Je leest:

De mens als foetale aap

De mens als foetale aap

Auteur: | 30 juni 1992

De groei en ontwikkeling van de mens verloopt nogal traag in vergelijking tot die bij andere dieren. Louis Bolk ziet de mens daarom als een foetale aap. Niet iedereen is het eens met deze manier van kijken naar de mens.

Met de aanvaarding van de evolutiegedachte van Darwin in het laatste kwart van de vorige eeuw werd de vraag naar de herkomst van alle dier- en plantensoorten verdrongen door de vraag: ‘en wijzelf, waar komen wij vandaan?’ Zeventig jaar geleden kwam Louis Bolk, een Amsterdamse hoogleraar in de anatomie en embryologie, met een theorie. Hij beschouwde de mens als een onvolgroeide mensaap, gezien de lange groei tot volwassenheid, het grotendeels ontbreken van haar en de deels blijvende schedelnaden.

Eén van Bolks argumenten had betrekking op de ontwikkeling van het gebit. De melktanden breken bij mensapen kort na de geboorte door. Zodra het melkgebit volledig is, kort na de doorbraak van de tweede valse kies, start de tandwisseling met het verschijnen van de eerste permanente kies. In de volgende periode wordt het melkgebit door het permanente vervangen en min of meer direct aansluitend aan de vervanging van de hoektand verschijnt ook de ware derde kies, die wij verstandskies noemen. Bij mensen breekt de verstandskies vaak pas heel laat door of ontbreekt die helemaal. Zo’n proces heet retardatie, vertraging. Het ziet er naar uit dat de ontwikkeling van deze kies nog steeds naar achteren verschuift en dat hij op den duur helemaal niet meer zal doorbreken.

Zo zijn er nog vele verschijnselen, die erop lijken te wijzen dat de mens, vergeleken met andere primaten, een lange en vertraagde ontwikkeling doormaakt. Te samen brachten zij Bolk tot zijn foetalisatietheorie.

De conclusies, die Bolk uit zijn waarnemingen heeft getrokken, moeten we zien in het licht van zijn opvatting over afstamming ( fylogenie). Bolk was een fervent aanhanger van de recapitulatietheorie, maar was geen Darwinist. Hij was van mening dat de richting van de ontwikkeling wordt bepaald door factoren die in het levende organisme zijn vastgelegd. Zulke factoren zouden een organisme op harmonieuze wijze vervormen. Van aanpassingen onder invloed van natuurlijke selectie moest Bolk niets hebben. Neem bijvoorbeeld de plaats van het achterhoofdsgat aan de onderzijde van de menselijke schedel. Deze bijzondere positie was in zijn ogen het gevolg van een vaste hoek tussen schedelbasis en neusaanleg, een echt foetaal kenmerk, dat niets te maken heeft met de rechtopgaande gang.

In 1875 had Ernst Haeckel (1834-1919) de recapitulatie-theorie ontwikkeld. Deze theorie stelt dat we aan de opeenvolgende stadia van een zich ontwikkelend dier direct kunnen aflezen hoe achtereenvolgens de oer-oervoorouder, de oervoorouder en de voorouder van een diersoort er hebben uitgezien. Deze theorie wordt samengevat in de biogenetische grondwet, die stelt dat de ontogenie (de ontwikkeling van het individu) een recapitulatie of herhaling is van de fylogenie (de evolutie van de soort).

Er is veel kritiek op Haeckels biogenetische grondwet geweest. Walter Garstang (1868-1949) wees erop dat de evolutie van de Metazoa geen reeks is van volwassen vormen, maar de uitkomst is van steeds veranderde ontogenieën, van levenscycli. Fylogenie is een eindeloze rij succesvolle ontwikkelingen. Gavin de Beer (1899 – 1972) heeft laten zien dat de volgorde waarin kenmerken in de fylogenie optreden geenszins precies is terug te vinden in de ontogenie. Bij zoogdieren ontstaat de tong bijvoorbeeld eerder dan de tanden, maar bij andere gewervelden, zoals reptielen, zijn de tanden er eerder. Er is nog meer kritiek op de biogenetische grondwet. Als zij echt zou gelden, dan zou de gemeenschappelijke voorouder van aap en mens een vreemd halfslachtig dier zijn geweest, dat gedurende zijn volwassen leven met een navelstreng vast verbonden was met zijn moeder. Zo’n stadium maakt de vrucht van beide soorten immers door!

