Je leest:

De culturele kant van achterstand: Zmv-vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt

De culturele kant van achterstand: Zmv-vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt

Auteur: | 1 november 2006

Het kost veel allochtone vrouwen moeite om de stap naar betaalde arbeid te maken en daarmee financieel onafhankelijk te worden. De overheid wijt dit aan economische en culturele achterstanden en zet in op ‘empowerment’ van zmv-vrouwen. Maar die achterstandsthese verklaart niet waarom ook hoogopgeleide, ambitieuze, goed Nederlands sprekende vluchtelingenvrouwen maar moeilijk aan de slag komen. Hoe tackel je dát probleem?

‘Nederlanders begrijpen het niet: er is achterstelling, geen achterstand.’ Met dit citaat van bijzonder hoogleraar Halleh Ghorashi kopte Het Parool op 9 maart het artikel over Internationale Vrouwendag 2006. Een dag die dit jaar in het teken stond van allochtone vrouwen en hun emancipatie en integratie.

Het thema van dit jaar kwam voort uit de afsluiting van de werkzaamheden van de Commissie PaVEM (Participatie Vrouwen uit Etnische Minderheden). De commissie is dan wel in juni 2005 gestopt, maar vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Justitie (Vreemdelingenzaken en Integratie) blijven emancipatie, integratie en participatie van allochtone vrouwen in Nederland speerpunten. En dan hebben we het vooral over het vergroten van de economische zelfstandigheid van deze vrouwen door middel van het verhogen van de arbeidsparticipatie – het ‘kerndoel’ van het Nederlandse emancipatiebeleid.

Deze aandacht voor allochtone vrouwen en hun (economische) emancipatie is interessant. Allereerst: er ligt natuurlijk een enorme verscheidenheid aan het begrip ‘allochtoon’ ten grondslag. De zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen (zmv-vrouwen) die als allochtoon bestempeld worden, verschillen onderling aanzienlijk als het gaat om bijvoorbeeld land van herkomst, opleidingsniveau en werkervaring (al dan niet opgedaan in het land van herkomst). Tegelijkertijd blijken ze wél eensgezind in de moeite die het hen kost om de stap naar de betaalde arbeidsmarkt – en daarmee naar (gedeeltelijke) financiële onafhankelijkheid – te zetten. De vraag is: waarom?

Empoweren in de westelijke tuinsteden De aandacht vanuit de politiek voor de emancipatie van allochtone vrouwen richt zich met name op Turkse en Marokkaanse vrouwen. Reden hiervoor is dat die, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Surinaamse vrouwen, een grote afstand tot de arbeidsmarkt ervaren. Daarnaast vindt de politiek het nodig dat ze meer maatschappelijk gaan participeren om zo beter te kunnen emanciperen en integreren. Hiervoor wordt vanuit de overheid geld beschikbaar gesteld. Turkse en Marokkaanse vrouwen kunnen bijvoorbeeld cursussen volgen om te ‘empoweren’.

Wat tijdens een bijeenkomst in De Balie in Amsterdam op Internationale Vrouwendag 2006 echter al snel duidelijk werd, is dat veel vrouwen allang ‘empowered’ zijn. Het panel, bestaande uit zmv-vrouwen die actief zijn in vrouwencentra en zelforganisaties, maakte duidelijk dat Marokkaanse en Turkse vrouwen uit bijvoorbeeld de westelijke tuinsteden in Amsterdam verscheidene cursussen in vrouwencentra hebben gevolgd, stages hebben gelopen (die in een aantal gevallen zijn voortgezet in een betaalde baan) en vrijwilligerswerk doen en hebben gedaan.

Vluchtelingenvrouwen, vaak hoog opgeleid in het land van herkomst en voorzien van werkervaring, staan te popelen de Nederlandse arbeidsmarkt te verrijken met hun kennis. Alleen lijkt juist deze stap er één te ver te zijn. Niet omdat de vrouwen in kwestie niet willen, maar omdat ze in veel gevallen de ruimte niet krijgen. Het lijkt erop dat veel organisaties niet zitten te wachten op zmv-vrouwen.

Cijfers en stereotypen

Het idee dat veel organisaties hun deuren – al dan niet bewust – dichthouden voor zmv-vrouwen, strookt niet met de insteek die momenteel vanuit de overheid gehanteerd wordt. De aandacht vanuit het huidige emancipatiebeleid voor migrantenvrouwen, en in het bijzonder islamitische vrouwen, richt zich met name op de aanbodkant. Om precies te zijn: op de achterstand die de vrouwen zouden hebben. Uitgangspunt is dat wanneer de achterstand weggewerkt is, er geen obstakels meer hoeven te zijn om volwaardig te kunnen deelnemen aan en in de Nederlandse maatschappij.

De achterstand waarmee zmv-vrouwen – en daarmee wordt dus vooral gedoeld op islamitische vrouwen – te maken zouden hebben, zou bestaan uit een economische en een culturele poot. Dus enerzijds uit factoren als genoten onderwijsniveau, beheersing van de Nederlandse taal en het al dan niet hebben (gehad) van werk, en anderzijds uit factoren als de positie van moslimvrouwen binnen gezin en gemeenschap, de Islam, traditionalisme (en zelfs achterlijkheid) en daarmee samenhangend bijvoorbeeld de kleedwijze van moslimvrouwen.

