Je leest:

De biologie van nare gevoelens

De biologie van nare gevoelens

Niemand zit te wachten op angst, pijn of verdriet. Toch zijn deze gevoelens van belang voor het overleven van ons organisme, betoogt psychiater prof. dr. Frans Zitman. In zijn oratie ‘Overstuur’ presenteert hij de stand van zaken in het wetenschappelijke onderzoek naar deze emoties en naar de bijbehorende stoornissen. Bepaald geen sprookje, wel een hoopgevend perspectief voor patiënten.

“Deze oratie begint waar sprookjes ophouden. Veel sprookjes eindigen met de zin: ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Dat is iets waar veel mensen van dromen.” Het kostte de nieuwbenoemde hoogleraar Psychiatrie prof. dr. Frans Zitman weinig moeite zijn gehoor ervan te overtuigen dat deze droom van duurzaam geluk nooit gerealiseerd kan worden. In elk mensenleven komen immers gebeurtenissen voor die het evenwicht in onze geest verstoren, zodat wij geconfronteerd worden met onaangename emoties.

Na een korte verwijzing naar de filosofische discussie over dit onderwerp richtte de nieuwbenoemde hoogleraar psychiatrie zich op de biologische verklaring van onze gevoelens en van de psychiatrische ziektebeelden waarin zij kunnen ontaarden. Zoals hij zelf aangaf, was dit nog niet zolang geleden een gevaarlijke benadering. Edmund O. Wilson, auteur van het geruchtmakende boek ‘Sociobiology: The New Synthesis’, kreeg 25 jaar geleden tijdens een lezing nog een emmer water over zich heen omdat hij verkondigde dat menselijk gedrag verklaard kon worden vanuit onze genen. “Vandaag de dag gebeurt zoiets niet meer, zelfs niet als je nog een stap verder gaat door te beweren dat ook een van de meest intieme aspecten van het menszijn, onze gevoelens, ten dele erfelijk bepaald is. Toch kan ik mij voorstellen dat sommigen van u bij het horen van mijn verhaal het gevoel bekruipt dat ik de beleving van zulke gevoelens tekort doe door me zo te richten op de anatomie, biochemie en genetica van gevoel en gevoelsstoornissen. Deze reductie is in onderzoek echter nodig, zo is mijn overtuiging, om nieuwe manieren te vinden om ziektes van het gevoelsleven te behandelen.”

Emoties dienen overleving

In eerste instantie zijn veel mensen geneigd te denken dat zij onaangename emoties ‘kunnen missen als kiespijn’. Voor filosofen in het verleden was de vraag waarom de mens moet lijden aan pijn, angst of verdriet eveneens moeilijk te beantwoorden. Vanuit een evolutionair perspectief is het echter goed te beredeneren dat een gezond organisme niet zonder dergelijke signalen kan overleven. Zitman noemde als voorbeeld uit de vakliteratuur de ziektegeschiedenis van een vrouw die door een aangeboren afwijking geen pijnsensatie kende. Zij overleed uiteindelijk op 29-jarige leeftijd aan de gevolgen van de vele verwondingen die ze onopgemerkt had opgelopen. Mensen die geen angst kennen, zijn nog niet door de wetenschap ontdekt, maar toch kan men zich voorstellen dat ook zij problemen zouden hebben om in leven te blijven. Angst is immers een noodzakelijk signaal voor gevaar. Zonder die emotie zouden we gemakkelijk ten prooi vallen aan roofdieren of snel rijdende auto’s.

Zitman erkende dat het minder gemakkelijk is om op deze manier gevoelens van verdriet, neerslachtigheid en somberheid te verklaren. “Het wordt makkelijker als we ons voor de geest halen in welke situaties ze in het ‘gewone leven’ ontstaan: als je partner overlijdt, je relatie stukloopt of als je je promotie op het werk misloopt. Dat zijn allemaal situaties waarin het goed is eerst eens pas op de plaats te maken en je te heroriënteren alvorens je je in nieuwe activiteiten stort. En dat is precies wat verdriet, somberheid en neerslachtigheid teweeg brengen.” De signaalfunctie van emoties betreft overigens niet alleen het individu. Als wij somber of bang zijn, is dat ook merkbaar voor onze omgeving. Zeker bij een sociale diersoort als de mens of de hond leidt dit tot hulpvaardigheid van anderen, zodat de onderliggende problemen sneller opgelost kunnen worden.

Automatische timing

Het komt er dus op neer dat wij kiespijn en andere nare gevoelens bij nader inzien niet kunnen missen. En zelfs al zou een filosoof ons ervan kunnen overtuigen dat deze gevoelens volstrekt overbodig zijn, dan zouden we er nog een harde dobber aan hebben om ze niet te voelen. Kenmerkend voor dergelijke gevoelens is immers dat we er weinig controle over hebben. We kunnen bij onszelf wel angst of verdriet oproepen door aan griezelige of trieste gebeurtenissen te denken, maar het is vrijwel onmogelijk deze emoties duurzaam weg te denken. Dit is te begrijpen vanuit de groeiende kennis van ons zenuwstelsel en de wisselwerking tussen hersenen en hormonen.