De Beer benadrukt dat ontogenie in elke nieuwe generatie het resultaat is van de interactie tussen vastgelegde genetische factoren en vele verschillende omgevingsfactoren, die de expressie van het genotype in de loop van zijn ontwikkeling bepalen. Erfelijke factoren zijn niet alles bepalend. Als je aan het water waarin eieren van de tandkarper Fundulus zich ontwikkelen een beetje magnesiumchloride toevoegt, verandert het ontwikkelingsproces en blijkt het visje niet twee maar slechts één oog te krijgen. Geen enkel onderdeel van het lichaam is het resultaat van louter omgevingsfactoren of van alleen erfelijk vastgelegde informatie. Kenmerken van volwassen vormen zijn antwoorden op omgevingsfactoren en elke generatie moet tijdens haar ontwikkeling opnieuw die antwoorden geven.

Dat er toch een ontwikkeling mogelijk en zichtbaar is die specifiek is voor de soort, is een gevolg van de redelijke constantheid van die factoren over beperkte tijdsperioden. Een verandering in de inwendige of in de uitwendige factoren zal leiden tot een afwijking van de normale ontwikkeling, die vervolgens in het heersende milieu op levensvatbaarheid wordt getoetst. De Beers belangrijkste idee was dat evolutionaire veranderingen teruggaan op verschillen in de timing van ontogenetische processen bij nakomelingen ten opzichte van hun voorouders.

Natuurlijke selectie

In Bolks visie ligt één enkele hormonale verandering ten grondslag aan de vertraging van het gehele groeipatroon. Die leidt tot uiterst langzame groei en differentiatie van lichaamsdelen. Tenslotte volgt dan de geslachtsrijpheid en blijft er, nog steeds volgens Bolk, een individu over dat in vele kenmerken een foetale aap zou zijn.

Er zijn nogal wat bezwaren te maken tegen de theorie van Bolk. Het eerste bezwaar is dat hij de foetalisatie van de mens verdedigt als één harmonieus proces dat alle menselijke kenmerken in ongeveer gelijke mate beïnvloedt. Bovendien verwerpt hij de rol van natuurlijke selectie. Men zou toch mogen verwachten dat er in vier miljoen jaar menselijke evolutie verschillende selectiefactoren werkzaam zijn geweest die differentiatie en groei hebben gestuurd? Een verandering van in- of uitwendige factoren zal volgens de huidige evolutiegedachte leiden tot een afwijking van de normale ontwikkeling, die vervolgens in het heersende milieu op levensvatbaarheid wordt getoetst.

Groei

Lodewijk (Louis) Bolk is de geestelijke vader van de foetalisatietheorie. Hij is geboren in 1866 en werd in 1898 benoemd tot hoogleraar in de ontleedkunde. In 1930 ging Bolk met emeritaat en nog dat jaar stierf hij. Eén van de argumenten van Bolk berustte op de waarneming dat bij de mens (b) de embryonale hoeken tussen kop en romp en tussen schedelbasis en neusdeel vrijwel behouden blijven in de volwassen vorm. Bij bijvoorbeeld een hond (a) is dat allerminst het geval.

Als het waar is dat evolutionaire veranderingen teruggaan op verschillen in de timing van ontogenetische processen – de ontogenie is de ontwikkeling van bevruchte eicel tot volwassene – is het van belang om de ontwikkeling van organismen te bestuderen. Vormkenmerken ontstaan tijdens een ontwikkelingsproces. Dat proces blijkt geenszins gelijkmatig te verlopen.

Bij een lengte van circa 19 millimeter treedt er vrij plotseling een verandering op in de groeicoëfficiënt b. Zodra karpers die lengte bereiken wordt de coëfficiënt 3,12. Die waarde van de exponent ligt dicht bij 3. Wanneer tijdens de groei het volume – en bij gelijkblijvende lichaamssamenstelling dus ook het gewicht – evenredig toeneemt met een derde macht van een lengte, spreken we van isometrische groei. Lengte, breedte en hoogte nemen in zo’n geval in een gelijk blijvende verhouding toe, wat betekent dat de lichaamsvorm niet verandert.

