Je leest:

De biologie van het sexappeal

De biologie van het sexappeal

Auteur: | 20 december 2002

Voordat twee cellen kunnen versmelten, moeten twee mensen elkaar gevonden hebben. Waarom willen we uitgerekend die ene versieren? Zowel psychologen als biologen zoeken daar een antwoord op. En die antwoorden kloppen nog met elkaar ook. Het gaat om uiterlijke eigenschappen, maar ook om verstand en karakter, zo blijkt.

Wie hebben succes op de relatiemarkt? “Vrouwen met een gave huid, een dunne taille en brede heupen,” zegt prof. dr. Harry van de Wiel, verbonden aan de afdeling medische psychologie van het Academisch Ziekenhuis Groningen. Hij hield een paar jaar geleden een enquête over uiterlijk, relaties en seksualiteit. “En mannen met brede schouders en een hoge sociale status. Voor beide geslachten geldt bovendien dat taalvaardigheid en sociale intelligentie hoog scoren.”

Muizen hebben dit ook, en uit proeven bleek dat muizen een partner kiezen met een heel andere MHC-set dan ze zelf hebben, schreven Dustin Penn en Wayne Potts ruim drie jaar geleden in een overzichtsartikel in The American Naturalist. Het idee is nu onder meer, dat ze zo nakomelingen krijgen die een grote variatie aan MHC-genen hebben en daarmee bestand zijn tegen veel ziekteverwekkers.

Biologen dragen theorieën aan om zulke voorkeuren te verklaren. Hun leidraad is sinds 1972 een publicatie van Robert Trivers, waarin hij de voortplantingsstrategieën in het dierenrijk onder de loep neemt. Ouders investeren in elke nakomeling, zo begint hij, maar de taakverdeling is meestal scheef. Een vrouwtje brengt altijd veel in. Eicellen zijn veel groter dan zaadcellen, zodat de moeder al bij de bevruchting verreweg het meest geïnvesteerd heeft. Vaak komt daar nog veel extra’s bij, bij zoogdieren bijvoorbeeld gedurende de draagtijd en de zoogtijd. Van mannetjes blijft de bijdrage soms beperkt tot de paring.

Uitslovers

Vrouwtjes kunnen maar een beperkt aantal nakomelingen krijgen, dus elk jong telt en moet optimaal zijn toegerust. Een vrouwtje kiest zorgvuldig een partner, want paren met een inferieure man doet aanmerkelijk afbreuk aan haar nageslacht. Mannetjes doen niet zo moeilijk. Ze beschikken over een enorme hoeveelheid zaadcellen, en als ze verder niet hoeven te investeren in hun jongen, proberen ze zoveel mogelijk vrouwtjes te bevruchten. Dat die niet allemaal van de beste kwaliteit zijn, doet er niet zoveel toe.

Zo zijn bij de meeste diersoorten mannen genoodzaakt zich uit te sloven om te worden uitverkoren. Mannetjes voeren onderling strijd om vrouwtjes en alleen de sterksten komen aan de bak. Vrouwtjes vinden altijd wel een partner. Het ligt anders bij soorten waar mannetjes na de bevruchting wel in hun nageslacht investeren. Dan is ook voor hen het aantal nakomelingen beperkt en kiezen ook zij hun partner met zorg. Dat geldt bijvoorbeeld voor monogame vogelsoorten waar beide partners ongeveer evenveel investeren. Sommige soorten hebben de rollen helemaal omgedraaid. Bij zeepaardjes bijvoorbeeld zorgen de mannetjes voor de jongen en zijn vrouwtjes de uitslovers.

Mensen zijn meestal monogaam, en zowel mannen als vrouwen maken veel werk van de partnerkeus. Een relatie zit er voor bijna iedereen wel in. Maar vanwege hun overmaat aan zaad en omdat ze tot lang na de bevruchting nauwelijks iets hoeven te investeren, zijn mannen met een relatie ook nog te porren voor vluchtige contacten waarbij ze niet kieskeurig zijn. Volgens de theorie dus.

Steeds extremer

Wat maakt een man of vrouw nu biologisch gezien aantrekkelijk als (vaste) partner? Voor dieren in het algemeen noemt Trivers als eerste criterium: gezond, vitaal en vruchtbaar. Dat blijkt deels uit uiterlijke kenmerken. De gave huid en smalle taille die vrouwen aantrekkelijk maken, vallen zo op hun plaats. Van de Wiel: “Dat zijn kenmerken van jonge, niet-zwangere vrouwen. En de brede schouders van mannen wijzen op kracht. Dansen is populair, want daarmee kunnen we laten zien hoe lenig, jeugdig en beweeglijk we zijn.”

