Je leest:

De kunst van het geluk

De kunst van het geluk

Auteur:

Tachtig procent van de Nederlanders is gelukkig tot zeer gelukkig met het leven, meldde het Sociaal Cultureel Planbureau afgelopen jaar. Diezelfde Nederlanders geven hun samenleving echter een magere vijf, tegen een zeven in 1999. Wat bepaalt ons geluk?

Het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau laat zien dat onze waardering van de samenleving niet bepaalt hoe gelukkig we ons voelen. Kunnen politici dan gaan genieten van een levenslange vakantie? “Nee”, zegt de bekendste ‘geluksprofessor’ van Nederland, socioloog Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit Rotterdam. “Politici richten zich op de leefbaarheid van de maatschappij. Mensen die in een arm, corrupt en onvrij land leven, zijn wel degelijk ongelukkiger.” En zo erg is het in Nederland niet. Naast leefbaarheid van de omgeving spelen andere zaken een rol bij het ontstaan van geluk. Zoals levensvaardigheid, het terrein van psychologen. “Als je goed met omstandigheden en problemen om weet te gaan, voel je je gelukkiger. Daadkracht, zelfstandigheid en ‘sociabiliteit’ (hoe prettig je in de omgang bent) beïnvloeden het levensgeluk positief. Dit soort persoonlijke eigenschappen verklaart een kwart van de verschillen in tevredenheid tussen mensen.” Satisfactie of tevredenheid is volgens Veenhoven dus het resultaat van leefbaarheid en levensvaardigheid.

Meike Bartels van de afdeling Biologische psychologie doet aanverwant onderzoek. Leefbaarheid komt in haar onderzoek tot uiting als omgevingsfactor, terwijl zij zich richt op factoren die de levensvaardigheid beïnvloeden. Dat zijn zowel omgeving als genen. Zij wil weten in welke mate deze factoren een rol spelen bij ons levensgeluk. Dat geluk voor een aanzienlijk deel in persoonlijke eigenschappen zit, biedt haar een uitgangspunt. Persoonlijke eigenschappen hebben namelijk een erfelijke component.

Illustratie: Sylvia Buczynski.

Bartels richt haar erfelijkheidsonderzoek op kinderen. Duizenden eeneiige en twee-eiige tweelingen tussen de veertien en zestien jaar vullen vragenlijsten in. Hieruit kan zij opmaken hoe gelukkig deze kinderen zich voelen, hoe het zit met hun levensvaardigheid en welke omgevingskenmerken meespelen. Zo hoopt de psychologe er achter te komen in hoeverre erfelijkheid geluksverschillen tussen jonge mensen verklaart en hoe belangrijk omgevingskenmerken zijn. Misschien blijkt wel dat kinderen in de stad gelukkiger zijn dan op het platteland, of andersom.

Erfelijkheid is een lastig begrip. Je kunt bijvoorbeeld niet zeggen dat tachtig procent van je IQ voortkomt uit je genen en dat je de rest hebt opgedaan door oefening en studie. Tachtig procent van de verschíllen in intelligentie tussen mensen komt voort uit hun genen en daarom is intelligentie voor tachtig procent genetisch bepaald. Omgevingsfactoren hebben dan nog steeds invloed, maar met omgevingsverschillen alleen kun je de IQ-verschillen tussen mensen dan niet goed verklaren.

Bartels schat dat veertig tot zestig procent van de geluksverschillen tussen pubers voortkomt uit erfelijkheid. Naarmate iemand ouder wordt, speelt de erfelijke factor voor geluk hoogstwaarschijnlijk een grotere rol, net als bij intelligentie en veel andere eigenschappen. Dat komt doordat de invloed van de omgeving afneemt bij het ouder worden. Wanneer je ouder wordt, bepaal je je omgeving in sterkere mate zelf. Het geborgen gezin en de ouderlijke zorg vallen weg, je moet je leven zelf inrichten.

Liefde

Maar ook al zou geluk voor meer dan de helft erfelijk worden bepaald, deze aanleg is een startpunt en geen eindresultaat. Je kunt ook zelf werken aan je geluksgevoel, en dat kan bepalend zijn voor het eindresultaat: gelukkig of ongelukkig. Dat levensvaardigheid (zelfstandigheid, daadkracht en sociabiliteit) een rol speelt, zagen we al eerder. Ook de manier waarop je in het leven staat, kan invloed hebben op hoe gelukkig je bent. Nadenken over je levenshouding kan lonen.