Tijdens de eerste fasen van de groei is de groeicoëfficiënt niet 3,12 maar 4,47. Een volume kan niet toenemen met meer dan een derde macht van een lengtemaat, tenzij er vormveranderingen optreden. Blijkbaar veranderen breedten en hoogten tijdens larvale groei meer dan bij isometrische groei kan worden verwacht. Deze ongelijkmatige groei noemt men allometrie. De enorme vormveranderingen die tijdens de ontwikkeling van een karperlarve plaats vinden, zijn er een voorbeeld van. Niet alleen uitwendig, maar ook in de groei van de organen treden allometrieën op.

Uit het karperei ontwikkelt zich een diertje met een relatief grote kop, een nog goedgevulde dooierzak en een lange afgeplatte staart. De stroomlijnvorm die zo karakteristiek is voor een volwassen karper ontbreekt nog geheel. Maar ten gevolge van allerlei allometrieën ontwikkelt zich uit de larve een volwassen individu dat nauwelijks lijkt op zijn larvale stadia. Kortom, een volwassen individu is geen ‘opgeblazen’ larve. Allometrische groei is regel in de vroege ontwikkeling en isometrie is een uitzondering.

Allometrie als aanpassing

De groei van een lichaam kan worden beschreven als een macht van het lichaamsgewicht maal een constante. Door logaritmische schalen te nemen verandert de grafiek van een exponentiële groeicurve (y = axb) in een rechte lijn (log y = log a + b log x). Opgroeiende karperlarven vertonen vóór de lengte van 19 mm een groeicoëfficient b van 4,47 (allometrische groei), daarna 3,12 (bijna isometrisch).

Tijdens het opgroeien verbenen de staartkeletelementen van karperlarven. In de afbeelding zien we staarten en hele karpertjes van 3, 13 en 20 dagen oud. Het kraakbeen is blauw gekleurd en het been rood. Zodra de larve echt met z’n staart gaat zwemmen, en niet meer met z’n hele lichaam, is de skeletvorming aangepast aan het krachtopwekken. Dat is na dertien dagen het geval.

Tot nu toe hebben we de relatie tussen vorm en functie geheel buiten beschouwing gelaten. Onontkoombaar is natuurlijk de vraag: waartoe treedt die vormverandering op? Welke rol hebben deze nieuwe vormen van de organen voor de overlevingskansen van de groeiende larve? Een karperlarve van vijf millimeter is niet gestroomlijnd. Stroomlijn is echter alleen belangrijk wanneer in de stroming rond een bewegend lichaam de traagheidskrachten groot zijn ten opzichte van de wrijving. Bij visselarven van vijf millimeter met een massa van 1,5 milligram en zwemsnelheden van enkele centimeters per seconde, overheersen wrijvingskrachten het stroombeeld. Er is nog geen stroomlijnvorm vereist voor het beperken van de energiekosten van de voortbeweging. Door de groei van de lichaamslengte en de toename van de gemiddelde zwemsnelheid nemen de traagheidskrachten sterker toe dan de wrijvingskrachten. Plotseling wordt een gestroomlijnde vorm dus wel belangrijk. Die kan alleen ontstaan bij allometrische groei.

Zoals alle kleine dieren hebben ook pas uitgekomen visselarven een zeer groot oppervlak ten opzichte van hun inhoud (bijvoorbeeld 12 000 mm2 lichaamsoppervlak per milliliter lichaamsvolume). Voor de ademhaling is zo’n grote oppervlakte-inhoudverhouding bijzonder gunstig. Kieuwen zijn daardoor onnodig in de vroege larvale stadia. Door fabelachtig snelle groei ontstaat later toch op tijd het vereiste kieuwoppervlak. Die groei moet ook op tijd weer ophouden. Wanneer de kieuwgroei zijn maximale groeisnelheid zou behouden, heeft de larve bij een gewicht van honderd milligram al 8000 mm2 kieuwoppervlak beschikbaar, terwijl zo’n visje in werkelijkheid aan ongeveer 150 mm2 voldoende heeft.

Kortom, een juiste groeisnelheid en een juiste groeiperiode zijn essentieel voor een harmonieuze ontwikkeling. Tijdstip en snelheid van groei van lichaamsdelen zijn blijkbaar aanpassingen aan zich wijzigende in- en uitwendige omstandigheden. Er is geen sprake van een voor alle lichaamsdelen gelijke variatie in groeitijd en -intensiteit, zoals Bolk zich dat bij de foetalisatie van de mens voorstelde.

