Je leest:

De koran in het Nederlandse islamdebat

De koran in het Nederlandse islamdebat

Auteur: | 25 januari 2008

Het pleidooi van Geert Wilders voor een algeheel verbod op de koran, omdat daarin opgeroepen zou worden tot geweld, kun je natuurlijk schouderophalend afdoen als een uiting van moslimhaat en xenofobie uit de bekende hoek. Toch is er reden om bij stil te staan. Het illustreert namelijk niet alleen het belang van de koran in het Nederlandse islamdebat, maar ook de vooronderstellingen waarop veel uitspraken over de koran gebaseerd zijn.

Verwijzingen naar de koran kom je regelmatig tegen in het islamdebat, vooral van de kant van islamcritici. In het blad Liberaal Reveil van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, stelde een auteur schrijvend onder het pseudoniem M.S.H. Frankenvrij al vóór Wilders serieus de vraag of de koran in Nederland eigenlijk niet verboden zou moeten worden. Talrijke tekstpassages zouden in strijd zijn met de Nederlandse rechtsorde. Als alternatief stelde hij voor om de koran te zuiveren van ‘alle opwekkingen tot haat en tot het plegen van misdrijven’.

Ook in de door Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh geproduceerde film Submission stond de koran centraal. De boodschap van de film is dat islam en de onderdrukking van vrouwen onlosmakelijk verbonden zijn. Door bepaalde koranverzen op de lichamen van vrouwelijke slachtoffers van mishandeling en onderdrukking te projecteren suggereerden de makers dat er een duidelijk verband is tussen de mishandeling en de tekst van de koran.

Vooronderstellingen

Islamcritici gebruiken de koran vaak om aan te tonen dat de islam een gevaarlijke en achterlijke godsdienst is die zich niet verdraagt met westerse waarden en daardoor een belemmering vormt voor integratie. Daarbij spelen twee vooronderstellingen over de relatie tussen heilige geschriften, godsdienstbeleving en het gedrag van gelovigen een rol. De eerste is dat de koran door moslims letterlijk opgevat wordt en dat er geen of weinig ruimte is voor interpretatie. Met voorbijgaan aan andere bronnen van de islam, zoals het voorbeeld van de profeet Mohammed ( soenna) wordt de tekst van de koran gelijkgesteld met de islam.

De tweede vooronderstelling is dat het gedrag en denken van moslims in zeer sterke mate bepaald wordt door hun godsdienst, dus door de koran. Beide vooronderstellingen leiden noodzakelijk tot de conclusie dat moslims zich alleen aan de moderne tijd of de westerse cultuur kunnen aanpassen wanneer ze delen van de koran afschaffen of herschrijven.

Verscheidenheid

Onder moslims bestaat een grote verscheidenheid aan meningen over rituele kwesties, over de uitleg van de sharia (islamitische wetgeving) en over theologische zaken. De formulering en verbreiding van religieuze kennis was en is in de eerste plaats de collectieve verantwoordelijkheid van individuele godsdienstgeleerden en niet die van religieuze organisaties (kerken) met organen en functionarissen (de paus, concilies, synodes) die gezaghebbende uitspraken kunnen doen over religieuze geschilpunten. De godsdienstgeleerden interpreteren de koran en de hadith en komen vaak tot verschillende conclusies.

Binnen de orthodoxe islam was en is het geaccepteerd dat er binnen bepaalde grenzen verschillende meningen konden bestaan over de uitleg van de koran, over theologische kwesties en over de regels van de sharia. Op dit laatste gebied werden er zelfs boeken geschreven waarin de verschillende opvattingen op een objectieve manier naast elkaar werden gezet en verklaard. Door de verschillen in interpretatie is de verhouding tussen koranische teksten en de daarvan afgeleide normen gecompliceerd. Ik zal dat illustreren aan de hand van twee koranverzen die in het publieke debat nog al eens geciteerd worden.

Binnen de islam wordt religieuze kennis geformuleerd en verspreid door individuele godsdienstgeleerden. De godsdienstgeleerden interpreteren de koran en de hadith en komen vaak tot verschillende conclusies.

Jihad

Neem bijvoorbeeld koran 9:5:

‘Doch wanneer de gewijde maanden zijn verstreken doodt dan de genotengevers (polytheïsten, RP) waar gij hen aantreft en grijpt hen en belemmert hen en bezet elke uitkijkpost tegen hen. Doch indien zij zich berouwvol bekeren en de salat verrichten en de zakat opbrengen laat hen dan vrij huns weegs gaan. God is vergevend en barmhartig.’