Filosofe Angela Roothaan houdt zich onder andere bezig met levenshouding. Ze richt zich het liefst op de wisselwerking tussen theorie en praktijk. Filosofische teksten kunnen we begrijpen door er voorbeelden uit het dagelijks leven bij te zoeken; het alledaagse leven door het met filosofische teksten te doorgronden. Een van Roothaans fundamentele inzichten is: je hebt anderen nodig om gelukkig te zijn. “Afhankelijkheid van een ander die mij bevrijdt van mijn machtsdromen is bepalend”, zei ze in het tijdschrift VolZin. Dat behoeft enige uitleg. “Veel mensen zitten opgesloten in zichzelf: in hun eigen levensproject en hun verlangens. Om echt gelukkig te kunnen zijn, moet je echter inzien dat je afhankelijk bent van anderen. Zij dragen jouw leven. Vrienden nemen de tijd voor je als je ze belt, je partner accepteert allerlei eigenaardigheden van je. Dat iemand teruglacht als jij lacht, is ook zoiets. In het christendom staat geven centraal, maar ontvangen is eigenlijk belangrijker.” Met machtsdromen doelt Roothaan dus op het idee dat je het geluk in eigen hand hebt: als je levensproject maar slaagt, als je je verlangens maar ziet te vervullen, zul je wel gelukkig worden. Maar zo werkt het niet, volgens Roothaan: “Als je steeds maar vooruitholt met alleen je eigen projecten in je hoofd, zie je niet wat een ander je zomaar vanzelf geeft en wat er allemaal vanzelf lukt. In je relatie kun je zo bezig zijn met hoe jij wilt dat die ander is, dat je niet de tijd neemt om te kijken wat deze je geeft. Als je dat wel zou doen, dán krijg je het soort openheid dat nodig is om een geluksgevoel te ervaren.”

Blijer door een pil

Nadenken over hoe je het leven zou moeten benaderen, daadkracht en zelfstandigheid oefenen, en aardig zijn. Bij depressieve mensen helpt het allemaal niet: zij gebruiken meestal pillen om blijer te kunnen zijn. Hoe mooi hun leven soms ook is en hoeveel mensen er ook van ze houden, ze kunnen zich niet gelukkig voelen. Hoewel praten met een therapeut kan helpen, slikken velen van hen antidepressiva om er bovenop te komen en zelfs dat helpt niet altijd. Dat geeft aan dat geluk ook een lichamelijke kant heeft, die deskundigen bovendien niet helemaal doorgronden.

Hoogleraar Biologische psychiatrie Witte Hoogendijk doet onderzoek naar depressie. Aan de hand van de werking van antidepressiva kan hij een tipje van de sluier oplichten die over de fysiologie van geluk ligt. Antidepressiva vergroten in de hersenen de beschikbaarheid van de stof serotonine. Die stof speelt een rol bij de communicatie tussen zenuwcellen. In de smalle opening tussen twee zenuwcellen vangen receptoren die op de buitenkant van de zenuwcellen zitten, de serotonine weg uit de opening. Antidepressiva voorkomen dat: ze inactiveren de receptoren, zodat de serotonine beschikbaar blijft. “Hóe dat werkt en waarom dat helpt om je blij te voelen, is nog niet bekend”, erkent Hoogendijk. Hij onderzoekt nu onder andere één specifiek type serotoninereceptoren in de hersenen van depressieve patiënten voor en na behandeling met een bepaald medicijn. Mogelijk is deze receptor een oorzaak van depressie doordat hij te veel serotonine opneemt.

Als geluksbeleving kennelijk afhangt van de stoffenhuishouding in de ruimte tussen zenuwcellen in, en die huishouding met medicijnen geregeld kan worden, dan is het eigenlijk gek dat niet iedereen antidepressiva slikt. Een beetje extra geluk kan toch, ook voor niet-depressieve mensen, geen kwaad? Veel mensen gebruiken, in plaats van antidepressiva, drugs zoals nicotine, alcohol, cocaïne en XTC. De werking van deze stoffen is vergelijkbaar met die van antidepressiva. Ze hebben nóg een overeenkomst met antidepressiva: bijwerkingen, variërend van maagdarmproblemen tot verslaving.

Stel, echter, dat onderzoekers over twintig jaar hebben afgerekend met die bijwerkingen. Kunnen we ons dan allemaal, door af en toe een pilletje te nemen, altijd heel tevreden voelen? “Geluk uit een pil is toch anders dan geluk dat je op eigen kracht bereikt”, zegt Hoogendijk. “Normaal gesproken bereik je een geluksgevoel door er iets voor te doen. Een mooie vakantie bijvoorbeeld. Je moet werken om er geld voor te hebben, je moet de reis boeken en je verder voorbereiden. Die voorpret kun je omschrijven als ‘de weg naar het geluk’. Die valt weg als je je geluksgevoel uit een potje haalt, samen met het tevreden gevoel dat je dit geluk helemaal zelf hebt bereikt.” Hij denkt even na en vervolgt: “Een andere manier om je goed te voelen, is door de waardering van een ander. Je zelfgevoel wordt gestut en gesteund door anderen. Dat is een belangrijke reden voor ons sociale gedrag: je toont interesse in anderen onder andere om aardig gevonden te worden. Als je dat gevoel uit een pil kunt halen, hoef je niet meer zo sociaal te zijn.”