Economische achterstand kan redelijk inzichtelijk worden gemaakt door te kijken naar cijfers over opleidingsniveau en arbeidsparticipatie. Maar hoe bepaal je of er sprake is van culturele achterstand? Bij de constatering dat allochtone vrouwen een dergelijke achterstand kennen, lijken vooral onbewuste en impliciete aannames, stereotypen en beeldvorming een rol te spelen. En dat zijn geen gemakkelijke processen om bloot te leggen, laat staan te weerleggen.

Wrang

Laten we dat begrip achterstand eens van dichterbij bestuderen. Allereerst: achterstand staat nooit los van anderen. Allochtone vrouwen hebben geen achterstand op zich, maar een achterstand ten opzichte van anderen. Allochtone mannen en autochtone vrouwen vormen doorgaans de groepen waartegen allochtone vrouwen worden afgemeten. In hoeverre bestaat de veronderstelde achterstand ten opzichte van allochtone mannen en autochtone vrouwen nu echt?

Uit het Jaarrapport Integratie 2005 komt naar voren dat ‘allochtone vrouwen beduidend lager (zijn) opgeleid dan autochtone vrouwen, maar ook dan de mannen uit de eigen herkomstgroep’. Dit geldt echter vooral voor de oudere Turkse en Marokkaanse vrouwen. Bij de vrouwen die in Nederland geboren en opgegroeid zijn, zijn de verschillen met de mannen ‘nagenoeg verdwenen’.

Daarnaast stelt hetzelfde jaarrapport dat ‘in vergelijking met autochtone vrouwen weinig niet-westerse allochtone vrouwen betaald werk (hebben)’. Hieruit zou je kunnen concluderen dat een lager opleidingsniveau (achterstand) leidt tot een lagere arbeidsparticipatie. De oplossing ligt dan voor de hand: scholing. Echter, in het rapport wordt ook opgemerkt dat er vanaf 2001 een ‘einde (kwam) aan de gestage groei van het aandeel werkende allochtone vrouwen…’ en dat de belangrijkste oorzaak hiervoor ‘de teruglopende conjunctuur’ is. Deze oplopende werkloosheid gaat sneller bij allochtone vrouwen (en mannen) dan bij autochtone vrouwen.

Hiervoor kunnen verschillende oorzaken bestaan en één daarvan is dat allochtone vrouwen ‘zeer vaak’ werkzaam zijn in een gesubsidieerde baan. En juist het aantal gesubsidieerde banen is in de afgelopen jaren wegens bezuinigingen ‘stevig gedaald’. Een dergelijke verklaring heeft niets te maken met achterstand, maar wel met institutionele achterstelling. Extra wrang is dat de genoemde bezuinigingen voortkomen uit het Strategisch Akkoord van het kabinet. Hetzelfde kabinet dat in het kader van emancipatie en integratie pleit voor meer deelname van allochtone vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Oogcontact

De nadruk op de achterstand van allochtone vrouwen kan naar aanleiding van cijfers uit het Jaarrapport Integratie deels terecht worden genoemd. Niet alleen qua opleidingsniveau en arbeidsparticipatie, maar ook wat betreft taal ‘(hebben) allochtone vrouwen doorgaans meer problemen (…) dan de mannen’. Maar in hoeverre is het terecht dat vanuit bovenstaande denkwijze steeds minder aandacht bestaat voor bijvoorbeeld de emancipatie van autochtone vrouwen?

Kijkend naar de meest recente Emancipatiemonitor van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) uit 2004 kan geconcludeerd worden dat ook autochtone vrouwen hun hordes te nemen hebben. Zo werken de meeste Nederlandse vrouwen in deeltijd, maar is bijna 60% van de werkgevers van mening dat deeltijdarbeid niet samengaat met het vervullen van een hogere leidinggevende functie. Relatief weinig vrouwen zijn dan ook werkzaam in het management van het bedrijfsleven. En zou er niet evengoed meer aandacht mogen komen voor het feit dat, sinds er sprake is van laagconjunctuur, de werkloosheid sneller oploopt onder allochtone vrouwen dan onder autochtone vrouwen en dat in ieder geval één van de verklaringen hiervoor gevonden kan worden in institutionele achterstelling?

Socioloog en econoom Gowricharn verklaart dit soort processen met behulp van het begrip ‘culturele selectie’. Hij stelt dat er op basis van culturele normbeelden in- en uitsluitingsmechanismen werkzaam zijn. Culturele normbeelden komen tot uiting in de gedragingen waaraan mensen moeten voldoen. Een vaak genoemd voorbeeld is het maken van oogcontact en de betekenis daarvan in verschillende samenlevingen. Oogcontact staat in Nederland voor openheid en eerlijkheid en wordt daarom, deels onbewust, als belangrijke graadmeter meegenomen, bijvoorbeeld tijdens selectiegesprekken met sollicitanten. In andere culturen echter, zoals de Marokkaanse, is het een teken van respect om een gesprekspartner niet direct aan te kijken (zeker wanneer het een ‘meerdere’ betreft).

Dit wezenlijke verschil in opvattingen over hoe mensen zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen in bepaalde situaties, kan ervoor zorgen dat wanneer ‘individuele sollicitanten niet aan een bepaald cultureel genormeerd profiel (beantwoorden), zij buiten de boot vallen’.

Oogcontact staat in Nederland voor openheid en eerlijkheid en wordt daarom, deels onbewust, als belangrijke graadmeter meegenomen, bijvoorbeeld tijdens selectiegesprekken met sollicitanten. In andere culturen echter, zoals de Marokkaanse, is het een teken van respect om een gesprekspartner niet direct aan te kijken.

Hoofddoeken bij opzij

De culturele kant van achterstand is minder gemakkelijk te duiden dan het economische deel. Het gaat hierbij meer om vooronderstellingen en beeldvorming. Beide lastige mechanismen om vat op te krijgen, maar desalniettemin mechanismen met een grote invloed op bewuste en onbewuste handelingen en gedragingen.

Helma Lutz wijst op het feit dat in westerse vertogen een belangrijke indicator voor traditionalisme of juist aanpassing aan het moderne westerse leven wordt gevonden in de manier waarop moslimvrouwen zich kleden. Wanneer vrouwen een hoofddoek dragen worden ze verondersteld traditioneel en zelfs fundamentalistisch te zijn. Terwijl het dragen van westerse kleding duidt op een moderne vrouw die ook ‘moderne’ waarden koestert.

De vertogen in de Nederlandse politiek en media over islam, de positie van ‘de vrouw’ binnen de islam en het ‘hoofddoekendebat’ laten zo hun sporen na. Zo deden de uitspraken van Cisca Dresselhuys in de Volkskrant in 2001 veel stof opwaaien. Bij het maandblad Opzij komen wat de hoofdredacteur betreft geen vrouwen met een hoofddoek binnen. Deze vrouwen vindt Dresselhuys ‘onderdrukt’ en ‘niet feministisch’. Wanneer zelfs de vrouwelijke hoofdredacteur van hét feministische maandblad van Nederland dergelijke beelden heeft over islamitische vrouwen met een hoofddoek, zal het niet verwonderlijk zijn dat deze vrouwen ook bij andere organisaties barrières ondervinden om binnen te komen. Barrières die zeker niet noodzakelijkerwijs hoeven samen te hangen met hun opleidingsniveau, beheersing van de Nederlandse taal en werkervaring.

Niets liever dan een betaalde baan

Bij het hanteren van een achterstandbenadering wordt voorbijgegaan aan alle potentieel dat er wel is. Zmv-vrouwen, en dan met name moslimvrouwen, worden afgedaan als mensen die de juiste startkwalificaties missen en daarom geholpen moeten worden. Daarnaast worden zmv-vrouwen door middel van maatschappelijke vertogen afgeschilderd als traditionele, door hun omgeving onderdrukte wezens die uit hun isolement gehaald moeten worden. Maar waarom blijft het moeilijk voor hoogopgeleide, ambitieuze vluchtelingenvrouwen om de Nederlandse arbeidsmarkt te betreden? Waarom krijgen zij herhaaldelijk te horen dat hun taal het probleem vormt terwijl ze uitstekend Nederlands spreken? Waarom blijven de Turkse en Marokkaanse vrouwen die door middel van allerhande laagdrempelige cursussen hebben leren solliciteren, hebben leren empoweren en beter Nederlands hebben leren spreken, hangen in vrijwilligerswerk terwijl ze niets liever willen dan een betaalde baan?

Bovenstaande vragen kunnen niet anders beantwoord worden dan met het antwoord dat er ook sprake is van achterstelling. Het is goed om oog te hebben voor de achterstanden die er zijn. Het is goed om vrouwen mogelijkheden te bieden hun eigen geld te verdienen en daarmee (gedeeltelijk financieel) onafhankelijk te worden. Maar het zou nog beter zijn om het groeiende aanbod van ambitieuze, getalenteerde en zeer bereidwillige zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen serieus te nemen door ook te kijken naar de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Naar de bestaande belangenconstellaties en machtsprocessen die voor uitsluiting zorgen. Naar de invloed van maatschappelijke vertogen op de arbeidsmarkt.

Want arbeidsparticipatie van zmv-vrouwen kan niet van één kant komen. Ze zullen toegelaten moeten worden. Niet op basis van opgelegde streefcijfers, maar op basis van erkenning en waardering van hun kwalificaties, talenten en meerwaarde voor organisaties die zich bewegen in een multiculturele samenleving.

Ismintha Waldring heeft Sociale en Organisatiepsychologie gestudeerd. Ze werkt aan de Vrije Universiteit Amsterdam als onderwijs- en onderzoeksassistent bij de bijzondere leerstoel ‘Management van Diversiteit en Integratie’ (afdeling Cultuur, Organisatie en Management van de Faculteit Sociale Wetenschappen).

Dit artikel is een publicatie van LOVER.
© LOVER, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 november 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.