Dit is een van de centrale teksten waarop de doctrine van de jihad is gebaseerd. Maar moet dit vers gelezen worden als een onvoorwaardelijk bevel om niet-moslims te doden, zoals de letterlijke tekst opgevat kan worden? Is het een ‘jachtakte’ voor moslims, een ‘license to kill’? Of is het een van de teksten die, om met Frankenvrij te spreken, ‘functioneert als ontstekingsmechanisme van fundamentalistische islamitische terreur die onophoudelijk en wereldwijd wordt bedreven’? Wanneer we de klassieke commentaren erop naslaan blijkt dit niet het geval. Volgens de klassieke jihad-leer mogen niet-moslims alleen gedood worden als ze geen wettelijke bescherming genieten en feitelijke of potentiële strijders zijn. ‘Niet-moslims’ heeft hier dus enkel betrekking op volwassen mannen. Dat betekent dat hun leven alleen gevaar loopt tijdens feitelijke oorlogvoering of wanneer ze zich zonder vrijgeleide (die door iedere volwassen moslim verleend kan worden) op islamitisch grondgebied bevinden. Moslims die zich met toestemming van de lokale niet-islamitische overheden ophouden buiten het gebied van de islam zijn volgens de islamitische wet gebonden aan de lokale wetten en moeten de levens en eigendommen van niet-moslims respecteren.

De achterliggende jihaddoctrine is dat er een collectieve verplichting is voor moslims om onder leiding van de kalief het gebied van de islam uit te breiden. Daarnaast bestaat voor volwassen moslimmannen een individuele verplichting om het grondgebied van de islam te verdedigen als hun streek wordt aangevallen. Dit is echter de klassieke leer.

De tegenwoordig meest gangbare jihadleer is dat jihad een verdedigingsoorlog is en dat moslims niet-moslims alleen mogen doden in zo’n verdedigingsoorlog. Deze opvatting wordt gestaafd met talrijke koranverzen die strijd alleen toestaan tegen agressie. Het zal duidelijk zijn dat de letterlijke betekenis van koranteksten niet identiek is met islamitische leermeningen.

De tegenwoordig meest gangbare jihadleer is dat jihad een verdedigingsoorlog is en dat moslims niet-moslims alleen mogen doden in zo’n verdedigingsoorlog. Deze leermening komt niet overeen met de letterlijke tekst uit de koran.

Vrouwen slaan

Een ander voorbeeld is koran 4:34:

‘De mannen zijn opzichters over de vrouwen voor wat God aan de een meer gegeven heeft dan aan de ander en voor wat zij gegeven hebben als bijdrage van hun bezittingen. […] Maar zij van wie gij opstandigheid vreest vermaant haar en vermijdt haar op de rustplaatsen en slaat haar. Maar indien zij u gehoorzaam worden zoekt dan geen weg om haar te tuchtigen. God is waarlijk verheven en groot.’

Deze tekst wordt in Nederland dikwijls aangehaald om aan te tonen dat de islam mannen opdraagt hun vrouw te slaan als ze ‘ongehoorzaam’ zijn. De klassieke uitleg van de koran is dat mannen hun vrouwen mogen (en niet moeten) slaan bij ongehoorzaamheid, maar pas als laatste remedie nadat andere middelen (vermaning, niet samen slapen) niet geholpen hebben. Bovendien benadrukken de exegeten dat de kastijding binnen bepaalde grenzen moet blijven.

Er zijn feministische korandeskundigen die de standaardinterpretatie van dit vers bekritiseren en alternatieven voorstellen. Twee rederingen worden gebruikt om de tekst over het slaan een nieuwe betekenis te geven. Op basis van een analyse van de betekenissen die het Arabische woord daraba (slaan) in de koran kan hebben, zijn sommige exegeten van mening dat dit woord ook gebruikt kan woorden voor een symbolische handeling en niet noodzakelijkerwijs naar een pak slaag hoeft te verwijzen. Anderen gebruiken een meer historische interpretatie. De tekst moet volgens de klassieke opvattingen gelezen worden als een beperking van het vroeger bestaande vrijwel ongebreidelde recht van een man om zijn vrouw fysiek te bestraffen.

Asma Barlas en Amina Wadud (rechts) zijn twee feministische korandeskundigen die vrouwonvriendelijke passages in de koran bekritiseren en alternatieven voorstellen.

