filosoof Margalit, een ‘dubbele moord’ op de gevallenen en maakt blind voor barbarij. Wie, vroeg Hitler ooit cynisch, herinnert zich nog de massamoord op de Armeniërs?

De Graaff zag het ook bij de Schulbuchkonferenz, het overleg van Duitse en Nederlandse historici over de manier waarop beide landen in elkaars geschiedenisboeken terechtkomen. Ook daar de prangende vraag hoe te herinneren. Lange tijd koos Duitsland voor de morele benadering van ‘Nie wieder’. Maar in de jaren negentig, toen veel nabestaanden waren overleden en leerlingen zich amper nog betrokken voelden bij het Grote Verhaal, vonden docenten dat ze zich meer in de belevingswereld van kinderen moesten verplaatsen. Met kleurenfilms, met schoolreisjes naar concentratiekampen. De ‘inleefbaarheid’ nam toe – en meer dan dat. “Zo’n vijftien procent van de leerlingen,” weet De Graaff, “was onder de indruk van de stoere harmonie van het nationaal-socialisme. En bij het bezoek aan de kampen viel hun oog op de idyllische natuur. Het werd totaal verkeerd begrepen.”

Schadeclaims Is vergeten soms niet beter dan het doorgeven van onbegrip, haat en ongenezen wonden van generatie op generatie? Feit is dat het verleden telkens weer een nieuw gezicht krijgt. De Graaff haalt talloze bronnen en ervaringsdeskundigen aan om dat te postuleren. De Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika, bijvoorbeeld, was decennialang hét uitgangspunt voor de verwerking van het verleden. Het werd een embleem van vergeving, met verzoeningsritueel en de zachte woorden van bisschop Tutu. “Maar nu?” vraagt De Graaff retorisch. “Nu is het verleden steeds vaker aanleiding voor financiële schadeclaims en onbegrensd slachtofferschap.”

De Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie.

Op schrift zegt hij het zo: ‘Het lijkt erop dat de mensheid in haar hijgerige zoektocht naar authenticiteit de meest gecondenseerde vorm daarvan heeft gevonden in genocidaal slachtofferschap.’ Nee, geen aanstelleritis. Hij doelt op de menselijke onderscheidingsdrang, die in een meritocratie – waarin het werkelijke verschil nog slechts een diploma is – alleen maar toeneemt. Met dank aan media en entertainment. “Kennelijk wordt het niet aanvaard dat zestien miljoen mensen dezelfde levensvervulling zouden hebben. Dus zoek je naar de ultieme vorm van erkenning: ergens slachtoffer van te zijn. Maar in je eentje haal je de krant niet, dus zoek je aansluiting bij een groep. Die verleent het individu een identiteit.” En er is geen groep meer ter wereld, ontdekte De Graaff, die zich niet vergeleken heeft met de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Homoseksuelen, zigeuners, etnische Japanners, afstammelingen van slaven. En zoals de Serven zich de ‘joden van de Balkan’ noemden, zo is er nu ook een ‘rode’ Holocaust, een ‘Ruandese’ of zelfs een ‘Holocaust van foetussen, zeehonden en bomen’. Het begrip is aan inflatie onderhevig, en dat geldt evenzeer voor ‘genocide’.

Mede dankzij het journalism of attachment, verslaggevers met een morele agenda, worden steeds vaker ‘massagraven’ of ‘massamoorden’ gesignaleerd; en even later blijkt dat toch voorbarig. Door die verbale inflatie neemt de onverschilligheid van internationale omstanders echter toe, zegt De Graaff. “En juist dán vindt er genocide plaats: de daders weten intussen dat ze vrij spel hebben. Zo ging het in Bosnië, zo ging het in Ruanda.”

Daders en helden Nog in de negentiende eeuw, en een deel van de twintigste, stonden daders en helden centraal. In de criminologie draaide het om boeven, na oorlogen ging het om berechting en vergelding, en op pleinen schitterde het brons van noeste zeehelden en koppensnellers. Na de jaren zestig kenterde die identificatie. Het psychotrauma werd ontdekt en de heldendaden van Het Verzet – “enorm opgerekt,” vindt De Graaff – kwamen in de schaduw van de slachtoffers te staan. Van álle slachtoffers, ook onbekende en onbetekenende.

“Ik bagatelliseer het leed niet, maar slachtoffers zijn slachtoffers. Geen martelaars. Neem de mensen die de dood vonden in de Twin Towers. Die waren daar toevallig. Brandweermannen, dát waren helden. Er is geen reden om iedereen een bijzondere morele status toe te dichten, om elkaar te beconcurreren met leed. Dat werkt bovendien stigmatisering in de hand. Onbedoeld nemen slachtoffers de etnische of raciale clichés van ‘de daders’ over. Waarmee ze opnieuw buitenstaanders worden. Is het niet gewoon genoeg om te zeggen dat het verschrikkelijk was?”

