Je leest:

De noordse woelmuis: bedreigd door concurrentie van de aardmuis?

De noordse woelmuis: bedreigd door concurrentie van de aardmuis?

Auteur: | 24 juni 2003

De veldmuis, de aardmuis en de noordse woelmuis behoren alle drie tot het geslacht ‘woelmuis’. Zij lijken zoveel op elkaar, ook in hun gedrag, dat zij concurrenten van elkaar zijn. Als gevolg van die concurrentie is de ‘ecologische niche’ voor de noordse woelmuis beperkt tot natte terreinen (rietkragen, drasse weilanden) met een wisselende waterstand, een terreintype dat in Nederland zeldzaam is geworden.

De noordse woelmuis, Microtus oeconomus, neemt binnen de zoogdierfauna van Nederland een bijzondere plaats in. Als aparte ondersoort is Microtus oeconomus arenicola de enige endemische zoogdiersoort van Nederland. Endemisch betekent dat een soort alleen in een bepaald (klein) gebied voorkomt. Eilanden herbergen vaak endemische soorten, in een land met open grenzen zoals Nederland is endemisme zeldzaam.

De nationale wetgeving en Europese verplichtingen vereisen de bescherming van de noordse woelmuis en zijn leefgebied. In 1994 is de soort opgenomen in het Besluit beschermde inheemse diersoorten van de Natuurbeschermingswet. Sindsdien is de bedreigde situatie echter niet verbeterd. Wat zijn de oorzaken van de achteruitgang?

Afb. 1: De noordse woelmuis wordt in Nederland steeds zeldzamer door de verstarring van onze waterhuishouding. bron: Dick Klees

Biologie en leefwijze

De noordse woelmuis (zie afbeelding 2) is een vrij forse woelmuis met een bruine tot zwarte vacht aan de bovenzijde. De onderzijde is donkergrijs. De vacht is vrij lang en heeft een enigszins metaalachtige glans. De staart is relatief lang en beslaat circa 40% van de kop-romplengte. De kop is breed; de oren steken vrijwel niet uit de lange vacht. De achterpoten zijn fors en donker, vaak met contrasterende witte nagels. Volwassen dieren zijn 9,5-16 cm lang en wegen 20-60 gram.

Afb. 2: Kaart van de verspreiding noordse woelmuis in Europa. De Nederlandse populatie is geïsoleerd van de hoofdmacht in Noord- en Oost-Europa. bron: The atlas of European mammals (Mitchell-Jones et al., 1999)

De noordse woelmuis is een vrijwel strikte herbivoor met een weinig selectieve voedselkeuze. Zijn voedsel bestaat uit rietspruiten, zeggen, biezen en (schijn)grassen. In de winter kan dit worden aangevuld met schors, zaden en wortels, in de zomer met kruiden. Gedurende de wintermaanden als het natter wordt, zoeken muizen drogere delen in een leefgebied op. Van daaruit worden in de loop van het voorjaar dan weer geschikter wordende plekken bewoond. De eerste reproductie kan al plaatsvinden in de winterhabitat. De reproductie op nieuw bezette plekken komt pas later op gang. De afstanden die worden afgelegd tussen zomer- en winterhabitat zijn doorgaans enkele tientallen meters, maar kunnen groter zijn (tot 200 meter).

Dieren die in het najaar worden geboren, worden pas in het volgende jaar reproductief. Deze dieren vormen het grootste deel van de overwinterende dieren. Tweedejaars vrouwtjes kunnen in één jaar tijd vijf nesten, van elk 3-7 jongen werpen. Eerstejaars vrouwtjes hebben maximaal 3 worpen. De homerange van mannetjes is circa 50×50 meter en overlappen elkaar. Vrouwtjes hebben eveneens overlappende home-ranges van circa 20×20 meter. De dieren gebruiken ondergrondse of bovengrondse gangen en maken nesten met twee toegangen. De nesten worden bij voorkeur onder hooi- of rietstapels gemaakt.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de soort erg mobiel is. Van Wijngaarden constateerde in 1953 dat door de stormvloed geïnundeerde (onder water gezette) gebieden in hetzelfde jaar door de noordse woelmuis werden geherkoloniseerd. Zo bleek bij onderzoek in Zeeland in 1997 dat de noordse woelmuis voorkwam op recent gevormde eilandjes in het Deltagebied die tot meer dan 1500 meter van het vasteland verwijderd liggen. De soort is dan ook in staat om brede wateren over te zwemmen.

