Je leest:

De exotische mens tentoongesteld

De exotische mens tentoongesteld

Auteur: | 5 april 2013

Rond de voorlaatste eeuwwisseling waren in Europa tentoonstellingen van exotische mensen immens populair. Niet alleen circussen, maar ook jaarmarkten, dierentuinen en wereldtentoonstellingen toonden tussen 1870 en 1940 honderden groepen mensen, die bijzonder waren vanwege hun huidskleur, kleding en gebruiken.

‘Later kwamen mij tal van voorbeelden ter ore van nobele wilden die, door de rage rond de exotische mens, in een groter rariteitenkabinet belandden dan wij. De Mohawk-Indiaan Synchneta, die in de Amsterdamse herberg Blaauw Jan werd getoond, de Tahitiaan Omaï, de Hottentot Venus, die men voor weinig geld in haar billen mocht prikken. Sophie vertelde me hoe Willem in ‘s Gravenhage een groep Bosjesmannen van de Oranjerivier bezichtigde, en zelf heb ik in een woedeaanval eens enkele affiches van de muur gescheurd waarop Carl Hagenbeck zijn tentoonstelling aanprees van Somaliërs, compleet met tenten, paarden, kamelen en schapen, terwijl er, volgens berichten uit de courant, ‘zwarte kinderen alleraardigst als kleine aapjes rondscharrelden’. (uit: Arthur Japin, De zwarte met het witte hart, Arbeiders Pers, Amsterdam 2001, p. 177)

Bert Sliggers

Rond de voorlaatste eeuwwisseling waren in Europa tentoonstellingen van exotische mensen immens populair. Niet alleen circussen, maar ook jaarmarkten, dierentuinen en wereldtentoonstellingen toonden tussen 1870 en 1940 honderden groepen mensen, die bijzonder waren vanwege hun huidskleur, kleding en gebruiken. In die periode konden bezoekers bijna dagelijks kennis maken met Noord-Amerikaanse indianen, bewoners van Patagonië, Groenland, Ceylon, Somalië en Samoa, vaak tegen het decor van hun nagebouwde hutten, tempels en paleizen. Daar werden krijgsdansen en muziekuitvoeringen gehouden, terwijl religieuze processies en huwelijksfeesten soms door tienduizenden bezoekers werden bijgewoond.

Het tentoonstellen van exotische mensen was geen negentiende-eeuwse uitvinding. Columbus nam van zijn eerste reis al Arawakindianen van de Antillen mee. Daarna zorgde Amerigo Vespucci voor nog eens tweehonderd inheemsen van zijn vier Amerikaanse reizen, die op jaarmarkten in Spanje werden tentoongesteld. In 1533 werd in Rouen een heel dorp voor de Braziliaanse Tupinambastam nagebouwd. Ook latere ontdekkingsreigers als Louis Antoine de Bougainville en James Cook namen naast planten en dieren mensen ter expositie mee.

Zij waren het levende bewijs van verre volkeren en vreemde culturen, waar men aanspraak op kon maken als kolonie. Zij vertegenwoordigden de overzeese rijkdom, maar door hun afwijkende bouw en levensstijl benadrukten zij ook het superieure van het blanke ras. Geen wonder dat men het over ‘wilden’ had, als men over hen sprak. Zij kwamen in Europa zelden verder dan verzamel- en tentoonstellingsobject, of als zwarte bediende aan het hof of bij de gegoede burgerij. Tot het midden van de negentiende eeuw bleven exotische mensen hier een zeldzame verschijning.

In hun Human Zoos lieten mensen als Carl Hagenbeck en Carl Marquardt naast dieren ook mensen zien.

Rariteiten

Hoewel op kleine schaal al mensen vanwege hun aangeboren afwijkende verschijningsvorm aan vorstenhoven, op kermissen en in het circus te zien waren, bracht P.T. Barnum het exposeren van mensen met de ontdekking van de Siamese tweeling Chang en Eng omstreeks 1835 op een professioneel niveau. In zijn voetsporen zorgde de Hamburgse dierentuineigenaar Carl Hagenbeck vanaf 1870 voor omvangrijke volkerenshows, door mensen mee te laten komen met de vreemde dieren die hij importeerde. Völkerschau, negerdorpen, of human zoos werden deze exposities genoemd, die overal in Europa te zien waren. De wereld- en koloniale tentoonstellingen deden er niet voor onder door complete dorpen uit hun koloniën over te verhuizen. In 1881 waren op de Koloniale Tentoonstelling in Amsterdam Surinaamse negers en indianen te zien, maar ook bewoners van Nederlands-Indië. Zelfs op de Brusselse World Fair van 1958 was nog een Congolees dorp ingericht.

Met de tweeling Chang en Eng kwam het tentoonstellen van mensen rond 1835 op een professioneel niveau.

In korte tijd werden zoveel exotische mensen aangevoerd waar nauwelijks wetenschappelijke gegevens over bekend waren dat antropologen voor of na hun optreden in de gelegenheid werden gesteld onderzoek te plegen. Van veel mensen werden foto’s gemaakt, de maten opgenomen en meerdere malen ook gipsafdrukken van de schedels vervaardigd. Dit materiaal stond aan de basis van menige beschavingsladder of werd gebruikt voor de hiërarchie in de rassenleer. Deze gegevens staan in scherp contrast met de kleurrijke affiches, strooibiljetten, prentbriefkaarten waarmee het Europese publiek werd gelokt.

De enorme mensenspektakels zorgden echter niet voor verbroedering of een beter inzicht in andere culturen. Zij voedden juist het idee dat er een hiërarchie in rassen bestond en dat kolonialisme aan te bevelen was. Zij stimuleerden het blanke superioriteitsgevoel. Vele tientallen miljoenen bezoekers kregen voor het eerst in hun leven een zeer gekleurde kijk op anders gekleurde en geklede mensen. Zelden leidde dit tot respect. Meestal werden de clichés en stereotypen juist benadrukt. Het ‘aapjes kijken’ als vorm van vermaak is nog steeds niet verdwenen, als men de kijkcijfers ziet van het Vlaamse tv-programma Toast Kannibaal en het SBS-programma Groeten uit de rimboe en Groeten terug, waarin inheemse volken zijn ontdekt als figuranten voor zogenaamd grensverleggende televisie.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 april 2013
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.