Je leest:

De binnenkant van de inburgering

De binnenkant van de inburgering

Auteur: | 15 april 2007

De verplichte inburgering voor nieuwkomers heeft een slechte reputatie. De resultaten zouden bedroevend zijn, de uitval hoog. Ook de organisatie laat te wensen over. Hoe zit dat? En wat houdt een cursus inburgeren in?

“Het is om moedeloos van te worden. De media slepen vooral de klagers voor de camera.” Janine Tap, lerares Nederlands aan het Mondriaan Regiocollege in Voorburg ergert zich groen en geel aan de stroom negatieve berichten over de inburgeringscursussen. “Het is niet alleen frustrerend voor de docenten, maar ook voor de cursisten zelf. Hebben ze na een jaar zwoegen de eindtoets gehaald, horen ze ’s avonds op tv een allochtoon beweren dat hij niks geleerd heeft op de cursus.”

Ook in de Tweede Kamer werd er vorig jaar september, tijdens de Algemene Beschouwingen, weinig heel gelaten van de inburgering. De teneur was: weinig resultaat, grote uitval. De klachten lijken niet ongegrond. In 2002 kwam naar buiten dat slechts 15 procent van de 17.000 allochtonen die jaarlijks een inburgeringscursus volgen na afloop genoeg Nederlands spreekt om zich te redden op de arbeidsmarkt. Overigens geven de cijfers de resultaten van 1999 weer; recentere gegevens zijn nog niet voorhanden.

Haalbaar

Hoe komt de inburgering toch aan zo’n slecht imago? “Alles en iedereen wordt over één kam geschoren”, zegt Tap. “Nederlanders halen toch ook niet allemaal het vwo-diploma, waarom verwacht men bij buitenlanders dan wel één eindniveau? Een analfabete Marokkaanse bereikt in een jaar natuurlijk nooit hetzelfde als een hooggeschoolde Iraniër.”

De ROC’s (Regionale Opleidingen Centra), die het gros van de inburgeringscursussen verzorgen, bekijken daarom voor elke inburgeraar die zich aanmeldt welk niveau haalbaar is. De opleidingen onderscheiden vier profielen, waar een zogenoemd taaltraject bij hoort. Plaatsing in een traject hangt af van de vooropleiding, maar ook van de studievaardigheid, het leertempo en het abstractievermogen van de cursist.

Alle nieuwkomers uit niet-EU-landen zijn verplicht een inburgeringscursus te volgen. Het systeem voorziet wel in sancties – zoals korting op de uitkering – maar die worden in de praktijk vrijwel niet toegepast. De hoofdmoot van het programma wordt gevormd door het Nederlands. Daarnaast is er een ‘maatschappelijke en beroepenoriëntatie’.

Het publiek voor de cursussen varieert van analfabeten tot academici en van jong tot hoogbejaard. “We hebben hier weleens een grootmoeder van tegen de tachtig gehad, ze was nooit naar school geweest”, vertelt Tap. “We moesten hemel en aarde bewegen om haar vrijgesteld te krijgen van de inburgeringseis.” In een jaar tijd (in de praktijk veertig weken van vijftien uur les, dus zeshonderd uur) moeten de nieuwkomers volgens de Wet inburgering nieuwkomers ‘sociaal of professioneel redzaam’ worden: dat betekent (wat) Nederlands leren, de Nederlandse samenleving verkennen en zich oriënteren op een beroep of vervolgopleiding.

Het Mondriaancollege biedt inburgeraars naast lessen ook een taalstage. Cursisten lopen twee maanden lang één middag per week mee in een bedrijf of instelling, bijvoorbeeld een hotel, een verzorgingstehuis, de plaatselijke bibliotheek of de wereldwinkel. Ze doen eenvoudig werk, maar het belangrijkst zijn de opdrachten die ze van hun cursusbegeleider meekrijgen. Daarvoor moeten ze gesprekjes aanknopen met Nederlandse medewerkers.

