Je leest:

De milieuverwoestende jacht op olie

De milieuverwoestende jacht op olie

Auteur: | 1 februari 2008

Oliebronnen; bronnen van energie, maar óók van vervuiling. Aan de hand van een ‘industrieel landschap’ in Azerbaijan, gefotografeerd door de Canadees Edward Burtynsky, komt milieu-econoom Withagen met een weinig hoopgevend verhaal: “Van de vervuilende oliewinning zijn we nog niet af, schone technologie heeft nog zware tijden voor de boeg”.

Er zijn maar weinig beelden die het werkgebied van de milieueconomie treffender kunnen illustreren dan onderstaande prachtfoto van Burtynsky. De ongebreidelde jacht op natuurlijke hulpbronnen, die schrijnende schade aan het landschap aanbrengt. Dergelijke plaatjes zijn ook te schieten in de Boliviaanse zilvermijnen, bij de Russische gaswinning, de Chinese kolenmijnen, in Alberta (Canada), waar uit teerzanden olie gewonnen wordt, en over een tijdje op de Noordpool als daar de oliewinning van start gaat. In dit specifieke geval gaat het ook nog om een fossiele brandstof, olie, waarvan de verbranding leidt tot uitstoot van CO2, dat, zoals langzamerhand wel bewezen is, een belangrijke oorzaak vormt van de al in gang gezette klimaatverandering (zie IPCC (2007)).

Olievelden in Baku, Azerbeidjan
Edward Burtynsky, 2002

En het ligt allemaal aan ‘de economie’, die lak heeft aan de natuur en alleen winstbejag nastreeft. Sommigen willen zelfs beweren dat de economische wetenschap verwijten te maken zijn, omdat die te weinig aandacht besteedt aan zaken die moeilijk in geld zijn uit te drukken. Tijd dus om als milieueconoom maar weer eens in de pen te klimmen en een tegengeluid te laten horen. Ik zal, zoals vele collega-milieueconomen het zouden doen, proberen aan te geven dat wij als wetenschappers wel degelijk oog hebben voor de geschetste problemen. En dat de verworven inzichten langzamerhand binnen de beleidsarena aanvaard en serieus genomen worden. Zonder de invloed van Al Gore en het Stern rapport (2007) te willen bagatelliseren.

Hardlopen langs varkensmesterijen

Het kernbegrip van de milieueconomie is ‘externe effect’. Een extern effect treedt op als de beslissing van een consument of een producent onbedoelde nevengevolgen heeft, die goed of verkeerd uitpakken voor andere consumenten of producenten en die niet door het marktmechanisme worden gecorrigeerd. Als ik vanuit mijn stad Tilburg door het landschappelijke gebied Moerenburg ga hardlopen, dan word ik op enig moment met de neus op het feit van een varkensmesterij gedrukt, wat ik onplezierig vind.

De betreffende ondernemer is er niet op uit om stank te produceren; het is een gevolg van de wijze van varkens fokken. Evenmin bestaat er een markt waar ik het recht op schone lucht kan kopen, of waar de ondernemer stankrechten kan kopen. De oliemaatschappij van de foto zal er ook niet op uit zijn om het landschap te verstoren of om olie te verspillen. En naar alle waarschijnlijkheid heeft de oliemaatschappij ook niets hoeven te betalen (behalve misschien wat steekpenningen aan lokale autoriteiten) om de getoonde vervuiling te veroorzaken.

Opgewonden economen

Waarom winden economen zich hierover op? Daar bestaat een fundamentele reden voor. Als de economie goed functioneert dan leidt dat tot efficiëntie, dat wil zeggen dat niemand erop vooruit kan gaan zonder dat iemand anders erop achteruit gaat (efficiëntie is iets anders dan optimaal of rechtvaardig). Dat is de belangrijkste stelling van de economische wetenschap, wat mij betreft.