Controversieel

Moderne exegeten wijzen erop dat dit vers niet begrepen moet worden als een opdracht of een toestemming voor mannen om hun vrouwen te slaan, maar als een verbod op vrouwenmishandeling. Wat vrouwenmishandeling is, wordt bepaald door de historische context. Toen het vers geopenbaard werd, waren mannen geneigd om onmiddellijk geweld te gebruiken als ze merkten dat hun vrouwen ongehoorzaam waren. Dit vers wees mannen erop dat ze dat pas in laatste instantie mochten doen als alle middelen uitgeput waren.

Tegenwoordig zijn de normen met betrekking tot de omgang tussen echtgenoten veranderd: alle vormen van geweld tegen vrouwen worden als mishandeling beschouwd die in dit vers verboden wordt. Modernistische interpretaties van de koran zijn vaak controversieel en worden niet altijd geaccepteerd door de meerderheid van moslims. Maar daarmee kun je ze nog niet als on-islamitisch afdoen. Meningsverschillen onder islamitische godsdienstgeleerden zijn normaal.

Dat sommige meningen wijder verbreid zijn dan andere en als meer gezaghebbend worden beschouwd, is het resultaat van strijd om macht en gezag onder godsdienstgeleerden. Ook het feit dat sommige moslims voor sommige interpretaties door de staat vervolgd en bestraft worden kan niet beschouwd worden als bewijs dat zulke meningen on- of anti-islamitisch zouden zijn. Het toont alleen maar aan dat sommige regimes in de islamitische wereld op politieke gronden bepaalde interpretaties aan de bevolking willen opleggen en andere met geweld willen onderdrukken.

Islamcritici gaan er gemakshalve vanuit dat de enige echte vorm van de islam de islam is die gepropageerd en opgelegd wordt door de machthebbers in de islamitische wereld. Modernistische interpretaties kwalificeren ze als ‘fantasie-islam’, uitgevonden door moslims die nu gedwongen in ballingschap leven of, erger nog, ter dood gebracht zijn voor geloofsafval. Zij noemen dan Nasr Abu Zaid, die Egypte moest verlaten wegens zijn opvattingen over het interpreteren van de koran en de Soedanees Mahmud Taha, die in 1986 om dezelfde reden wegens geloofsafval ter dood gebracht is. Maar het feit dat bepaalde opvattingen onderdrukt worden door politieke machthebbers wil nog niet zeggen dat ze on-islamitisch zijn.

Modernistische interpretaties van de koran zijn vaak controversieel en worden niet altijd geaccepteerd door de meerderheid van moslims. Maar daarmee kun je ze nog niet als on-islamitisch afdoen. Meningsverschillen onder islamitische godsdienstgeleerden zijn normaal.

De zuivere islam van critici

Ervan uitgaand dat de koran eenduidig is, gebruiken islamcritici de teksten van de koran om een uniforme, maar fictieve islam te construeren. Dit noemen ze de ‘echte’ of ‘zuivere’ islam. De gedachte hierachter is dat de islam weliswaar soms enige diversiteit vertoont of gematigd lijkt, maar dat dat slechts schijn is. Onder de oppervlakte bestaat de zuivere, gewelddadige islam, die identiek is aan de letterlijke inhoud van de koran en die op elk moment weer aan de oppervlakte kan komen.

Deze zuivere islam kan iedereen leren kennen door de koran te raadplegen. Gelukkig is die in vele talen vertaald. Ook niet-moslims kunnen zo vaststellen of bepaalde doctrines of praktijken zuiver islamitisch zijn. Zo is er wel beweerd dat het dragen van hoofddoeken of gezichtssluiers door vrouwen niet als zuiver islamitisch beschouwd hoeft te worden omdat de verplichting hiertoe niet met zoveel woorden in de koran staat. De implicatie is dan dat de doeken en sluiers door de overheid verboden kunnen worden zonder dat de vrijheid van godsdienst geschonden wordt.

Letterlijke woorden van god?

Islamcritici beweren dat de tekst van de koran niet geïnterpreteerd of symbolisch gelezen kan of mag worden omdat voor moslims de tekst geldt als de letterlijke woorden van God en daarom heilig en onaantastbaar is. Soms wordt daaraan toegevoegd dat dit onaantastbare karakter van de tekst versterkt wordt door de doctrine van de ongeschapenheid van de koran. Dit is sinds de negende eeuw n.Chr. de heersende theologische leer na vergeefse pogingen van Abbasidische kaliefen om het mu`tazilitische dogma van de geschapenheid van de koran op te leggen.