Twee cursisten van Tap sloten onlangs hun stage af en ontvingen een certificaat. “Bij deze vrouwen bleek dat kennis van het Engels een enorme handicap kan zijn. Carmelie uit Burkina Faso kon voortdurend in het Engels vluchten, Eline uit Albanië niet, want die spreekt geen Engels. Eline heeft veel meer van de stage opgestoken.”

De praktijk is onontbeerlijk om Nederlands te leren. Wie alleen maar op de les met het Nederlands in aanraking komt, leert langzaam. Zodra de cursus voorbij is, vervliegt alle kennis en vaardigheid die met zo veel moeite is opgebouwd. Thuis en buitenshuis kunnen heel wat buitenlanders volstaan met hun eigen taal. Heeft een cursus voor deze mensen wel zin? Tap: “Toch wel. De kinderen van veel cursisten gebruiken het Nederlands wel vaak. Als de ouders dat helemaal niet beheersen, groeit de kloof die er toch al bestaat tussen allochtone ouders en hun kinderen.”

Een kijkje in de inburgeringsklas

Een grauwe winterochtend in Groningen. Op het Noorderpoortcollege zitten om negen uur al honderden buitenlandse cursisten over boek en schrift gebogen. Docente Virry Schaafsma loodst een klasje met elf semialfabeten uit negen verschillende landen door een les over kleding. De gemiddelde leeftijd ligt ruim boven de dertig. Moeizaam leest Madiké uit Senegal een zinnetje voor. Het klinkt onbegrijpelijk als je niet meeleest. In groepjes van twee oefenen de cursisten simpele dialoogjes uit Breekijzer, het lesboek.

Een Irakees vraagt, zijn ogen strak op het papier gericht, of ik weleens “ien bak mit srobdas” draag. Huiswerk voor de volgende keer: een straatinterview met een Nederlander over kleren. De groep werkt traag. Als ik mijn naam omstandig spel, komt die in elf varianten schots en scheef op papier. Alleen het schoonschrift van een Thaise heeft kalligrafische allure.

Een gebrekkige vooropleiding en een beperkt beroepsperspectief, dat is wat deze cursisten met elkaar gemeen hebben. “Madiké heeft nog geen jaar in Senegal op school gezeten”, vertelt Schaafsma. “Hij is nu drummer maar wil eigenlijk automonteur worden. Dat is veel te hoog gegrepen. In zijn land leer je zo’n vak in de praktijk, van je vader of je broer. Hier zit er een heel stuk theorie aan vast. Nee, hij zal niet veel verder komen dan assistent-uitdeuker.”

Hogeropgeleiden

De klas van Tilly Duijvestijn is van een heel ander kaliber: zeventien vrij jonge mensen, goed gebekt en met een stevige vooropleiding. Het merendeel is vrouw en verblijft hier vanwege een Nederlandse partner. Sommigen hebben al werk, zij het niet op het gewenste niveau. Agnieszka uit Polen is waterbouwkundig ingenieur maar zit achter de kassa bij de supermarkt. Ashraf, hotelmanager in Egypte, staat elke dag in een spoelkeuken.

“Het gaat te langzaam”, oordelen hogeropgeleiden nogal eens over inburgeringscursussen. Maar dat vinden deze cursisten, op twee na, niet. Voor een enkeling gaat het zelfs te snel. Dat inburgering verplicht is, juichen ze allemaal toe, hoewel de Wet inburgering nieuwkomers nu juist niet in de eerste plaats voor deze categorie buitenlanders gemaakt lijkt.

De cursisten praten in drietallen over ‘nooit te oud om te leren’. Woordvoerders rapporteren daarna voor de groep. Er is even een rustmoment: het stillezen van een tekst over ‘vergrijzing’, zonder woordenboek. Alleen _ongehuwd_en buitenechtelijk geven begripsproblemen. Bij een klassengesprek buigt Duijvestijn kromme zinnen recht: “Denk aan de volgorde in de bijzin: ‘Als ik later oud bén, …’.”

gele kaart

In een groep van het middenniveau tel ik acht cursisten. Wie zonder reden afwezig is, krijgt een gele kaart. Het Noorderpoortcollege houdt strak de hand aan de absentie-administratie. Een lesje over vakantie staat vandaag op het programma. Cursisten moeten, in overleg, een ansichttekst verbeteren.