Zitman: “De reacties bij schrikken, bij een verwonding en bij een verlies mogen dan wel automatisch, buiten onze wil en bewustzijn om verlopen, het zijn geen domme, ongenuanceerde processen. Integendeel, de precieze aard en timing van de reactie verlopen op een heel uitgebalanceerde wijze. Hetzelfde geldt voor de terugkeer naar de rusttoestand. De frequentie van de hartslag kan bijvoorbeeld niet zomaar ineens weer naar het niveau bij rust teruggaan, dat moet gecoördineerd gebeuren met de regulatie van de bloeddruk en vele andere processen. Het is maar goed dat dat allemaal automatisch gaat, want we zouden anders aan niets anders meer toekomen dan het regelen van hartslag, spierspanning, energieverbruik, urineproductie enzovoorts.”

Alarmlijn in het brein

“Als de hersenen een situatie als gevaarlijk en bedreigend interpreteren dan zet dat een waterval van veranderingen in die hersenen en in de rest van het lichaam in gang”, vervolgde Zitman. De eerste schakel in deze keten is een amandelvormige structuur voorin de hersenen, de zogeheten amygdala. Deze zorgt voor een snelle reactie op het gevaar: diverse andere gebieden in de hersenen gaan aan het werk om het lichaam voor te bereiden op een confrontatie (‘vechten’) of een vluchtreactie. Opmerkelijk is dat de amygdala al aan de slag gaat voordat de hersenschors het potentiële gevaar zorgvuldig heeft kunnen analyseren. Zitman: “Snelheid heeft zijn prijs: heel nauwkeurig is deze alarmlijn niet. Vaak blijkt, als de binnenkomende gegevens door de hersenschors verder zijn geanalyseerd (en dat kost tijd), dat het loos alarm was. De alarmfase kan worden afgeblazen. Dat lijkt onhandig, maar is het niet. Beter een paar keer teveel alarm slaan dan eenmaal te weinig: die ene keer te weinig kan je letterlijk de kop kosten.”

Net als bij de bloedstolling en veel andere biologische processen is ook bij de stressreactie tegelijkertijd sprake van activering en remming. Dit komt onder meer tot uiting in de werking van de twee belangrijkste stresshormonen, noradrenaline en cortisol. Terwijl noradrenaline het lichaam voorbereidt op vechten of vluchten is het de taak van cortisol om te zorgen dat de stressreactie weer beëindigd wordt.

Veel stoornissen

Helaas werkt het systeem dat de stressreactie weer uitschakelt niet bij iedereen optimaal. Dit komt tot uiting in verschillende psychiatrische ziektebeelden: angststoornissen, depressies en de zogeheten somatoforme stoornissen, waarbij de patiënt lichamelijke klachten zoals vermoeidheid of pijn ervaart zonder dat de arts daar een lichamelijke verklaring voor kan vinden. Al deze stoornissen zijn te beschouwen als een ontsporing van de stressreactie, waardoor deze niet langer in dienst staat van onze veiligheid, maar als het ware een eigen leven gaat leiden. Angst, verdriet, moeheid en pijn worden dan een last die buitengewoon zwaar kan zijn.

Uit de getallen die Zitman in zijn oratie presenteerde blijkt dat deze psychiatrische stoornissen zeker niet zeldzaam zijn: “Uit recent Duits onderzoek blijkt dat in de loop van een jaar 17 procent van de bevolking tenminste een van deze ziekten heeft. Veel mensen hebben er zelfs meer dan een tegelijk”. Als men deze getallen zou optellen, blijkt gedurende een willekeurige maand een op de tien Nederlanders te lijden aan een van de drie stoornissen. Zoals Zitman aangaf blijkt bij deze stoornissen vaak sprake te zijn van overlap: een patiënt met een angststoornis lijdt vaak tegelijkertijd of op een ander moment in zijn leven aan een depressie en omgekeerd. Bij al deze patiënten is vaker sprake van medisch onbegrepen lichamelijke klachten.

De behandeling van al deze patiënten kost geld, terwijl van veel behandelingen nog onduidelijk is of zij doeltreffend zijn. De persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van deze aandoeningen zijn nog veel groter: individueel lijden, ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en ontregeling van gezinnen. Zitman pleitte dan ook voor onderzoek naar de factoren die bij deze ziekten een rol spelen, om op grond daarvan tot betere behandelingen te komen.