De noordse woelmuis lijkt uitstekend aangepast voor overleving in ons koude kikkerlandje. Toch gaat het niet goed, wij zien hoe de aardmuis in steeds meer terreinen de noordse woelmuis verdringt. Wat zit hierachter?

Concurrentie met andere woelmuizen

Het voorkomen van de noordse woelmuis in verschillende vegetatietypen wordt beïnvloed door de aanwezigheid van twee andere woelmuissoorten, namelijk de veldmuis en de aardmuis (zie afbeelding 3). Er zijn sterke aanwijzingen dat bij het voorkomen van meer dan één soort woelmuis de biotoopkeuze beperkter is dan daar waar maar één soort voorkomt. Een dergelijke versmalling van de niche is de uitkomst van concurrentie tussen de verschillende woelmuissoorten.

Een niche is het geheel van abiotische eisen die een dier stelt aan zijn habitat. Dus voedsel, beschutting, klimaat, en dergelijke. Bij afwezigheid van de concurrent kan een soort verscheidene habitats bewonen, die hij in aanwezigheid van de concurrent niet kan handhaven.

Afb. 3: De aardmuis kan de noordse woelmuis verdringen in ruige en vochtige vegetaties bron: Dick Klees

Hoe weet je of er concurrentie plaatsvindt? Het moment dat er echt sprake is van concurrentie, dat het ene dier het andere verjaagt, wordt zelden waargenomen. Het resultaat van concurrentie is wel waar te nemen. Daaruit wordt dan afgeleid dat er concurrentie optreedt.

De aanwijzingen voor concurrentie tussen noordse woelmuis en veld- en aardmuis zijn tweeërlei. Ten eerste blijkt uit vangsten op eilanden waar de noordse woelmuis de enige woelmuissoort is dat hij daar voorkomt in natte én droge vegetaties. Voorbeelden zijn Texel, Tiengemeten en Hompelvoet. Dat was ook het geval op Noord-Beveland voordat dit eiland in het kader van het Deltaplan door dammen voor andere soorten werd opengelegd.

Ten tweede blijkt dat in gebieden waar door ingrijpen van de mens, als het ware grootschalige veldexperimenten, een stabilisering van de waterhuishouding heeft plaatsgevonden, de noordse woelmuis grotendeels verdwenen is. Bijvoorbeeld in de Wieden en Weerribben. Daar kwamen zowel de aardmuis als de noordse woelmuis voor, maar nu is de noordse woelmuis geheel verdwenen. Hoewel dat een natuurgebied is, wordt daar al tientallen jaren een stabiel peil gehandhaafd. In de Biesbosch drong na het afsluiten van het Haringvliet de aardmuis binnen. Daar heeft echter de noordse woelmuis zich na een aanvankelijke achteruitgang kunnen handhaven. In de Atlas van de Nederlandse zoogdieren staat zijn voorkomen beschreven als “beperkt tot de natste rietlandjes”.

Sindsdien zijn periodiek hoge waterstanden van de Maas en Waal vaker voorgekomen en is de waterstand in de Biesbosch wisselvalliger geworden. En het gaat nu ook weer beter met de noordse woelmuis. De omvang van de Biesbosch is zodanig dat het gebied voor beide soorten geschikte habitats kan bevatten, maar veel Nederlandse natuurgebieden zijn daarvoor te klein.