Maar wil de conclusie geldig zijn dan moet de economie wel ‘goed’ werken. En dat houdt in dat er voor alle goederen en diensten die ons welvaart schenken, een markt bestaat en dat er volledige mededinging heerst op al die markten. Aan de eerste voorwaarde is in het geval van externe effecten typisch niet voldaan. En dan leidt de economie tot een inefficiënte uitkomst. Wat kun je daar aan doen? Het antwoord is heel simpel. Creëer een markt. Maar om een markt te laten werken, moeten er vragers en aanbieders zijn en moet het goed in kwestie verhandeld kunnen worden.

En daarvoor is het noodzakelijk dat er eigendomsrechten gedefinieerd zijn. Het recht op een schoon landschap of het recht om het landschap te vervuilen, moet dus aan iemand of iets worden toegekend. In de praktijk is dat erg ingewikkeld, zoals ook Coase (1960), die op dit gebied gepionierd heeft, inzag. Want er zijn doorgaans veel belanghebbenden, zelfs in de verre toekomst, en ook onderhandelingen kunnen veel geld vergen.

…Voor het terugdringen van CO2 uitstoot hebben we nu op Europese schaal een systeem van verhandelbare emissierechten…

Een oud beleidsrecept

Een alternatief is een rol voor de overheid in de vorm van milieubeleid. In wezen is het recept daarvoor al meer dan een eeuw geleden gegeven door Pigou (1920), een Engels econoom, die bepleitte dat er een belasting zou worden geheven op de activiteit die het externe effect veroorzaakt. Wij zouden dat nu een milieutaks noemen. Die belasting moet ertoe leiden dat precies de optimale hoeveelheid vervuiling optreedt.

Optimaal hoeft niet gelijk te zijn aan geen vervuiling. Het heeft een eeuw geduurd maar inmiddels zijn ook de beleidsmakers overstag. Voor het terugdringen van de CO2 uitstoot hebben we nu op Europese schaal een systeem van verhandelbare emissierechten, wat hetzelfde resultaat beoogt als een milieuheffing, maar meer garantie biedt dat de emissies ook daadwerkelijk naar het juiste niveau worden teruggebracht.

Het wilde Westen

De problemen zoals zo raak geschetst op de foto van Burtynsky, zijn daarmee nog niet verholpen. Daar is meer voor nodig. Van belang is in de eerste plaats good governance. Dus geen regeringen of machthebbers met een wildwest mentaliteit. Maar verder is het niet eenvoudig om de juiste afwegingen te maken. Om het juiste tarief vast te stellen is het nodig om inzicht te krijgen in de ‘waarde’ van de natuur, en niet alleen de puur economische waarde, zoals die ten behoeve van het toerisme of de waarde van bossen voorzover ze gekapt kunnen worden.

Het gaat ook om de esthetische waarde, die moeilijk in geld valt uit te drukken. Er zijn methoden ontwikkeld om die waarden te achterhalen. Sommigen van die methoden werken met wat in het menselijk gedrag valt waar te nemen, andere zijn meer hypothetisch van aard. De laatste methode heet contingent valuation. Hierbij wordt aan mensen gevraagd naar de zogenaamde willingness to pay voor een verbetering van het milieu, of de willingness to accept in het geval van een verslechtering van het milieu.

…Economen hebben een belangrijke rol gespeeld bij de compensatie van de degenen die getroffen zijn door de ramp met de Exxon Valdez in 1989… Bron afbeelding: Nieuwsdossier

Zo hebben economen een belangrijke rol gespeeld bij de compensatie van de degenen die getroffen zijn door de ramp met de Exxon Valdez in 1989 (zie Carson et al. (2003)). Er moet wel bijgezegd worden dat de betreffende methode niet onomstreden is (Diamond en Hausman (1994)). Niettemin zal in Nederland contingent valuation in de toekomst een rol kunnen gaan spelen bij kosten-batenanalyses van milieuprojecten.

