Je leest:

De bedreigde oceaan

De bedreigde oceaan

Auteur: | 27 juni 2014

De zeeën en oceanen staan bloot aan bedreigingen die zeer divers zijn van aard, omvang en oorsprong. We belichten hier drie voorbeelden: visserij, vervuiling met plastic en mijnbouw.

Bedreigingen van zo’n enorm deel van het aardoppervlak als de oceaan vallen pas op als ze zelf ook immens zijn. De beelden van vervuilde kusten na scheepsrampen zoals die met de Torrey Canyon bij Cornwall (1967), de Amoco Cadiz bij Bretagne (1978), de Exxon Valdez bij Alaska (1989), of van recenter datum de explosie op het boorplatform Deepwater Horizon in de Golf van Mexico (2010) staan velen nog helder voor de geest. Toch zijn de vele kleine, sluipende bedreigingen per saldo groter. Dat gold lange tijd zelfs voor olievervuiling. Uit inventarisaties van de Nederlandse Zeevogelgroep blijkt dat er tot vrij recent, dag in dag uit vogels aanspoelen op het strand met stookolie op hun veren. Al die kleine beetjes samen hadden meer impact op het zeeleven dan die incidentele spectaculaire vervuilingen.

Dat probleem van incidentele vervuiling via bijvoorbeeld het lozen van zogenoemd bilgewater uit de machinekamers van schepen, is door strengere controles en technische maatregelen voor een groot deel aangepakt. Voor veel andere activiteiten op zee lijkt nog steeds te gelden dat de enorme omvang roekeloos maakt. Zó veel water, zó veel oppervlak, zó veel vis … waar maken we ons druk om?

Toch blijkt dat bijvoorbeeld door grootschalige visserij zelfs de meest omvangrijke visbestanden uitgeput kunnen worden. Een voorbeeld is de vangst van ansjovis voor de kust van Peru. Toen het visbestand door schommelingen in het klimaat in 1972 sterk afnam, en de vissers toch hun jaarlijkse vangst op peil wilden houden, stortte het bestand voor lange tijd in.

Een bedreiging van heel andere aard is de vervuiling met plastic. De wind en de rivieren brengen enorme hoeveelheden plastic van het land in de oceaan. Daar hebben zich spreekwoordelijke vuilnisbelten gevormd, waar per vierkante meter oceaan meer plastic dan plankton te vinden is.

Een bedreiging van recenter aard schuilt in de diepzeemijnbouw. Dankzij de voortgang van de techniek kunnen we nu bronnen van schaarse mineralen aanboren die voorheen onbereikbaar waren. Wat doet dit met het onderwatermilieu?

Visserij

Al sinds mensenheugenis halen we vissen, week-, schaal- en schelpdieren uit zowel het zoete als het zoute water. Er zijn zelfs theorieën die stellen dat wij de ontwikkeling van ons brein – op zijn minst gedeeltelijk – te danken hebben aan de consumptie van bepaalde vetzuren die in schelpdieren voorkomen.

Door fishing down the foodweb worden de grote soorten en individuen langzaam uit het ecosysteem verwijderd.
Elisa Carolus, Stroud

Er bestaan verschillende vormen van visserij. Vissen en inktvissen die zich in de waterfase bewegen worden gevangen door grote sleepnetten door het water te trekken, de zogenoemde pelagische trawls. Ook worden drijfnetten in het water te hangen, of lange lijnen met haken en aas achter schepen aan getrokken of in het water gehangen. Vissen en schaal- en schelpdieren op de bodem worden gevangen met ‘getrokken vistuigen’ zoals (boom)korren, bordentrawls, vislijnen met haken of met vallen waar aas in zit.

Visserij heeft verschillende effecten. Allereerst worden natuurlijk de doelsoorten gevangen en gedood. Dit leidt tot veranderingen in de populaties waarbij met name de oude en grote vissen zeldzaam worden of geheel verdwijnen. Daarnaast is er bijvangst van andere dieren die ook vaak worden gedood. Voorbeelden zijn zeezoogdieren en vogels die in netten verdrinken of aan de lange vislijnen worden gevangen. Ook de vangst van te kleine, zogenoemde ondermaatse vis, niet doelsoorten en ongewervelde organismen kan leiden tot afname van die soorten. Verder heeft bodemvisserij effecten op het bodemleven en op de bodemstructuur.

Tegelijk kan overboord gezette bijvangst ook een bron zijn van voedsel voor bijvoorbeeld zeevogels. Voor de Noordzee is ooit geschat dat ongeveer één miljoen vogels op het totaal van ongeveer 10 miljoen bestaat bij de gratie van deze door de mens gecreëerde extra voedselbron.

Bij overbevissing wordt er zoveel vis uit een bepaald gebied weggevangen dat het aantal sterk terugloopt en de soort soms zelfs geheel uit een gebied kan verdwijnen. Als de grote vissen verdwenen zijn verschuift de visserij vaak naar de kleinere soorten. De vermaarde Franse visserijbioloog Daniel Pauly heeft dit ooit op de kaart gezet als ‘fishing down the food web’. Zijn concept is recentelijk echter onder vuur komen te liggen, omdat ook sommige lager in het voedselweb voorkomende soorten die veel geld opbrengen direct worden bevist. Toch zijn er voldoende voorbeelden waarin Pauly’s concept wél opgaat. Dit geldt ook voor de Noordzee waar de gevangen vissen, bijvoorbeeld kabeljauw, vroeger veel groter waren. Ook werden hier vroeger heel andere soorten aangeland, zoals grote hoeveelheden roggen. Vaak weten we niet meer hoe het vroeger was en hebben we last van shifting baselines.

