Je leest:

De moeizame verhouding tussen recht en wetenschap

De moeizame verhouding tussen recht en wetenschap

Auteur: | 14 maart 2008

Eric Rassin is somber over het gebruik van psychologische kennis in de rechtspraak. Er moeten maar liefst vier hindernissen worden overwonnen voordat de psychologische en de juridische waarheid elkaar ontmoeten. Zo moeten rechters wetenschappelijk bewijs leren accepteren, ook als het contra-intuïtief is. Pseudo-wetenschappers moeten worden geweerd, en psychologische kennis moet met zo min mogelijk vertekening de rechtbank in. Als de rechters nu nog een opfriscursus in psychologie krijgen en iedereen leert iets meer te denken als een wetenschapper, is er nog wel iets aan te doen, aldus Rassin in zijn oratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het botst tussen de psychologie en de rechtswetenschap. Hoewel psychologen als getuige-deskundigen vaak een belangrijke rol spelen in de rechtbank, lijkt het soms of zij een andere taal spreken dan de juristen in de zaal. Wetenschappers die psychologisch onderzoek doen gaan er immers vanuit dat je een experiment moet uitvoeren om achter de waarheid te komen, terwijl advocaten, officiers van justitie en rechters de waarheid vaststellen aan de hand van – weliswaar op bewijs gebaseerde – argumenten. En daar knelt iets, stelt hoogleraar rechtspsychologie Eric Rassin tijdens zijn oratie vandaag aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Volgens Rassin zijn er vier hindernissen die goed gebruik van psychologische kennis in de rechtspraak in de weg staan. Zo hoeft een rechter zich niets aan te trekken van wetenschappelijk bewijs dat tijdens een zaak aan de orde komt. Hij kan – en zal – dit soms gewoon terzijde schuiven onder het mom ‘het is maar wetenschap’.

Rechters moeten leren wetenschappelijk bewijs gewoon te accepteren, en niet te zeggen: het is maar wetenschap.

Contra-intuïtief

Daarbij helpt het niet dat deze wetenschappelijke bewijsvoering soms erg contra-intuïtief is. Kuhn, Phelps en Walters illustreren dat in hun onderzoek met een voorbeeld: op televisie zag ik een reclame voor Enginehelp, een product dat ervoor zou zorgen dat de motor van je auto beter werkt. Ik vroeg aan acht mensen die het al gebruikten of hun motor inderdaad goed liep. Zes vertelden me dat ze heel tevreden waren. Van mijn vrienden die geen Enginehelp gebruikten (vier in totaal) vonden drie dat ook niet nodig; hun automotor deed het zonder ook prima.

De vraag is nu: maakt Enginehelp werkelijk dat mijn auto het beter doet? Je zou denken van wel: 78% (6 van de 8) mensen die het gebruikt heeft immers een goed werkende auto. Maar dat geldt ook voor 75% (3 van de 4) van de mensen die geen Enginehelp gebruiken. Wetenschappelijk gezien is de enige juiste conclusie dat het product niet helpt, ook al voelt dat gek: 75% van de Enginehelp-gebruikers is immers tevreden.

Pseudo-wetenschap

Hoewel een jurist zich bewust moet zijn dat wetenschappelijk bewijs tegen je gevoel kan indruisen, is het nog begrijpelijk dat dit moeilijk is voor iemand die daar weinig ervaring mee heeft. Wanneer een psycholoog zo’n fout maakt in de rechtbank is dat veel kwalijker: de rechter vertrouwt immers op het oordeel van die getuige-deskundige.

Als een getuige-deskundige zijn beweringen niet baseert op gedegen wetenschappelijke experimenten, maar zomaar conclusies trekt, dan is er sprake van pseudo-wetenschap.

Eric Rassin noemt het pseudo-wetenschap en is vooral bezorgd over de rol van getuige-deskundigen die weliswaar een studie psychologie hebben afgerond, maar die daarna niet meer aan wetenschappelijk onderzoek hebben gedaan. Dat iedereen zich in Nederland ‘wetenschappelijk onderzoeker’mag noemen, helpt de rechter niet het kaf van het koren te scheiden. Een jurist weet bovendien niet dat het verhaal van een pseudo-wetenschapper niet klopt, omdat hij zelf geen inzicht heeft in de psychologie. Zolang de getuige-deskundige maar vaak woorden als ’ evidence based’ en ‘wetenschappelijk verantwoord’ gebruikt, is hij geloofwaardig.