Het mechanisme van de concurrentie is niet onderzocht. Interessante aanknopingspunten biedt het concurrentie-onderzoek tussen aard- en veldmuis door Dienske. Hij komt tot de conclusie dat de veldmuis vanwege zijn gedrag optimaal is aangepast aan korte vegetaties. Daarbij komt dat de soorten elkaar in laboratoriumexperimenten vermeden. Waar beide soorten voorkomen ‘verdrijft’ de veldmuis daardoor de aardmuis uit vegetaties met kort gras. Zowel aardmuis als noordse woelmuis hebben hun optimum in hogere vegetaties. De hoge mobiliteit binnen een jaar, is waarschijnlijk een factor: daardoor kan een noordse woelmuis plekken die na inundatie weer droogvallen snel in gebruik nemen. In dergelijke situaties zou de noordse woelmuis dus de aardmuis kunnen verdringen, en waar die voorwaarden niet optreden krijgt de aardmuis de overhand.

Dit effect van concurrentie is dan ook precies wat we in het veld zien. De veldmuis beperkt zich tot droge grasvegetaties, de aardmuis tot iets verdrogende riet- en ruigtevegetaties en de noordse woelmuis tot echt natte en/of periodiek overstromende riet- en ruigtevegetaties en graslanden.

Afb. 4: Verschillende rietlanden in Noord-Holland en het voorkomen van de noordse woelmuis. bron: Van Vliet, 1994.

Achteruitgang

De atlas van de Nederlandse Zoogdieren laat zien dat in de jaren 1946-1970 de noordse woelmuis in alle natte gebieden op het veen en klei van Nederland voorkwam, maar sindsdien krimpt het areaal in. Alleen in Noord-Holland boven het Noordzeekanaal, waar de aardmuis niet voorkomt, heeft de noordse woelmuis zich goed gehandhaafd (zie afbeelding 4). In Friesland, N-W Overijssel en delen van Zuid-Holland wordt de noordse woelmuis nu verdrongen door de aardmuis.

Waterpeilbeheer

In sommige gebieden (de Oude Venen, Nieuwkoopse Plassen en de Biesbosch) handhaaft de noordse woelmuis zich ondanks de nabijheid van de veldmuis en/of de aardmuis. Dit is met name het geval in habitats die regelmatig overstromen of (’s winters) hoge waterstanden kennen. De noordse woelmuis lijkt goed in staat te overleven in zulke habitats. In het laagveengebied was vroeger sprake van hoge waterstanden in de winter en lagere in de zomer.

In het Deltagebied leidden de getijden tot sterk fluctuerende waterstanden. Ook voor een stevige rietkraag is juist die dynamiek in waterstanden van belang. Riet kan kiemen als de oever incidenteel droogvalt, en breidt zich vanuit daar in het water uit door middel van wortelstokken. Voor de noordse woelmuis zijn bij uitstek de latere verlandingsvegetaties met riet van belang.

Afb. 5: Het effect van peilregulatie op het waterpeil in de Friese boezem bron: provincie Friesland.In 1876 was het waterpeil nog min of meer natuurlijk, in 1976 was het gereguleerd. bron: De Levende Natuur 1999 (2), p.41

De laatste tientallen jaren wordt echter ten behoeve van de landbouw in grote delen van Nederland een waterpeil met geringe dynamiek gehandhaafd. Droge grond is warmer, de groei van het gras komt eerder op gang. Droge grond is ook beter te bewerken. Daarnaast is het voor de akkerbouw van belang dat het land in de oogsttijd niet te nat is. Daarom wordt tegenwoordig bijna overal in Nederland een stabiel peil gehandhaafd, of zelfs een tegennatuurlijke dynamiek: hoge waterstanden in de zomer en lage in de winter om eventuele wateroverlast van de rivieren of extreem hoge neerslag op te kunnen vangen.

Het gevolg is onder andere dat schorren en zandplaten zijn vastgelegd of afkalven en dat de waterstanden nauwelijks meer schommelen. Leefgebieden van de noordse woelmuis zijn daardoor geschikter geworden voor de aardmuis.

Hieronder staan de kaartjes van de huidige leefgebieden van de aardmuis en de noordse woelmuis (zie afbeelding 6). Daarop kun je direct zien waar de concurrentie het sterkste speelt, namelijk in Friesland en op Texel. Op Texel kwam de aardmuis tot voor 1985 niet voor, en in Friesland alleen in Gaasterland en elders in kleine bosjes.