De islam, zo wordt gesteld, is essentieel anders dan jodendom en christendom. Deze godsdiensten zouden erin geslaagd zijn zich aan de moderne tijd aan te passen, terwijl dit voor de islam onmogelijk is omdat deze religie teveel vast zou houden aan de letter van de openbaring. Dit soort beweringen berust op een verwijtbaar gebrek aan kennis. Je hoeft maar een beginnersboek over de islam of de koran open te slaan om te ontdekken dat ideeën over de oorsprong en status van de koran islamitische geleerden er nooit van weerhouden hebben de tekst te verklaren, uit te leggen en te interpreteren. Dat zij daarbij vaak tot diametraal verschillende conclusies kwamen, was algemeen geaccepteerd.

Robot

Het onaantastbare gezag dat de koran als Gods woord geniet onder moslims betekent, althans volgens de islamcritici, dat zij de letterlijke tekst van de koran ook gehoorzamen en als leidraad voor het leven nemen. Sterker nog, waar het gedrag en de ideeën van ‘normale’ mensen door talrijke factoren wordt bepaald (leeftijd, sociaal milieu, cultuur, sekse etc.), zou voor moslims alleen de godsdienst van belang zijn. Het gedrag en de opvattingen van moslims zou dus grotendeels door de koran bepaald worden.

Wanneer in Nederland jongeren homo’s molesteren en mishandelen, dan wordt het zoeken naar oorzaken overgelaten aan sociaalpsychologen en criminologen. Behalve als het gaat om Marokkaanse jongeren, dan wordt meteen hun religie als oorzaak aangewezen. Moslims worden zo afgeschilderd als eendimensionale homines islamici, wier leven en gedrag vrijwel geheel door de religie – lees: de koran – beheerst worden. Zij zijn als het ware robots die geprogrammeerd zijn door de koran.

Zulke geconstrueerde personen zijn duidelijk lichtjaren verwijderd van het autonome individu, de intellectueel onafhankelijke held van de moderniteit. Vanuit dit perspectief lijkt de modernisering of liberalisering van de islam moeilijk, zo niet onmogelijk, omdat dit alleen bereikt kan worden door de koran te veranderen. Het grote gezag dat aan de tekst van de koran wordt toegekend zou het voor moslims ook moeilijk maken om kritiek op hun godsdienst te accepteren. Hoe zouden menselijke argumenten ook op kunnen wegen tegen het woord van God? Daardoor is de koran niet alleen een hinderpaal voor modernisering maar ook een obstakel voor wetenschappelijke vooruitgang: ook wetenschappelijke teksten zijn ondergeschikt aan de koran en als ze hiervan afwijken kunnen ze niet waar zijn.

Moslims worden afgeschilderd als eendimensionale homines islamici, wier leven en gedrag vrijwel geheel door de religie – lees: de koran – beheerst worden. Zij zijn als het ware robots die geprogrammeerd zijn door de koran.

Scheiding kerk en staat

Een punt van kritiek dat bij vrijwel elk islamdebat naar voren komt is dat de islam geen scheiding tussen kerk en staat zou erkennen. De oorzaak wordt ook aan de koran toegeschreven: de koran is niet alleen een religieuze tekst maar ook een politiek en wetgevend document. De islam is dus een politieke religie die een politieke orde voorstaat gebaseerd op de openbaring en geregeerd door goddelijke wetgeving.

Omdat de koran een onveranderbare leidraad zou zijn voor het gedrag van moslims met een absoluut waarheidsmonopolie op elk gebied – dus ook op dat van de politiek – kunnen religie en staat niet van elkaar gescheiden worden in de islam. Als gevolg daarvan zouden moslims de politieke ordening zoals die in de koran wordt voorgeschreven als van hoger orde beschouwen dan de Nederlandse seculiere constitutionele orde. Daarom is er voldoende reden om aan de loyaliteit van moslimmigranten aan de Nederlandse democratische rechtsorde te twijfelen en zou het volgens sommigen wenselijk zijn om een eed op het respecteren van de Nederlandse grondwet te eisen van moslims die de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen.

In plaats van Marokkanen, Turken, Afghanen, wordt nu gesproken over moslims, wier gedrag en denken verklaard kunnen worden uit hun godsdienst en, vooral, uit de koran.

Duivels dilemma

In het Nederlandse islamdebat beroepen islamcritici zich dus dikwijls op de koran om bewijzen te zoeken voor bepaalde vooroordelen over de islam. Daarbij vallen twee punten op. Het eerste punt is dat zij de koran beschouwen als een tekst die zich niet leent voor interpretatie en daardoor door moslims letterlijk opgevat wordt. Het tweede punt is dat zij er van uit gaan dat het leven van moslims in zeer sterke mate door de koran bepaald wordt.