Wanneer in een rechtzaak een ‘echte’ wetenschapper en een pseudo-wetenschapper concurreren om het oordeel van de rechter, is bovendien niet gegarandeerd dat de echte feiten het winnen. Rassin haalt een onderzoek van Hildebrand, De Ruiter en De Vogel aan. Zij achtten het niet ondenkbaar dat een psychopathische zedendelinquent door zijn TBS-behandeling nog beter in staat is om, eenmaal op vrije voeten, zijn slachtoffers nog beter te manipuleren en misleiden dan voorheen. TBS werkt dus mogelijk averechts: een inzicht dat tot op heden niet is doorgedrongen tot de rechterlijke macht, die gewoon TBS blijven voorschrijven.

De lange weg tussen lab en rechtzaal

Als laatste hindernis noemt Eric Rassin de lange weg tussen psychologisch laboratorium en rechtzaal. Haalt een wetenschappelijk onderzoek bijvoorbeeld de pers, dan treedt er vaak vertekening van de resultaten op: de media overdrijft en past de bevindingen toe waar dat niet geoorloofd is.

In de krant of op televisie kunnen wetenschappelijke resultaten behoorlijk worden overdreven.

Rassin geeft als voorbeeld het bekende onderzoek waaruit blijkt dat je van Mozart luisteren slim wordt: bijna iedereen weet dat. Het werkt zelfs op baby’s, vandaar dat zwangere vrouwen soms het advies krijgen vooral veel Mozart te luisteren. Het originele onderzoek liet echter alleen zien dat de studenten op een deel van een IQ-test dat hun ruimtelijk inzicht testte iets hoger scoorden na een paar minuten Mozart. Het effect hield bovendien maar 15 minuten aan. Maar in de handen van een jurist kan zo’n broodje aap ineens een belangrijk argument worden in de bewijsvoering.

Ook psychologen zelf geven de resultaten van onderzoek soms vertekend weer. Volgens Gudjonsson en Haward is het niet ongebruikelijk dat officiers van justitie of advocaten zonder schroom vragen of een psycholoog zijn deskundigenrapport op hun wensen wil aanpassen. De wetenschappers vroegen 514 forensisch psychologen of zij wel eens een dergelijk verzoek hadden gekregen. Meer dan een kwart (27%) antwoordde bevestigend, en van hen gaf bovendien meer dan de helft (56%) aan dat ze het verzoek ook daadwerkelijk hadden ingewilligd.

De rechter is ook maar een mens

Zelfs als al die hindernissen overwonnen zijn, is het nog niet zeker dat een rechter de psychologische kennis in een rechtzaak goed gebruikt. Rechters blijken bijvoorbeeld zeer slecht op de hoogte te zijn van theorieën en inzichten die relevant zijn voor de rechtsgang. Amerikaanse onderzoekers testten 42 rechters op hun kennis en ontdekten dat de meerderheid van de rechters onder andere niet geloofden in het door zorgvuldig onderzoek vastgestelde unconscious transference effect, waarbij het slachtoffer een onschuldige omstander als de dader aanwijst.

Rechters geloven wél dat zij uitzonderlijk goed zijn in het onderscheiden van leugens en waarheid, zo bleek uit een ander onderzoek van Crombag, Van Koppen en Wagenaar. En dat terwijl ook een rechter maar iets beter dan 50% scoort in een test waarin hij moet beoordelen of iemand liegt of niet. Ter verduidelijking: als je bij iedere uitspraak een muntje zou opgooien en bij kop zou concluderen dat iemand liegt, terwijl je bij munt uitgaat van de waarheid, dan zit je óók in 50% van de gevallen goed. Een rechter is dus geen betere beoordelaar dan een willekeurig muntstuk in je portemonnee.

Hoe nu verder?

Hoe moet het nu verder met al die hindernissen en menselijke rechters? Eric Rassin oppert dat het zou helpen als we van ‘wetenschappelijk onderzoeker’ een beschermde beroepstitel maken zoals bij arts of advocaat nu al het geval is. Op die manier kan niet iedereen zich meer zo noemen. Bovendien zouden we de populair-wetenschappelijke media kunnen censureren, zodat juristen hun kennis uit serieuze vakbladen moeten halen in plaats van uit de Triv of Quest.

Het is echter realistischer om te werken aan een nieuwe manier van denken, betoogt hij: kritisch en met weerstand tegen onze neiging om alleen informatie te accepteren die klopt met onze overtuigingen en alle andere feiten in ons hoofd weg te moffelen als minder belangrijk. We moeten ook leren om alternatieve scenario’s te onderzoeken en accepteren dat we het soms gewoon niet weten of dat er geen eenduidig antwoord is. Deze instelling vat Rassin samen onder de noemer ’ _scientifity_’, een wetenschappelijke denkwijze die belangrijk is voor iedereen, maar zeker rechters en andere juristen en niet te vergeten: psychologen.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 maart 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.