Afb. 6: Kaartjes van de verspreiding van de noordse woelmuis (links) en de aardmuis (rechts) sinds 1990. Goed is te zien waar dat de concurrentie het grootst is in Friesland en op Texel. Ontleend aan gegevens databank VZZ.

Wat te doen?

Het is belangrijk dat in leefgebieden van de noordse woelmuis gestreefd wordt naar meer dynamiek in de waterhuishouding. Voor veel (potentiële) leefgebieden zijn of worden plannen ontwikkeld voor een andere waterhuishouding. In de Delta kan de dynamiek hersteld worden door een terugkeer van de getijdenbeweging, het heropenen van oude kreken en het instellen van een natuurlijker peilbeheer.

In het laagveengebied kan de vegetatiesuccessie weer op gang komen door het uitgraven van oude petgaten of het creëren van nieuwe petgaten, het herstel van kwelstromen en het inrichten van (tijdelijke) wateropvanggebieden. Of in petgaten weer verlanding optreedt is o.a. afhankelijk van de waterkwaliteit en het herstel van oude kwelstromen. Verschillende terreinbeherende organisaties doen momenteel ervaring op met het creëren van nieuwe petgaten. De verlanding langs de oevers van meren en in veengebieden kan ook weer op gang worden gebracht door een natuurlijk peilverloop na te streven, met ’s zomers lage en ’s winters hoge waterstanden.

Een voorbeeld uit de praktijk: Het Sneekermeer

Het Sneekermeergebied, hier kortweg aangeduid als Sneekermeer, is een laagveengebied midden in Fryslân. Het is een zeer gevarieerd gebied met open water, graslanden, rietlanden, eilanden en enkele hectares moerasbos. Het gehele gebied heeft hetzelfde peil als de Friese Boezem.

Er is hier tegenwoordig nog maar een kleine populatie noordse woelmuizen. Bij inventarisaties in 1994, 1999 en 2001 bleek het moeilijk om nog enkele individuen te vinden. Voor 1970 bewoonde de aardmuis alleen enkele kleine bosjes, tegenwoordig bewoont de aardmuis grote delen van het Lage Midden van Fryslân. De noordse woelmuis bewoont vooral de noordrand, op de overgangszone met de klei, waar de rietzomen smal en onderbroken zijn. Concurrentie met de aardmuis is de meest waarschijnlijke verklaring voor het feit dat de noordse woelmuis in Fryslân niet meer voorkomt in de gebieden die qua vegetatietype en samenhang een geschikt habitat lijken te hebben. Bij aanwezigheid van de aardmuis zijn de eisen die de noordse woelmuis aan zijn habitat stelt kritischer, en daaraan voldoet het Sneekermeer onvoldoende.

Conclusie: De noordse woelmuis wordt dus vooral bedreigd door de verstarring van het Nederlandse landschap, in combinatie met de concurrentie van de aardmuis, die daaraan beter is aangepast. Voor het behoud van de noordse woelmuis moeten we Nederland anders inrichten. Daar zullen ook rietvegetaties, en vele soorten vogels en libellen van profiteren. De kwestie van de noordse woelmuis is daarmee een illustratie hoe je door focus op één soort zicht krijgt op bredere problemen van natuur en landschap.

Bronnen:

La Haye, M. & P. Bergers & W. Nieuwenhuizen (2001): Beschermingsplan noordse woelmuis: maatwerk vereist!. Zoogdier 12 (2): pag. 3-8.

Lange et al., 1994. Zoogdieren van West-Europa. Uitg.KNNV, Utrecht.

Broekhuizen, S., B.Hoekstra, V.van Laar, C.Smeenk en J.B.M.Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV. ISBN: 90-5011-051-7.

Lina, P.H.C. & G. Van Ommering (1994): Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare zoogdieren in Nederland. Rapport IKC natuurbeheer nr 12, Wageningen.

Vliet, F.van der, 1994. Zoogdieren langs de waterkant. VZZ, Arnhem

Voor vragen of opmerkingen n.a.v. dit artikel kunt u mailen met:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI).
© Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 24 juni 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.