Verschillen in groei

Typen van heterochronie. Als de vorm van een lichaamsdeel (vierkantje) niet die van een volwassen voorouder (rondje) bereikt, spreken we van pedomorfose. Bij peramorfose overschrijdt dat lichaamsdeel die vorm. Heterochronie ontstaat door verschillen in groeisnelheid (neotenie/versnelling), in duur van de groeiperiode (progenese/hypermorfose) of in aanvangstijdstip van de groei (retardatie/vervroeging). Ook kan, zoals in f, de volwassen fase eerder (of later) intreden. In werkelijkheid kunnen combinaties van deze processen optreden.

Verschillen tussen nakomelingen en voorouders in groeisnelheid, in moment waarop de groei begint en in de lengte van de groeiperiode, worden samengevat onder de term heterochronie. Er zijn verschillende mogelijkheden wanneer de ontwikkeling van een vormonderdeel van een nakomeling wordt vergeleken met die van voorouders of primitieve soorten uit dezelfde groep. Wanneer bijvoorbeeld een onderkaak een lagere groeisnelheid heeft, al snel stopt met groei of veel later begint te groeien, zal deze bij volwassen dieren een uitwendige vorm bezitten die lijkt op een jeugdiger stadium van een voorouder. De volwassen vorm of grootte is weliswaar bij de voorouder terug te vinden, maar dan in een vroeger ontwikkelingsstadium. Toch is die vorm van de onderkaak voor de nakomeling de volwassen vorm. Zo’n volwassen jeugdvorm van een kenmerk noemt men een pedomorfose.

Bij salamanders komen pedomorfe kenmerken algemeen voor. Het paradepaardje is Ambystoma mexicanum, de Mexicaanse axolotl, een salamander die geslachtsrijpheid bereikt terwijl hij nog in het bezit is van uitwendige kieuwen – en dat is nu juist een typisch larvaal kenmerk. Door aan het voedsel schildklierhormoon toe te voegen kan men bij de axolotl alsnog een complete gedaantewisseling teweeg brengen. Dat lukt niet met alle pedomorfe soorten. Permanent in het water levende salamanders – reuzensalamanders, olmen en mudpuppy’s – beschikken over een goed werkende schildklier maar behouden hun gehele leven uitwendige kieuwen. Er zijn nog veel andere voorbeelden van pedomorfosen in het dierenrijk.

In plaats van een achtergebleven ontwikkeling kan er ook sprake zijn van een verder voortgeschreden ontwikkeling bij de nakomeling. Dit heet peramorfose. Ook hier spelen diverse groeimechanismen een rol.

Experimentele embryologie

Hoe kunnen pedomorfosen en peramorfosen ontstaan? De veronderstelling is dat door mutaties bepaalde regelgenen geheel of gedeeltelijk worden uitgeschakeld en dat daardoor een kenmerk niet meer tot ontwikkeling komt. Dit betekent echter dat deze ‘onzichtbare’ kenmerken in aanleg nog wel aanwezig zijn. Hoe bewijs je zo’n stelling?

De embryoloog Hampé plaatste in een pootknop van een zich ontwikkelend kippe-embryo een micaplaatje tussen het cellengebied voor de ontwikkeling van het scheenbeen en de cellen waaruit zich het kuitbeen ontwikkelt. Het resultaat was dat de kip een pootskelet ontwikkelde, zoals we dat bijvoorbeeld terugvinden bij de oudste fossiele vogel, Archaeopteryx, die 150 miljoen jaar geleden leefde. Blijkbaar is de informatie voor zo’n voorouderlijk poottype nog wel aanwezig, maar komt deze in de normale ontwikkeling niet meer tot uiting. Ook de uitkomsten van andere experimenten wijzen in die richting. Zo kan het mondepitheel van een kip tandglazuur vormen, hoewel bij geen enkele hedendaagse vogel tanden voorkomen.

Welk genetisch mechanisme zit hier achter? Het best bekende genoom van alle hogere dieren is dat van de bananenvlieg Drosophila melanogaster. Het bestaat uit ongeveer 5000 genen. Twee Hawaiaanse Drosophila-soorten met een sterk verschillende kopvorm, bezitten slechts tien verschillen in genen. Het gaat hierbij echter niet om genen die verantwoordelijk zijn voor structurele kenmerken, maar om regulatiegenen, die andere genen tot activiteit manen. De plaats, het aantal en de aard van de segmenten in kop, borststuk en achterlijf van Drosophila, wordt door niet meer dan vijftig of zestig regelgenen bepaald. Bij cavia’s blijken er maar vier genen nodig te zijn om het aantal vingers te bepalen. Kennelijk is een beperkt aantal commando’s voldoende om ontwikkelingsprocessen in ruimte en tijd te sturen.

Foetalisatie bij de mens?

Hoe kijken we nu met het bovenstaande in het achterhoofd naar de gewraakte foetalisatietheorie van Bolk? Hèt kenmerk van de mens bij uitstek is de grootte van zijn hersenen. De voortgezette groei van het hersenen heeft misschien tot gevolg gehad dat de vorm van de menselijke schedel bol is, dat de voorwaartse uitgroei van de kaken uitblijft en dat de doorbraak van het definitieve gebit vertraagd en beperkt is. Maar het is ook mogelijk dat handen en werktuigen allerlei taken van kaken en gebit overnamen. De eisen die daaraan oorspronkelijk werden gesteld namen dus af. Het is waarschijnlijk dat daardoor een positieve selectie optrad voor mutaties in regelgenen die leidden tot die voortgezette hersengroei en die mogelijk gevolgen hadden voor onder meer de kaken.

Het is duidelijk dat de mens niet zonder meer pedomorf is. Toch wordt de ontwikkeling van de mens in vergelijking met zijn directe verwanten gekenmerkt door een vertraagde groei, door retardatie. Uit een onderzoek waarin we 147 markeerpunten in de ontwikkeling van de mens vergeleken met die bij de muis, bleek dat de volgorde waarin deze kenmerken verschijnen bij de mens hetzelfde is als bij de muis. Maar tijdstip en duur komen niet overeen. Bij de mens verschijnen vroege stadia naar verhouding twee tot vier keer zo laat, terwijl latere stadia vijf tot vijftien maal zo lang duren. Overigens geldt dit patroon van vertraagde ontwikkeling voor alle primaten. Mensapen zijn in het algemeen groter en worden later volwassen dan gewone apen en halfapen.

De morfoloog Adolf Portmann meent dat er bij alle zoogdieren een trend bestaat van een grote worp met snelgroeiende, nog totaal hulpeloze jongen naar een kleinere worp van hoog ontwikkelde jongen. Zo loopt een pasgeboren gnoe een half uur na de geboorte al mee in de kudde. De mens is een uitzondering op deze ‘regel’. Weliswaar is de worp zo klein mogelijk, maar een mensenbaby is hulpeloos en onderontwikkeld. Dit nu is een gevolg van onze extreem vroege geboorte. Eigenlijk zou de draagtijd 21 maanden moeten duren. In feite, zegt Portmann, is dat ook zo, zij het dat een jaar van die tijd buiten de baarmoeder wordt doorgebracht. De foetale groeisnelheid van de hersenen blijkt bij de mens inderdaad nog tot een jaar na de geboorte aan te houden. Alleen is ons tijdstip van geboorte vervroegd ten opzichte van andere primaten.

Tijdschakelaars

Bij een vergroting van 200 maal toont de transparante nematode ingewikkelde structuren die van verschillende cellijnen in het embryo afkomstig zijn.

Om de rol van tijdschakelaars in de ontwikkeling te leren kennen, hebben we kleine dieren nodig die gemakkelijk herkenbare mutaties vertonen en in grote aantallen snel en goedkoop kunnen worden gekweekt. Draadwormen of aaltjes (nematoden) voldoen aan die eisen. In één rotte appel kunnen gemakkelijk 300 000 wormpjes voorkomen.

De laatste tien jaar is veel onderzoek gedaan aan de draadworm Caenorhabditis elegans. In volwassen toestand is het dier 1,2 mm lang, spits aan beide einden, voorzien van een lange rechte darm en van een stevige elastische cuticula. Doordat de cuticula stijf is zijn vervellingen noodzakelijk. De normale ontwikkeling verloopt via vier larvenstadia: embryo → L1 —> L2 —> L3 —> L4 —> adult. Er bestaan mannetjes en hermafrodiete dieren. Het mannelijke dier heeft exact 959 celkernen, de hermafrodiet heeft er 1031. Per individu zijn er bovendien één à tweeduizend geslachtscellen. De ontwikkeling, die volgens een strak patroon verloopt, laat zich in de halftransparante diertjes met een microscoop volgen.

Nu blijken er genen te zijn die tijdens de ontwikkeling ‘schakelaars’ omzetten in bepaalde cellijnen. Door een bepaalde mutatie in zo’n gen treedt er een voortdurende en typische herhaling op van delingen in larvale huidcellijnen, waardoor voortdurend uit L1 slechts L1 wordt geproduceerd. Dus het L1-stadium herhaalt zich voor de cellijnen die huidprodukten maken. De mutatie beïnvloedt niet de cellijnen die andere lichaamscellen en de geslachtsorganen gaan produceren, zodat na de laatste vervelling toch een rijpe geslachtsklier ontstaat.

Hier zien we dus onze vermoedens bevestigd. Niet alleen zijn er genen die structurele eiwitten en enzymen produceren, maar ook zijn er regelgenen, die de ontwikkeling in ruimte en tijd besturen. Zelfs is het zo dat er bij meercellige dieren voor bepaalde cellijnen aparte regelgenen zijn, waarvan een mutatie direct voor een pedomorf kenmerk verantwoordelijk is. Veranderingen in zo’n gen kunnen drastische morfologische consequenties hebben.

Vertraagde ontwikkeling

Primaten hebben grote hersenen ten opzichte van hun lichaam. Bij de geboorte neemt de hersengroei van de chimpansee af. Bij de mens gaat de foetale groei daarna nog een jaar door.

Hoe past deze versnelde geboorte in het algemene beeld van vertraagde ontwikkeling? Wel, een dergelijke voortgezette groei in de baarmoeder zou de geboorte onmogelijk maken. Vergelijking van het gewicht van moeders en jongen bij vijftien soorten apen en mensapen laat zien dat de menselijke baby in verhouding het zwaarst is. De (te) vroege geboorte van de mens is een noodzakelijke aanpassing aan de voortgezette groeiperiode gezien de constructie van het lichaam van de vrouw en het geboortekanaal. Bij de mens zien we tijdens de ontwikkeling processen die in de tijd niet alleen naar achteren maar ook naar voren zijn geschoven. Er is dus niet alleen sprake van pedomorfe kenmerken, maar ook van peramorfe kenmerken. Eén simpel schema gebaseerd op groeivertraging is ten enen male onvoldoende om de feiten te verklaren. Net als bij de karperlarve is er ook zoiets als aanpassing aan omgevingsfactoren.

En hoe zit het dan met andere ‘typische’ kenmerken van de mens, zoals het bezit van een kin en de prominente neus? In deze opzichten lijkt de volwassen mens beslist niet op jeugdige vormen van andere hoogontwikkelde primaten. Wel is het mogelijk om ook deze kenmerken deels te herleiden tot een versnelde, deels tot een vertraagde groei. Zo wordt de kin uitgelegd als het effect van een vertraagde groei van dat deel van de onderkaak waarin de tandkassen zitten, terwijl het basisdeel daardoor in geringere mate wordt beïnvloed. En de vooruitstekende neus zou het effect kunnen zijn van een vertraagde groei van de kaken. Het voorkaaksbeen versmelt door die beperkte groei bij de mens eerder met het bovenkaaksbeen dan bij andere primaten en lijkt daarom bij de mens als afzonderlijk element te ontbreken.

De S-kromming van de wervelkolom, de meer dwarse stand van het bekken, de meer zijwaartse geplaatste gewrichtsholten voor de dijbeenkoppen en het boogvormige voetgewelf staan als meest opvallende verschillen tussen mens en hogere primaten zonder twijfel in verband met de rechtopgaande gang. Wellicht kunnen alleen organismen die wapens kunnen hanteren zich een dergelijke langzame loopwijze veroorloven. Voor het gebruik en het vervaardigen van wapens is inzicht nodig en hiervoor zijn hoog ontwikkelde hersenen onontbeerlijk. Ook de uitwisseling van ervaringen door mimiek, gebaar en taal is een belangrijk hulpmiddel in de overleving en ook voor deze intelligente functie zijn grote, lang doorgroeiende hersenen noodzakelijk. Wanneer veranderingen in regelgenen door een proces van natuurlijke selectie worden vastgelegd, kan een snelle verandering in vorm en grootte het gevolg zijn. Heterochroniemutanten zijn in staat dergelijke veranderingen te veroorzaken.

De mens is geenszins een foetale aap, maar pedomorfe trends zijn in veel van zijn kenmerken terug te vinden.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 30 juni 1992

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.