Je leest:

De Japanners gaan nooit meer weg

De Japanners gaan nooit meer weg

Auteur: | 13 april 2002

De bodem van Oosterschelde kraakt als je er overheen loopt. Exotische oesters zijn bezig met een invasie.

‘Hier moet het ongeveer zijn’, zegt dr. Aad Smaal. De schelpdieronderzoeker, hoofd van het Centrum voor Schelpdieronderzoek van het RIVO in Yerseke, parkeert zijn stationwagen onderaan de hoge de dijk bij de Zandkreekdam. Achterklep open, laarzen aan – twee minuten later veert en zuigt het Zeeuwse slik onder onze voeten als we richting een donkere streep lopen, ruim een kilometer verderop.

Eerst is het slik nog vlak, met veel schelpen, wat wier en zeegras. Overal liggen glasgroene knikkers van gelei: eierpaketten van de gestippelde dieseltreinworm. Vijf minuten later komen de eerste ruwe bonken in beeld, die als resten van een explosie tientallen meters uit elkaar liggen. ‘Dat zijn de Japanners’, zegt Smaal. Hij pakt een brok oesters beet en speurt naar een levende.

Een jong exemplaar zit bovenop een dode soortgenoot. Zijn Zwitserse zakmes wrikt tussen het scharnier van de vijf centimeter grote schelp. Even later ligt het weekdier los op zijn witte kalkbed onder blote hemel. Weinig beesten zien er levend zo levenloos uit als de oester – gevoelens van medelijden blijven uit als Smaal het diertje opslurpt. ‘Nou, daar is niks mis mee. Smaakt echt naar oester.’ Er volgen er meer.

Riffen

In de zomer doen veel toeristen hetzelfde als ze de dijkglooiingen afstruinen naar Japanse oesters. Er is genoeg voor iedereen, want deze exotische schelpdiersoort is aan een spectaculaire opmars bezig. Naar schatting van het RIVO is in de Oosterschelde momenteel ten minste zeshonderd hectare oesterbank te vinden, ruim vijf procent van het totale oppervlak.

Ooit, halverwege de jaren zestig werd de Japanse oester geïmporteerd, omdat de inheemse platte oesters (Ostrea edulis) door strenge winters en een parasitaire ziekte (Bonamiasis) werden gedecimeerd.

De gedachte dat de watertemperatuur voor Japanse oesters (Crassostrea gigas) te koud zou zijn om zich spontaan voort te planten, werd binnen tien jaar gelogenstraft. Jaarlijkse import van jonge oesters is al sinds 1976 overbodig. Het dier zit naast de Oosterschelde ook in veel lagere dichtheden in de gehele Waddenzee tot en met Denemarken. Bij Texel ligt de eerste flinke oesterbank.

Wie tegenwoordig oesters koopt, eet vrijwel uitsluitend Japanners. Onder de naam ‘wilde zeeuwse oester’, ‘kromme oester’ of ‘creuse’ wordt de exoot aan de man gebracht. De dieren worden vanuit in het wild gevangen oesterzaad gekweekt in oesterputten – wildvangst van de zeer grillig gevormde volwassen oesters is commercieel niet interessant. Volgens liefhebbers zijn de veel duurdere platte oesters lekkerder dan de Japanners. Oesters groeien alleen op op harde ondergronden, maar inmiddels koloniseren de Japanners jaarlijks grote stukken zandplaat; dode soortgenoten of wat steen zijn een voldoende houvast voor complete riffen. ‘Het blijken bijzonder adaptieve beestjes te zijn’, merkt Smaal op.

Vijanden

We staan inmiddels aan de rand van een uitgestrekt glooiend landschap, dat een halve meter hoger is dan het omringende slik. Honderdduizenden oesterschelpen staan verticaal dicht op elkaar gepakt. De wadbodem is niet te zien. De ondergrond kraakt vervaarlijk als we het rif oplopen. ‘Het merendeel is dood, dat blijkt ook uit de bestandsschattingen elders. Meer dan de helft van de schelpen is leeg.’

Het zwartbruine rif oogt surrealistisch, een beetje doods zelfs – op wat garnalen in poeltjes en veel slakken na. ‘Lelijk? Nee, ik vind het eerder fascinerend, er is hier in ecologisch opzicht veel aan de hand. Het is ook een nieuwe biotoop voor allerlei soorten die op harde ondergronden groeien.’

Met veel moeite wrikt hij een handgroot exemplaar open – er volgt een kleine les in oesteranatomie. De wintermaanden maken de Japanners wat waterig op de tong, dus dit exemplaar blijft achter voor geïnteresseerde vogels.

Niet dat er naast de mens veel beesten zich tegoed doen aan de oesters. Hooguit een meeuw wil ze op de dijkverharding laten stukvallen, maar verder kan geen vogel of ander dier ermee overweg. De scholeksters die aan de rand van het rif ronddrentelen zoeken daar geen oesters maar mosselen. Of er tussen de oesters nog schelpdieren in de wadbodem zitten is de vraag.

Een exoot zonder vijanden, dat klinkt niet geruststellend. Wat de invloed van de Japanse oester is op het ecosysteem in de Oosterschelde is eigenlijk in alle opzichten onbekend. Ze groeien veel harder dan de inheemse oesters en ze filteren als de beste: tien liter zeewater per uur voor de grote exemplaren. ‘Het zou kunnen dat ze larven van kokkels en mosselen uit het water filteren en zo de schelpdierstand beïnvloeden of concurreren om voedsel met volwassen schelpen.’

Dertig meter diep

Als kokkels en mosselen inderdaad gaan lijden onder de Japanners, dan kunnen ook de vogels er last van krijgen. Naar die effecten kan men slechts gissen. Een onlangs door NWO-ALW gehonoreerde aanvraag biedt de mogelijkheid de komende vier jaar een AIO de Japanse oester te laten onderzoeken in het veld en het lab – in samenwerking met de RUG en het NIOO. Belangrijke vraag binnen dat project is of de Japanse oester nog aan het begin staat van een opmars, of dat er binnen enkele jaren een stabiele situatie wordt bereikt.

Door analyse van oude en recente luchtfoto’s probeert het RIVO-Yerseke de verspreidingssnelheid van de Japanse oester in kaart te brengen. Opeenvolgende kaartjes op de GIS-computer geven een sterke toename te zien, zowel in het aantal plaatsen als de oppervlakte. De exacte bestandsbepaling is echter moeilijk – niet alles is op de foto’s te zien. Verder zijn de bestanden in de diepere wateren zijn onbekend. ‘Maar er zijn exemplaren op dertig meter diepte gevonden’, zegt Smaal, ‘dus wie weet hoe groot het totale bestand is.’

Als in een Nederlandse sloot een Aziatisch waterplantje woekert, wordt er al snel geroepen om uitroeiing, of op zijn minst inperking. Voor de Japanners op het slik ligt dat blijkbaar anders; nog niemand lijkt in vijfentwintig jaar een probleem te zien in de gestage opmars van deze exoot. Smaal somt een rijtje op: ministerie van LNV, ministerie van VWS, Nationaal Park Oosterschelde, natuurbeschermingsorganisaties. ‘Nee, niemand lijkt zich het probleem aan te trekken. Niet dat je de oesters nog weg kan krijgen, maar als iets wil doen in vorm van beheer dan kan je niet jarenlang blijven afwachten.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 april 2002
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.