Sneeuw gaat verloren

De milieueconomie houdt zich ook met natuurlijke hulpbronnen bezig. Vernieuwbare, zoals bossen en visserij, en niet-vernieuwbare, zoals ertsen en fossiele brandstoffen. De olie van de foto vormt dus ook daarom een belangrijk toepassingsgebied. Het gebruik van olie als brandstof draagt in belangrijke mate bij tot de uitstoot van CO2, velen zijn bang dat de stijgende olieprijzen gaan leiden tot ontwrichting van de economie, en o ironie, door de opwarming van de aarde komen de enorme olievoorraden in het Noordpoolgebied als lonkend perspectief in beeld, met alle gevolgen van dien indien er olie op de sneeuwmassa verloren gaat (het schoonmaken daarvan is vele malen duurder dan wanneer de verspilling op zee plaatsvindt).

Om deze redenen is er veel aandacht voor alternatieve energiebronnen, zoals wind- en zonne-energie. Inderdaad worden deze alternatieven steeds aantrekkelijker bij hogere olieprijzen. De alternatieve technologieën worden hierdoor eerder economisch rendabel. Zou men denken. Maar, op de oliemarkt heerst geen volledige mededinging, zodat de prijzen geen afspiegeling vormen van de kosten, en zelfs als er al volledige mededinging zou heersen, dan nog zou er van een gelijkheid van kosten en prijs geen sprake zijn. Olie in de grond is een kapitaalgoed, dat je vandaag of morgen, of volgend jaar of nog verder in de toekomst kunt winnen. En als je een oliebron hebt, dan maakt het je niet uit wanneer je de olie uit de grond haalt, indien de winst per eenheid morgen, gedisconteerd met de rentestand, evenveel bedraagt als de winst per eenheid vandaag. Dus zelfs in een wereld met volledige mededinging zal de olieprijs stijgen.

“…O ironie, door de opwarming van de aarde komen de enorme olievoorraden in het Noordpoolgebied als lonkend perspectief in beeld…” . Dit perspectief heeft ertoe geleid dat Rusland merkwaardige claims op Noordpoolgebieden heeft gelegd. Bron afbeelding: Ukrainian Archive

Weinig hoopgevend

Maar dat betekent niet dat als er plotseling goedkope alternatieven op de markt komen, de olie niet meer wordt aangeboden. Neen, zolang de kostprijs van de olie nog onder de prijs van het alternatief ligt, zal er olie op de markt komen; de prijs zal gewoon een stuk lager worden vastgesteld. Het ziet er dus naar uit dat alle winbare olie ook daadwerkelijk gewonnen gaat worden, hetgeen het perspectief van een olieloze, en dus CO2-loze energievoorziening er niet rooskleuriger op maakt.

Eenzelfde verhaal kan worden opgezet voor de kolenvoorraden. Degenen die zich met alternatieve technologie bezighouden, moeten zich hier terdege rekenschap van geven. En wat betreft de foto, ik denk dat de oliewinning en het zoeken naar oliebronnen nog een behoorlijke tijd door zal gaan. Er valt alleen te hopen dat de beleidsmakers adequate maatregelen kunnen nemen tegen de vervuiling die er tot dusverre mee gepaard is gegaan (hoewel niet over de volle breedte; de ’goede oliemaatschappijen dus niet te na gesproken) en tegen de CO2 uitstoot die er tot dusverre mee gepaard is gegaan, bijvoorbeeld door strenge beperkingen op te leggen aan die uitstoot. De EU lijkt daarin nu het voortouw te nemen, hoewel, zoals gevreesd, de vermeende aantasting van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven toch weer een belangrijke rol dreigt te gaan spelen. Jawel, vermeend, omdat wetenschappelijk bewijs daarvoor nog helemaal niet is geleverd.

Conclusie

Mijn conclusie is niet erg hoopgevend. Van de vervuilende oliewinning zijn we nog niet af, schone technologie heeft nog zware tijden voor de boeg, en ondanks de goede wil zal daadkrachtig milieubeleid nog vaak gefrustreerd worden door het najagen van deelbelangen. En dit is allemaal nog goed te begrijpen ook.

Literatuurlijst

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 februari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.