Voor geen van die opvattingen is veel bewijs te vinden. Zoals ik aan de hand van twee koranverzen heb laten zien, geven moslims geheel verschillende betekenissen aan teksten die ogenschijnlijk duidelijk zijn. Dat is een eigenschap van religieuze teksten: willen die hun centrale rol in een godsdienst behouden, dan moeten de betekenissen die eruit afgeleid worden flexibel zijn en met de tijd kunnen veranderen. Vergelijk het maar met wetteksten. Bij het opstellen daarvan wordt getracht om ze zo eenduidig mogelijk op te stellen. Maar dat betekent ook dat als de maatschappij verandert, de tekst gewijzigd of vervangen moet worden. Godsdienstige teksten, die eeuwen of millennia mee zijn gegaan, hebben dit alleen kunnen doen doordat interpretatie mogelijk was. Daardoor kon de betekenis die aan teksten werd gegeven veranderen en aangepast worden aan de veranderende omstandigheden.

Islamcritici, zoals Paul Cliteur, beschouwen de koran als een tekst die zich niet leent voor interpretatie en daardoor door moslims letterlijk opgevat wordt. Ook gaan zij ervan uit dat het leven van moslims in zeer sterke mate door de koran bepaald wordt. Voor geen van die opvattingen is veel bewijs te vinden.

Stereotyperingen

Een tweede punt is dat voor islamcritici het doen en denken van moslims geheel beheerst wordt door de godsdienst en dus de koran. Islam wordt niet gezien als het veranderlijke intellectuele product van moslims, maar als een verzameling van onveranderlijke voorschriften en ideeën die gegrond zijn in teksten, en vooral dus de koran. Doordat in het publieke debat de migranten uit islamitische landen steeds meer als moslims gedefinieerd worden, zijn de onderlinge nationale, etnische en sociaal-culturele verschillen steeds meer uit het beeld geraakt. Daardoor is de weg open voor stereotyperingen.

In plaats van Marokkanen, Turken, Afghanen, wordt nu gesproken over moslims, wier gedrag en denken verklaard kunnen worden uit hun godsdienst en, vooral, uit de koran. Omdat de koran vertaald is kan iedereen er teksten uithalen om de stereotypen te schragen. Dat is ook een geliefd gezelschapspel geworden in Nederland.

De koran is zo een belangrijk element geworden in de manier waarop in Nederland (maar ook elders in de Westerse wereld) over moslims gesproken wordt. Losse passages worden zonder enige context en zonder verwijzing naar islamitische exegese gebruikt om generaliserende oordelen uit te spreken over moslims.

Het resultaat is dat migranten uit islamitische landen worden voorgesteld als mensen met één enkele identiteit, hun religie, die niet zouden kunnen moderniseren omdat de islam hun gevangen houdt in traditie. De problemen bij of het mislukken van hun integratie wordt geheel op het conto van de islam geschreven.

Moslims, in de visie van de islamcritici, worden dus geconfronteerd met een duivels dilemma: als zij ‘modern’ willen worden en willen integreren dan moeten zij of hun religie loslaten of deze hervormen. Maar omdat de islam in deze zienswijze identiek is met Gods woord, zoals neergelegd in de koran, is hervorming en modernisering van de islam onmogelijk en is geloofsafval de enige optie die openstaat. De boodschap is dus duidelijk: in moderne Westerse maatschappijen is geen plaats voor moslims. Wilders’ opmerking is vanuit dit gezichtspunt geheel consequent: moslims kunnen zich alleen aanpassen als ze de tekst van de koran veranderen en zich daardoor van hun godsdienst afkeren.

Literatuur:

M.S.H. Frankenvrij (pseud.), ‘De koran getoetst aan de Westerse beschaving en rechtsorde’, Liberaal Reveil, 2007/1, p. 32-45. R. Peters, ‘Hoe koranisch is het islamitische recht?’ in: De Koran: ontstaan, interpretatie en praktijk. Red. M. Buitelaar en H. Motzki, Muiderberg 1993, p. 45-55. R. Peters, Jihad in Classical and Modern Islam. Princeton, 2005.

Ruud Peters is bijzonder hoogleraar Islamitisch Recht aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een bekorte en herziene versie van ‘“A Dangerous Book”: Dutch Public Intellectuals and the Koran’. San Domenico di Fiesole, Firenze: European University Institute, Robert Schuman Centre for Advanced Studies, 2006.

Dit artikel is een publicatie van ZemZem.
© ZemZem, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 januari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.