Toch weer die daadkracht, zelfstandigheid en sociabiliteit. Maar dan kunnen we toch dubbel gelukkig worden als we aan de gelukspil gaan, terwijl we ook de ‘ouderwetse’ wegen naar geluk blijven bewandelen? Hoogendijk: “Helaas niet. Bij drugsverslaafden bijvoorbeeld verdwijnt alle motivatie om te werken voor geluk. Zowel in economisch als sociaal opzicht. Ze willen niet meer werken, ze willen niet meer sporten enzovoort.” Een lamlendige en asociale samenleving kan dus het gevolg zijn als geluk uit een potje gemakkelijk toegankelijk wordt voor niet-depressieve mensen die net dat beetje extra geluksgevoel zoeken.

Do’s & dont’s

- Gehuwde mensen zijn gelukkiger dan alleenstaanden. Dat geldt wel alleen voor gelukkig getrouwden. - Kinderen krijgen of niet: gemiddeld maakt het niets uit voor ons levensgeluk. - Probeer wat te sporten, maar stop indien u sterke aversie blíjft voelen. - Bijkomend voordeel van sport: het is gezond, en hoe gezonder men is, hoe gelukkiger. - Wees niet materialistisch: materialisme maakt u minder gelukkig. - Stap in het verenigingsleven. - Onderzoek uw levensvaardigheid: kunt u daadkrachtiger, zelfstandiger en prettiger in de omgang worden? - Heb oog voor wat anderen u geven. - Ontvang wat anderen u willen geven. - Verander wat u kunt veranderen, leg u neer bij wat u niet kunt veranderen.

Sporten

Dat geldt niet voor het antidepressivum waaraan bewegingswetenschapper Ruud Bosscher een bijdrage heeft geleverd. Naast depressieve patiënten kunnen ook niet-depressieve mensen er veilig gebruik van maken om blijer te worden. De enige bijwerking: een goede conditie. Het gaat over hardlooptherapie. Bosscher vergeleek matig depressieve patiënten die een individuele therapie kregen van pillen en praten met even depressieve patiënten die in een groep bewegingstherapie kregen. “De resultaten waren hetzelfde. Inmiddels wordt de therapie breed toegepast”, aldus de Bosscher.

Hij zoekt nu klinieken die willen meewerken aan onderzoek naar terugvalpreventie door bewegingsactiviteit. Dat werkt mogelijk nog beter, want patiënten die genezen zijn, kunnen het beter opbrengen om te komen. De beweging, het groepsproces, het buiten zijn en de prikkelingen van de zintuigen kunnen dan optimaal hun werk doen. Hierdoor komt het doodse, depressieve gevoel hopelijk niet meer binnen een jaar terug, zoals nu bij dertig procent van de ex-patiënten.

Bij gezonde mensen helpt hardlopen – of een andere beweging – ook om een prettig gevoel op te wekken. Dat komt deels doordat bij lang genoeg doorlopen de stof endorfine in de hersenen vrijkomt. Endorfine is de natuurlijke pijnstiller die een prettig, ‘high’ gevoel kan geven. Bij extreme pijn of stress zet ons lichaam deze lichaamseigen morfine ook in; het kan zelfs verslavend zijn. De rest van het blije gevoel dat sporten geeft, komt door het voldane gevoel na de geleverde prestatie. Toch heeft niet iedereen baat bij sporten, geeft Bosscher toe. “Sportende mensen zijn doorgaans beter gestemd, maar zij zijn ook op andere gebieden actiever, zoals tuinieren, sociale contacten en concertbezoek. Het is een kwestie van kip of ei: voel je je beter omdat je sport, of sport je omdat je je goed voelt? Er zijn ook mensen die het echt niet leuk vinden, en die niet door de periode van investeren heen komen: de periode dat het alleen maar zwaar is en er nog geen waarneembare conditieverbetering optreedt.”

Opschudding

De tegenstelling persoonlijk geluk versus ontevredenheid over de maatschappij die het Sociaal Cultureel Planbureau blootlegde is niet zo vreemd als hij op het eerste gezicht lijkt, zo laten de verschillende wetenschappers in dit verhaal zien. Behalve ‘de maatschappij’ spelen namelijk veel andere dingen een rol bij de totstandkoming van ons levensgeluk. Al met al geven Nederlanders hun leven gemiddeld een acht. Sinds wetenschappers het in de jaren zeventig begonnen te meten, steeg ons geluksgevoel héél licht, meent Veenhoven. Recessies of zelfs moord op ‘de democratie’ of op ‘het vrije woord’ veranderen daar niets aan, ondanks de opschudding die ze veroorzaken.

Dit artikel is een publicatie van Gewoon Bijzonder.
© Gewoon Bijzonder, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 september 2006

Discussieer mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE