Je leest:

De buurt als co-productie

De buurt als co-productie

Auteur: | 19 mei 2008

We zijn betere buren als we een identiteit met onze buurtgenoten delen. Daarvoor moeten we onze buren kennen, ons betrokken voelen en beseffen dat we gezamenlijke belangen hebben. Volgens promotie onderzoek van Margreet Frieling (Rijksuniversiteit Groningen) worden we betere buren als we meer samenwerken en elkaar gaan zien als co-producenten van een betere buurt. De overheid kan een handje helpen.

Buurtcohesie, leefbaarheid, zelfredzaamheid: beleidsmakers hebben er de mond vol van. Maar wat houdt het eigenlijk in en hoe kun je het meten? En belangrijker, hoe zorg je er voor dat de buurt hechter en leefbaarder wordt? In haar proefschrift heeft sociale wetenschapper Margreet Frieling een antwoord proberen te vinden. Volgens haar moeten buurtbewoners, professionals en gemeenten zichzelf gaan zien als co-producenten van een betere buurt.

Actieve burgers

De overheid wil graag ‘actieve burgers’ van ons maken. Actieve burgers doen vrijwilligerswerk, organiseren een buurtbarbecue, houden het wijkplantsoen netjes, doen boodschappen voor hun bejaarde buur en zorgen zelf voor hun zieke ouders. De overheid hoopt dat actief burgerschap de kosten van de verzorgingsstaat en de vergrijzing in toom weet te houden. Een buur die een kommetje soep bij zijn zieke buurman langs brengt, is immers een stuk goedkoper dan een professional uit de thuiszorg. Ook ziet de overheid actief burgerschap als een oplossing voor veel moeilijkheden in probleemwijken. In probleemwijken zou buurtbinding en solidariteit een goed antwoord zijn op geluidsoverlast, vuile straten en eenzame bewoners.

Maar hoe kun je er nou voor zorgen dat mensen zich meer betrokken voelen bij hun buurt en daar zelfs moeite voor willen doen? Om daar achter te komen, riep de gemeente Groningen de hulp in van Margreet Frieling van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij promoveerde op 15 mei op ‘Een goede buur. ’Joint production’ als motor voor actief burgerschap in de buurt.’

Een goede buur gedraagt zich sociaal en solidair.

Profiel van een goede buur

Een goede buur gedraagt zich sociaal en solidair. Hij heeft wat voor anderen over, zelfs als dat tegen zijn directe belangen ingaat. Moreel juist handelen moet (even) belangrijker zijn dan de eigen korte- en langetermijnbelangen. Dit prosociaal gedrag zie je vooral in situaties waarin mensen wat met elkaar delen en zich met elkaar identificeren. Wie zijn buurman niet kent, zal eerder vuilnis naast de container dumpen of veel lawaai maken om drie uur ’s nachts. Pas als je je onderdeel voelt van een groep, is het het waard om je eigenbelang even in de koelkast te zetten.

Nu is de vraag of een gemeente het gedrag en de gevoelens van burgers kan beïnvloeden. Iets als groepsgevoel ontstaat niet zomaar na een postbus 51 campagne. Toch kan de gemeente volgens Frieling prosociaal gedrag in de buurt stimuleren. Namelijk door buurtbewoners te laten samenwerken, zodat ze elkaar leren kennen en betrokken raken bij de buurt. Door samenwerking moet het besef van een gedeelde identiteit groeien. De overheid moet buurtbewoners vervolgens wel aan de gemeenschappelijke belangen blijven herinneren.

Samenwerking als wondermiddel

Samenwerking tussen buurtbewoners, professionals en gemeente: het klinkt logisch. Toch gaan de meeste huidige buurtprojecten uit van een ander principe: de ‘u vraagt – wij draaien’ aanpak. Buurtbewoners worden gezien als klant, die vertellen wat ze willen. Dit leidt niet tot het beste resultaat, meent Frieling. Buurtbewoners hebben vaak onrealistische en dure wensen, zodat de gemeente moet weigeren en de buurtbewoners vervolgens teleurgesteld raken. Ook zijn er soms problemen, zoals veel vuilnis op straat, die bewoners niet erg vinden (ze doen het immers zelf) maar de gemeente wel. De ‘bewoner als klant’ aanpak is dan geen oplossing.

Samenwerking klink logisch, maar is er nu vaak niet. ‘In de praktijk blijken bewoners vaak niet op de hoogte te zijn van het aanbod aan voorzieningen en ondersteuning van professionals en de gemeente, ’ schrijft Frieling in haar proefschrift. Ook de gemeente en professionele instanties weten niet altijd even goed wat er op buurtniveau leeft. ’En ook tussen verschillende professionele instanties en gemeentelijke diensten is samenwerking geen vanzelfsprekendheid.’

Een praatje en de planten water geven

Frieling ontwikkelde ook een vragenlijst om buurtcohesie, of buurtbinding, te meten. Veel gebruikte vragenlijsten meten alleen maar of een bewoner zich thuis en veilig voelt in de buurt. Maar buurtcohesie bestaat volgens Frieling uit meer: ‘de mate waarin bewoners samenwerken in het creëren van welzijn, de mate van onderlinge solidariteit en de gevoelens van betrokkenheid.’ Zij vroeg buurtbewoners dan ook hoe vaak ze een praatje maken met iemand in de buurt en of de planten tijdens de vakantie water krijgen van een buur. Maar ook stelde ze de vraag ‘Als er een droevige gebeurtenis is in uw leven, is er dan iemand uit de buurt die voor u een steun en toeverlaat is?’ Je kunt je immers thuis en veilig voelen in een wijk, maar dat wil nog niet zeggen dat je ook echt in een hechte buurt woont waar mensen wat voor elkaar over hebben. Frieling hoopt dat haar vragenlijst buurtcohesie beter in kaart kan brengen. En dat haar proefschrift niet alleen in de bureaulade van een Groningse ambtenaar zal verdwijnen.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 mei 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.