De herdenking van Srebrenica

Die bijzondere manier van herinneren, ook van tweede-generatieslachtoffers, is niet typisch Nederlands, zegt De Graaff. “Maar het is wél typisch twintigste-eeuws.” Het is niet los te zien van de wankelmoedige hang naar ‘identiteit’ en ‘cohesie’, van de emotionele confessies op tv, of het snelgroeiende woud aan juridische scherpslijpers en belangenorganisaties. Dat, én de heilige overtuiging dat de twintigste eeuw toch wel de bloeddorstigste aller eeuwen is, de ‘eeuw van het kwaad’. De Graaff: “Wat historisch gezien natuurlijk volstrekte onzin is.”

Herinneren is een politieke en morele daad, met steeds weer onbedoelde gevolgen. De Graaff pleit er daarom voor te historiseren, te zoeken naar de ‘multidimensionaliteit’ van de werkelijkheid. “Hét geschiedverhaal bestaat niet,” zegt hij. Historiseren is dus demystificeren. Historici moeten laten zien dat zelfs de gruwelijkste geschiedenis de geschiedenis van mensen is, van individuen die mogelijk ook anders hadden kunnen handelen. “Maar mede onder invloed van het historisch slachtofferschap wordt een ‘ontmenselijkte’ geschiedenis geschreven van demonen en martelaren. Juist die ‘religieuze’ connotaties vertroebelen de feiten, en maken nieuwe wraakgevoelens los.”

Slachtoffers als daders De Graaff laat zien hoe moeilijk het is te spreken van dé slachtoffers en dé daders. Zulke groepen blijken keer op keer veel diffuser dan het lijkt, en vaak op complexe wijze met elkaar verbonden. Toch is het na genocide gebruikelijk om de slachtoffercategorie aan de daders te ontlenen. Maar hoe zit het dan met joden die als informant voor de nazi’s werkten? Met de inwoners van ‘Dresden’ en ‘Hamburg’? Met de slachtoffers van de bom op Hiroshima, ‘het Japanse Auschwitz’? Of met ‘de bezettingspolitiek van de Israëlische regering’? Slachtoffers zijn soms daders, daders soms slachtoffers.

Het Nationaal Monument op de Dam

Oog voor details, voor individuen en gebeurtenissen beoordelen met een ‘situationele ethiek’ – geen blauwdrukken van ‘goed’ en ‘kwaad’. Dat bij elkaar is het humanistische perspectief van die lange leerstoel die hij bekleedt. Humanistisch is voor De Graaff een methode van geschiedschrijving: feitelijk, individualistisch en zonder ‘morele draaikonterij’. “De historicus is geen therapeut, noch een medestander van het slachtoffer. Maar de historicus heeft wél een zorgplicht, ten opzichte van de feiten én de overledenen. Hun verhaal moet zo ‘fair’ mogelijk worden verteld. En dat is het verhaal van individuen. Een geschiedenis van collectieven is de geschiedenis van gevaarlijke sprookjes en de voortdurende minachting van anderen.”

Niet in de laatste plaats met dank aan de omstanders. In hun huivering zich te bemoeien met de Bosnisch-Servische oorlog, spraken Bill Clinton en Al Gore menigmaal van “duizendjarige conflicten op de Balkan” of de “wrede inborst”. Een angst, benadrukt De Graaff, die door Servische nationalisten werd uitgebuit én gevoed. Door te dreigen met body bags en brute verkrachtingen, door maar lang genoeg te hameren op onwaarachtige vijandbeelden. Zo konden ze hun gang blijven gaan, zonder ingreep van buitenaf. Zo bleven de mythen voortbestaan.

Pleit hij dan voor preventieve interventies, stelt hij humaniteit per definitie boven soevereiniteit? Het voorhoofd van De Graaff krijgt een diepe frons. “Zelfbeschikking is voor mij een van de moeilijkste mensenrechten. In de praktijk is het vaak een vrijbrief voor etnisch conflict. Aan de andere kant is ‘ingrijpen’ meestal olie op het vuur. Met aanroep van hoge idealen verplicht de omstander zich tot forse interventies en jarenlange wederopbouw. Dat vraagt grote voorbereiding, waardoor troepen meestal neerstrijken op het moment dat het conflict in volle gang is. Dan zijn ze geen arbiter meer, maar partij. Zo dragen goede bedoelingen juist bij aan de verlenging van een conflict.”

Hij denkt terug aan zijn NIOD-tijd en de goede bedoelingen van Nederland. “Aan de kwestie Srebrenica zie je dat de Tweede Wereldoorlog nog steeds ons morele ijkpunt is. Ook daar domineerde de gedachte: ‘Wij hebben meer joden laten wegvoeren dan andere landen, en wij zullen niet nóg eens langs de zijlijn blijven staan.’ Hetgeen dus precies gebeurde.” Ook hier was het niet een strategische analyse of ‘situationele ethiek’ die als leidraad diende, maar het onverwerkte verleden. De Graaff: “Dat is de terreur van de herinnering.”

Bob de Graaff (2006), Op de klippen of door de vaargeul? De omgang van de historicus met (genocidaal) slachtofferschap. Amsterdam: SWP.

Dit artikel is een publicatie van De Humanist.
© De Humanist, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 juli 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.