Op jacht naar de genen

Het onderzoek dat Zitman voor ogen staat zou zich moeten richten op de wisselwerking tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel, die vooral werkt via de zogeheten HPA-as. Deze afkorting verwijst naar de Engelse benamingen van de hypothalamus, een onderdeel van de hersenen, de hypofyse, de belangrijkste hormoonklier in het lichaam, en de bijnieren. Uit neurobiologisch onderzoek blijkt dat deze wisselwerking ontregeld is bij patiënten met een depressie, een angststoornis of een somatoforme stoornis. Er zijn verschillen – zo wordt bij depressieve patiënten meer cortisol aangetroffen in bloed en speeksel en bij een angststoornis juist minder – maar bij al deze aandoeningen is sprake van een ontspoorde stressreactie.

Uit onderzoek bij tweelingen is gebleken dat al deze aandoeningen weliswaar ontstaan door stress, maar dat erfelijke factoren daarbij een bepalende rol spelen. Het ligt dus voor de hand op zoek te gaan naar de genen die hiervoor verantwoordelijk zijn, om zo een beter inzicht te krijgen in het ontstaan van deze aangeboren kwetsbaarheid. Dat dit onderzoek tot dusver nog niet veel heeft opgeleverd, is volgens Zitman ten dele te wijten aan de methodiek van de psychiatrische diagnostiek.

Diagnostiek moet anders

Psychiaters werken sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw met het diagnostische systeem DSM-III, of de latere versie DSM-IV. Zitman legt uit dat dit systeem voor onderzoeksdoeleinden zijn beperkingen heeft: “De betrouwbaarheid van deze diagnoses mag groot zijn, de biologische validiteit is klein: ze blijken niet of nauwelijks te koppelen aan biologische kenmerken.” Dit komt ten dele door de eerdergenoemde overlap (co-morbiditeit) tussen angststoornissen, depressies en somatoforme stoornissen. Ook binnen een diagnostische categorie levert DSM-IV echter problemen op: “Voor een depressieve episode bijvoorbeeld zijn in de DSM-IV negen kenmerken beschreven. Van twee, een sombere stemming en verlies aan interesse, moet er tenminste één aanwezig zijn, van de andere zeven tenminste vier, welke is niet van belang. Alleen op grond hiervan is al een groot aantal varianten mogelijk die allemaal als depressieve episode gerubriceerd worden.” Zitman concludeert dan ook dat de ouderwetse diagnostische categorie ‘neuroses’ voor bepaalde aspecten van biologisch onderzoek even bruikbaar is als de moderne categorieën depressie, angststoornis en somatoforme stoornis.

Hij zoekt de oplossing voor dit probleem vooral in het onderzoeken van deelsymptomen en (neuro)biologische kenmerken die in meerdere of mindere mate aanwezig kunnen zijn. Deze benadering houdt volgens Zitman in, ‘de aanwezigheid van psychologische en biologische kenmerken niet automatisch in twee mogelijkheden te verdelen, aan- dan wel afwezig, maar de mate waarin een kenmerk aanwezig is, te gebruiken’. “Men spreekt in dat kader wel van dimensionele diagnostiek. Zeker als het gaat om de erfelijkheid van een stoornis, kan het behulpzaam zijn om niet alleen te kijken naar het voorkomen van zo’n kenmerk bij lijders aan een ziekte, maar ook bij hun gezonde familieleden”.

Roze bril

Nadat hij zijn plannen voor wetenschappelijk onderzoek had ontvouwd (zie kader: ‘Leiden goede basis’) sloot Zitman zijn oratie af met een verwijzing naar het begin: "Leven is geen sprookje. Lichamelijke klachten, angst en verdriet zijn immers een wezenlijk aspect van het menselijk bestaan. Gelukkig heeft de fee die aan de wieg van de mensheid heeft gestaan ons ook een aantal eigenschappen meegegeven ter compensatie. Een daarvan is de hoop. De hoop dat het toch weer goed komt. Het spreekwoord luidt niet voor niets ‘Na regen komt zonneschijn’ en niet andersom ‘Na zonneschijn komt regen’ terwijl dat even waar is. En dat brengt me op een andere eigenschap die we ter compensatie kregen: optimisme.

Als je studenten vraagt om te schatten hoe hun eigen prestaties zich verhouden tot de rest van de groep, dan is de grote meerderheid van mening dat ze boven het gemiddelde uitsteken. Studenten zijn niet de enige die dat denken. Ook andere mensen overschatten hun eigen kans op succes en onderschatten hun kans op mislukkingen. Duurzaam geluk zit er kennelijk niet in, maar een roze bril wel. Die roze bril vergroot, daar ben ik van overtuigd, onze kansen om te overleven. Depressieve mensen beschikken niet over zo’n optimistische kijk." Het is te hopen dat de nieuwe hoogleraar psychiatrie ondanks zijn realistische kijk op de wereld toch de stemming erin weet te houden.

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 oktober 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.