Yi Fang Ma (23) uit China heeft zichtbaar plezier in Nederlands spreken. “Nederlands is zo mooie taal.” Zijn klasgenote Margarita uit Oekraïne zit er wat sipjes bij. “Mijn wereld hier is klein, gesloten. Ik kan niet luisteren radio of tv. Zonder taal ik voel mij invalide.” Ze woont sinds een jaar in Nederland, vanwege haar Nederlandse echtgenoot.

In de les wordt veel gepraat, vooral in groepjes. Docent André Kistemaker vraagt aandacht voor de juiste vorm. “En gebruik de voltooide tijd, hè! Wat héb je gisteravond gedáán?” Een Russisch meisje haakt in: “Eerst heb ik gegeten. Toen heb ik gewandeld.” Kistemaker: “Gewandeld, met een _d_of een t?” De cursiste: “Met dee of tee? Nee, met mijn hond!”

Schande

Wie in Nederland inburgert, krijgt niet alleen te maken met docenten. Het ‘Bureau Nieuwkomers’ van een gemeente wijst iedere nieuwkomer ook een persoonlijke trajectbegeleider toe. Het zijn vooral die begeleiders die kritiek hebben op de cursussen. “Met name organisatorisch schort er veel aan”, zegt Djûke Poppinga van het Bureau Nieuwkomers in Amsterdam- Noord. "Lesverzuim moet de school aan mij melden. Dat doet het ROC meestal niet. Ook gaan lessen regelmatig niet door, bijvoorbeeld doordat er geen vervanging is voor een zieke docent. Dan komen de cursisten voor niks.

De kinderopvang – een verantwoordelijkheid van de gemeente – is gebrekkig, terwijl de belangrijkste doelgroep hier bestaat uit jonge moeders. In het rooster van de ouders wordt ook geen rekening gehouden met de lestijden van schoolgaande kinderen. Een schande is het. Dan kun je als school toch niet beweren dat je ‘aanbod op maat’ levert? Aan de docenten ligt het niet: de cursussen zijn prima. Vooral de alfabetiseringscursussen zijn van hoge kwaliteit. Alleen voor hogeropgeleiden zijn de lessen misschien wat mager."

Wieslawa uit Polen heeft de cursus aan een ROC in Amsterdam afgerond: “Het idee achter de inburgeringslessen is goed. De meeste leraren doen echt hun best. Maar wat moet ik in een klas met 22 anderen van wie sommigen de leraar vragen stellen als ‘Meneer, waar ligt Rome?’ en ‘Wat is antibiotica?’ De selectie is niet goed. Eerst zat ik een profiel te laag, later te hoog. Ik beheerste de stof niet, maar slaagde wel voor alle toetsen.”

Katherine uit Bolivia heeft vooral aanmerkingen op de inhoud. “Te veel nadruk op grammatica”, vindt ze na een jaar inburgeren aan een ROC in Capelle aan den IJssel. " _De_of het, dat is voor mij niet belangrijk. Ik wilde leren spreken, maar in de cursus werd te weinig gepraat. De docent nam wel veel tijd om bijvoorbeeld meervoud uit te leggen." Ze stoorde zich ook aan de houding van medecursisten. “Ik zat tussen vrouwen die het rustig aan wilden doen. ‘Maakt niet uit of we nu of over tien jaar Nederlands kennen’, zeiden ze. Maar ik had geen tijd te verliezen. Ik wil hier Bouwkunde gaan studeren.” Ze verruilde de gratis inburgeringscursus voor een pittig geprijsde cursus aan de Technische Universiteit in Delft. “Het tempo ligt hoog en ik leer tenminste praten. Daar gaat het toch om?”

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.