Je leest:

De flinke uitschieter van Claudia Pechstein

De flinke uitschieter van Claudia Pechstein

Pechsteins bloedpaspoort leverde haar een schorsing wegens dopinggebruik op. Terecht?

Auteur: | 13 januari 2010

Binnenkort doet de rechter in Lausanne uitspraak in de zaak van de Duitse langebaanschaatsster en dopingverdachte Claudia Pechstein. Zij is de eerste sporter ooit die geschorst is zonder direct bewijs: haar urine- en bloedtests waren altijd schoon. Wel staat er een flinke uitschieter in haar bloedwaardenpaspoort. Sommige wetenschappers twijfelen aan het bewijs, omdat de kans op een valse positieve uitslag erg groot is. “Ik vind voorlopig dat de gebruikte procedure om haar van doping te beschuldigen onjuist is.”

Claudia Pechtstein in gelukkiger tijden, net nadat ze kampioen werd op het EK Allround 2009. Haar bloedwaarden waren dat toernooi overigens nog normaal.

Het bijzondere aan de zaak Pechstein is het gebrek aan direct bewijs. Er is geen sprake van een ‘besmet’ plasje, en er is ook geen verboden stof in haar bloed gevonden. In plaats daarvan is ze – als allereerste sporter ooit – geschorst op basis van het bloedwaardenpaspoort. In dit paspoort staan alle uitslagen van alle bloedtests die een sporter onderging sinds de invoering in 2000. Deze uitslagen zijn nooit precies hetzelfde. Ze schommelen bij elke meting, bijvoorbeeld als gevolg van een griepje, een weekje rust of juist een zware training in de bergen. Om doping op het spoor te komen kijken wetenschappers van de schaatsbond en de dopingautoriteit naar heviger schommelingen dan normaal is voor de sporter. Een flinke uitschieter in het aantal jonge rode bloedlichaampjes geldt als een soort rode vlag voor dopinggebruik. Het is die rode vlag die de basis vormde voor de schorsing van Pechstein.

De ‘spelers’






Claudia Pechtstein – voor het EK Allround in Hamar zou ze een middel hebben gebruikt waardoor er meer jonge rode bloedlichaampjes in haar lijf rondzwierven. Dat is gunstig voor de transport van zuurstof naar je spieren, wat er weer voor zorgt dat je harder kunt schaatsen. Zelf ontkent ze alles. “Ich habe nicht gedopt,” zegt ze in haar verklaring. De internationale schaatsbond ISU – deze International Skating Union organiseert schaatstoernooien en houdt ook dopingcontroles. Zij zijn degenen die schaatsers (en dus ook Pechstein) aanklagen, zodra ze dopinggebruik vermoeden. Dit doen ze op basis van richtlijnen van… WADA – de World Anti-Doping Association stelde als dopingautoriteit de richtlijnen voor het bloedwaardenpaspoort op. Deze richtlijnen gelden niet alleen voor het schaatsen, maar kunnen straks door alle sportbonden worden toegepast. CAS – de Court of Arbitration for Sport is de rechtbank voor sporters. Deze rechtbank beoordeelt de dopingbeschuldigingen van een sportbond als de ISU en deelt indien nodig schorsingen uit. Het is geen gewone rechtbank, dus een gevangenisstraf kun je er niet oplopen.

Maar is die vlag wel terecht gehesen? Dat is de vraag waar wetenschappers de afgelopen weken in de kranten fel over hebben gediscussieerd. Want wat is eigenlijk een ‘normale schommeling’? En hoe definieer je ‘een flinke uitschieter’? Klopt de statistiek achter het bloedwaardenpaspoort eigenlijk wel?

Schommelingen en uitschieters

Klaas Faber vindt van niet. Hij is chemometricus, wat betekent dat hij verstand heeft van scheikunde én van statistiek. Zijn voornaamste probleem met het paspoort is de ‘bandbreedte’ waarbinnen de schommelingen mogen vallen. De schaatsbond en dopingautoriteit kiezen, in navolging van wetenschappelijk onderzoek, voor een bandbreedte van 95%. Dat betekent dat elke schommeling 95% kans heeft om ‘normaal’ te zijn. Maar tegelijkertijd houdt het ook in dat 5% van alle metingen daarbuiten vallen. Zij krijgen het predikaat ‘flinke uitschieter’ opgeplakt en zijn daarmee verdacht.