Ten tweede, zegt Trivers, moet de partner geschikte genen inbrengen. De kunst is alleen om die genetische kwaliteit goed in te schatten. De lichamelijke conditie is ook daar een aanwijzing voor. Maar misleiding ligt op de loer. Gegadigden zullen zich misschien beter proberen voor te doen dan ze wat dat betreft zijn, bijvoorbeeld door zich op te blazen, stelde Amotz Zahavi in 1975. Daarom moeten ze iets laten zien dat wijst op een goede genetische kwaliteit, maar waarmee niet te sjoemelen is. En zo zijn volgens hem bijvoorbeeld pauwenstaarten ontstaan of de geweien van herten: ondingen die bewijzen dat de drager genetisch goed is toegerust; anders zou hij het er niet mee redden. En de andere sekse valt voor een partner die met zo’n ‘handicap’ kan leven. Dat heet seksuele selectie: de succesvolle drager van een onhandige eigenschap krijgt nageslacht, die de eigenschap erft en verder doorgeeft. De eigenschap ontwikkelt zich tot een steeds extremere vorm.

Ook bij mensen is zo’n handicap ontstaan, betoogt Geoffrey Miller in zijn vorig jaar verschenen boek ‘de parende geest’, en wel ons brein. Onze hersenen vreten energie en zijn dus een duur orgaan. En ze zijn veel groter dan nodig is om te overleven. Muziek, algebra, humor: allemaal luxe. Mensen die met zo’n overdreven brein konden leven, moesten dus wel van goede kwaliteit zijn. Deze hypothese verklaart misschien waarom iemand met een goed verstand aantrekkelijk is.

T-shirts ruiken

Behalve dat genen van een partner op zichzelf goed moeten zijn, moeten ze ook passen bij de eigen genen. Het is bijvoorbeeld gunstig om te zorgen voor verscheidenheid in het nageslacht. Bij fruitvliegen schijnen vrouwtjes om die reden voorkeur te hebben voor een mannetje dat op de een of andere manier uitzonderlijk is. Verklaart dat dat mensen zich proberen te onderscheiden?

Een bijzonder geval zijn de genen van het Major Histocompatibility Complex (MHC, bij mensen ook wel HLA genoemd: humaan leucocyten antigeen). Die genen coderen voor oppervlakte-eiwitten van cellen, eiwitten die een cruciale rol spelen in de strijd tegen infecties. Die eiwitten presenteren kleine stukjes eiwit uit de cel aan het afweersysteem, en als die stukjes vreemd zijn, slaat dat afweersysteem toe. De MHC-genen zijn er in talloze varianten en iedereen heeft een unieke set, die mede bepaalt welke infecties herkend kunnen worden.

Ook mensen lijken hun partner mede te kiezen op MHC-genen. Vrouwen kregen de keus tussen T-shirts die gedragen waren door mannen met ongeveer hetzelfde of een heel ander MHC. Mannen kregen de keus uit door vrouwen gedragen shirts. De geur van iemand met een ander MHC is plezieriger, vonden beide geslachten. In dit opzicht verschillen de smaken dus. Wat de proeven niet vertellen is, hoe sterk dit meespeelt bij de uiteindelijke partnerkeus.

Toegewijde partner

Diersoorten die zich moeten inspannen om hun jongen groot te brengen, stellen volgens Trivers – naast lichamelijke conditie en genetische kwaliteit – nog een derde eis aan een partner: de bereidheid en capaciteit om dat inderdaad op te brengen. Bij mensen is de gevraagde inspanning groot, en vooral vrouwen hechten aan een toegewijde partner.

Ook dit verklaart misschien dat we verstandelijke vermogens zo waarderen. Van de Wiel: “Mensen leven van oudsher in groepsverband en moeten het hebben van samenwerking. Sociale intelligentie en taalvaardigheid zijn dus van belang. Ook de plaats in de groep is belangrijk, wat verklaart dat vrouwen de sociale status van hun partner belangrijk vinden.” En het is handig bij de opvoeding als de capaciteiten van man en vrouw elkaar aanvullen. Misschien dat daarom tegengestelde karakters elkaar aantrekken.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 december 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.