Maar dat hoeft natuurlijk nog helemaal niet te betekenen dat er ook doping in het spel is, want ook griepjes, trainingen en zelfs toeval kunnen zo’n uitschieter veroorzaken. In het ergste geval, zo vreest Faber, zien de autoriteiten die alternatieve verklaringen over het hoofd en worden talloze sporters onterecht geschorst. “Jaarlijks worden in de sport zo’n 200.000 monsters geanalyseerd. Met een zekerheidspercentage van 95 procent zou je jaar in, jaar uit 10.000 keer trammelant krijgen. Ter vergelijking: dat is ongeveer het aantal deelnemers aan de Olympische Spelen,” zegt hij in NRC Handelsblad.

95% van de metingen (de zwarte verticale streepjes) vallen over het gemiddelde (de stippellijn) heen. Deze metingen zijn normaal. De rode streepjes zijn de uitschieters.

Nuance

Volgens de Maastrichtse hoogleraar sportfysiologie, Harm Kuipers, loopt het niet zo’n vaart. Omdat hij ook als arts verbonden is aan de internationale schaatsbond en de zaak Pechtstein nog loopt, wil hij alleen in algemene zin ingaan op het bloedwaardenpaspoort. Zijn vertrouwen in dopingautoriteit WADA, die het paspoort ontwikkelden, is groot. “Een organisatie als WADA kan zich niet permitteren lichtzinnig met dit soort zaken om te gaan en zal geen regels uitvaardigen alvorens ze goed onderbouwd zijn en door de internationaal erkende wetenschappelijke wereld worden ondersteund.” Ook wat betreft de statistiek ligt het veel genuanceerder dan Faber het voorstelt, zegt hij.

Voordat het tot een beschuldiging komt, zijn er eerst extra tests nodig.

Eén van die nuances is deze: voordat een sporter officieel beschuldigd kan worden van dopinggebruik, zo schrijft WADA voor, moeten er drie onafhankelijke experts naar de ‘flinke uitschieter’ kijken. Er volgt een uitgebreid onderzoek en extra tests. Als dan blijkt dat er een andere, redelijke verklaring is voor de onverwacht grote schommeling, volgt er geen aanklacht. Maar wat nou als de schaatser geen alternatieve verklaring kan geven, zoals bijvoorbeeld bij Pechstein het geval was? Kuipers: “Het is gelukkig niet zo dat een sporter bij een afwijking in bloedwaarden zo maar geschorst kan worden. Bij de beschuldiging is niet over één nacht ijs gegaan.”

Bram Brouwer, een sportpsycholoog die promoveert bij professor Harm Kuipers, heeft desalniettemin commentaar op de procedure. “Zodra de dopingautoriteit het aannemelijk vindt dat de sporter doping gebruikt heeft, draaien ze de bewijslast om. De sporter moet maar bewijzen dat hij of zij niet gebruikt heeft. Dat is echter logisch onmogelijk. Dopinggebruik kan worden aangetoond door de aanwezigheid van een middel te detecteren. Niet gebruikt hebben is echter onmógelijk aan te tonen, want er is geen test die ‘geen doping’ kan detecteren. Sporters worden voor een onmogelijke opgave geplaatst.” En dat is niet zonder gevolgen, aldus Brouwer. “1 op de 20 sporters kan vals beschuldigd worden van dopinggebruik.”

26 keer vals alarm

Vals alarm?

Dat getal – 1 op de 20 – is bovendien niet in verhouding met het aantal schaatsers dat in het verleden op basis van direct bewijs op doping werd betrapt. Sinds 2000 voerde de ISU zo’n 11.000 tests uit op 1650 schaatsers. ‘Gewone’ urinetests leidden in die periode tot drie schorsingen, herinnert Kuipers zich. Volgens de oude meetmethode is dus 1 op de 550 schaatsers een dopingzondaar. “In het algemeen kan ik stellen dat doping bij schaatsen geen groot probleem is, wat omvang betreft,” zegt Kuipers. Maar als je deze statistieken (1 op de 20 positief getest, en maar 1 op de 550 echt schuldig) combineert, dan betekent dit dat voor elke 27 keer dat het bloedwaardenpaspoort een rode vlag geeft, er slechts 1 schaatser ook echt gebruikt heeft. De andere 26 keer is het vals alarm.1

Gezien de ernst van zo’n vals alarm – zeker als het ook daadwerkelijk tot een dopingbeschuldiging komt – vinden zowel Brouwer als Faber dat de bandbreedte moet worden verruimd, zodat minder sporters verdacht worden gemaakt. Zij vinden 99%, of zelfs 99,9% een betere maat. In dat geval zou de rode vlag maar in 1 op de 100 of zelfs 1 op de 1000 gevallen omhoog gaan. Dat reduceert de kans op schorsing terwijl de schaatser onschuldig is aanzienlijk. Of ze nu doping heeft gebruikt of niet, ook Pechstein zou bij een 99,9%-grens nu niet geschorst zijn, rekende Faber uit. “Die 95 procent is gewoon niet scherp genoeg.” Brouwer beaamt dat. “Ik heb geen oordeel of Claudia Pechstein wel of geen doping gebruikt heeft. Maar ik vind voorlopig wel dat de gebruikte procedure om haar van doping te beschuldigen onjuist is.”

Leidt doping wel tot betere prestaties?

Het hormoon EPO.

Eén van de dopingsoorten die je met een gewone bloedtest nauwelijks kunt opsporen, maar wel met het bloedpaspoort, is EPO. EPO zorgt ervoor dat er meer jonge rode bloedlichaampjes in je lijf rondzwerven, wat gunstig is voor de transport van zuurstof naar je spieren, wat er weer voor zorgt dat je harder kunt schaatsen. Of althans, dat is de theorie. Bram Brouwer ligt het gecompliceerder. Hij betwijfelt dan ook of het gebruik van EPO wel tot betere prestaties op het ijs of op de fiets leidt. Jazeker, stelt hij, je hebt een zekere hoeveelheid van die jonge rode bloedlichaampjes nodig om goed te presteren. Maar na een bepaalde minimale grenswaarde, hebben extra lichaampjes nauwelijks meer nut.

Hij vergelijkt het met de benzineslang en de motor van een auto: “De motor levert energie om te rijden, mits de brandstofslang voldoende benzine aanvoert (benzine*transport*capaciteit). Als die aanvoer onvoldoende is hapert de motor. Bij een dikkere brandstofslang echter, die meer benzine kan transporteren dan de motor verbruikt (benzine*opname*capaciteit), gaat de motor niet meer vermogen leveren. We kunnen van een Lelijke Eend geen Ferrari maken door de brandstofslang voor een dikkere te vervangen en dat is wat men, inclusief de dopingautoriteiten, denkt dat EPO bij mensen doet.”

1 Hoe bereken je de kans op vals alarm? Je test 550 schaatsers. Bij een bandbreedte van 95% krijgt 5%, dus 1 op de 20 schaatsers, een positief resultaat. Dat betekent dat er van de 550 schaatsers 27,5 (550*1/20=27,5) schaatsers worden beschuldigd. Als je op basis van eerdere statistieken veronderstelt dat maar 1 op de 550 schaatsers echt doping gebruikt (en dat die ene zondaar ook inderdaad een uitschieter op zijn bloedwaardenpaspoort laat zien), dan is ook maar 1 van die 27,5 schuldig. De rest (zo’n 26 schaatsers) wordt dus op valse gronden verdacht.

Als je ervan uit gaat dat het bloedwaardenpaspoort ook gevallen van bloeddoping kan opsporen die met de oude methodes niet naar boven kwamen, dan daalt het aantal valse rode vlaggen, omdat het aantal echte dopingzondaars stijgt. Stel dat ‘in het echt’ 1 op de 100 schaatsers doping gebruikt. Dan worden er volgens de 95%-test op elke 100 schaatsers telkens 5 schaatsers (100*1/20=5) beschuldigd. Nog steeds zit daar die ene echte zondaar tussen, maar het aantal keer vals alarm daalt naar ‘slechts’ 4 keer.

Het probleem is dat we niet kunnen weten hoeveel mensen er echt doping hebben gebruikt van het soort dat je alleen met het paspoort kunt opsporen: daarvoor heb je immers een tweede test nodig om het onderscheid te maken tussen wie van de paspoortuitschieters echt gebruikt hebben en wie gewoon door toeval of andere redenen een uitschieters hadden. En die tweede test bestaat nu juist niet, want het bloedwaardenpaspoort was immers de enige manier om deze dopingsoort op te sporen: een catch 22.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 januari 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.