Shifting baselines

Het begrip shifting baselines of ‘veranderende ijkpunten’ wordt beschreven in het boek ‘The Unnatural History of the Sea’ van Callum Roberts. Vroeger zag het leven in de zee er heel anders uit en we zijn vergeten hoe dat was. In ons deel van de Noordzee zwommen voor een groot deel kraakbeenvissen als roggen en haaien. Grote delen van het continentaal plat onder de Noordzee waren bedekt met platte oesters, er waren paardenmosselbedden en de meeste vissen werden veel groter en ouder. Zo zwommen er tot ongeveer 1960 in de Noordzee zelfs blauwvintonijnen die wel zes meter lang waren! Hoewel ook andere factoren zoals klimaatverandering een rol kunnen spelen, is overbevissing toch de meest waarschijnlijke oorzaak van deze veranderingen.

In de Noordzee werkten ooit ook tonijnvissers.
Wikimedia Commons

Een ander voorbeeld van de veranderende ijkpunten zijn de enorme oesterbanken in de Noordzee. Uit de Visatlas van Olsen uit 1883 blijkt dat er aan het eind van de negentiende eeuw zo’n 20.000 vierkante kilometer van de Noordzee­bodem bedekt was met oesters. De helft daarvan lag in het Nederlandse deel. Door overbevissing, veranderende zeestromen en mogelijk ziekten, zijn al die oesters volledig verdwenen. Alleen de naam Oestergronden herinnert hier nog aan.

Klimaat of visserij?

De hoeveelheden vis in zee zijn zeer veranderlijk. Vaak krijgt de mens de schuld als vissen verdwijnen, maar dit is niet altijd terecht. Veranderend klimaat en veranderende zeestromingen hebben ook grote effecten, zowel op de visproductie als op de locatie waar ze voorkomen. Tussen de twaalfde en de zestiende eeuw was de haringvisserij een belangrijke economische pijler onder de welvaart rond de Noordzee. Het Hanzeverbond steunde er op. Maar de haringpopulaties zaten lang niet altijd op dezelfde plaats en daarmee ook niet altijd in de invloedzone van hetzelfde land. Dit leidde regelmatig tot conflicten en zelfs oorlogen.

Deze grootschalige verschuivingen hangen vaak samen met temperatuurschommelingen. Ook in onze tijd zien we zulke schommelingen. Die worden wel regime shifts genoemd. Zo verdwenen rond 1990 de platvissen uit de Waddenzee en zagen we soortverschuivingen in de Noordzee terwijl de kabeljauwstand bij de Verenigde Staten en Canada instortte. Het gelijktijdig voorkomen van dit soort veranderingen wijst op grootschalige invloeden. Het gegeven dat rond 1990 ook de temperatuur een sprong maakte, wijst op een duidelijke invloed van het klimaat. Dit leidt er toe dat vispopulaties soms sterk toenemen of juist sterk dalen. In dat laatste geval gaat het vaak mis omdat de visserij dezelfde hoeveelheden wil blijven vangen en dus een tandje bij zet. Op zo’n moment dreigt juist nog meer overbevissing. Duurzame visserij moet dan ook rekening houden met de natuurlijke variaties van het systeem.

Visserij in de oceaan

Ook in de oceaan zijn er problemen met de visserij die extra lastig zijn omdat het internationale wateren betreft waar afspraken en regelingen moeilijker zijn te implementeren. Met grote netten en lange behaakte lijnen worden veel vissen en inktvissen gevangen. Voor sommige soorten zoals tonijnen, zwaardvissen en grote haaien heeft dit tot enorme afname in de populaties geleid. Ook wordt er meer en meer met trawls op de oceaanbodem gevist, tot grote diepte. Op diverse plaatsen op die bodem worden zogenaamde koudwaterkoralen gevonden. De trawlvisserij is funest voor deze fragiele organismen die er duizenden jaren over hebben gedaan om riffen te vormen. Ook halen vissers er soorten uit die heel oud kunnen worden, zoals de keizerbaars of de oranje zaagbuikvis, waarvan exemplaren bekend zijn van 149 jaar oud. Als we op dezelfde manier blijven vissen als nu zullen er weinig van deze oude soorten overblijven.

Inmiddels zijn er internationale verdragen waarin delen van de oceaanbodem worden beschermd via een verbod op het trawlen. Bekende voorbeelden zijn onderzeese bergen en vulkanen met een zeer rijk bodemleven vol koralen en sponsvelden. De bescherming wordt beter, maar is vaak moeilijk te controleren. Er zijn nog vele gebieden waar het beter kan en moet.

Duurzame visserij

De dalende visbestanden zijn al lange tijd aanleiding voor beschermingsmaatregelen. Zo zijn er quota en minimum aanlandingsmaten voor vele soorten. Op geregelde tijden, meestal jaarlijks, wordt door visserijbiologen vastgesteld hoe groot de populaties zijn en hoe die qua grootte en leeftijd zijn opgebouwd. Deze gegevens worden verwerkt tot een vangstadvies dat door de internationale politiek in te vangen quota wordt omgezet. Tegenwoordig is daarbij het streven om zoveel mogelijk uit te gaan van de maximale duurzame opbrengst, de Maximum Sustainable Yield, MSY. Voor een aantal soorten, zoals schol in de Noordzee, lijkt dit nu goed te werken. Toch wordt meer dan de helft van de commerciële soorten in de Noordzee nog niet volgens die MSY bevist. De schatting is dat wereldwijd nog steeds zeker een derde van de verhandelde vissoorten wordt overbevist.

Er zijn ook andere vormen van duurzame visserij, waarbij naast een minimum maat ook een maximum maat geldt. In de Verenigde Staten past men dit toe op de lijnvisserij op haaien. De vissers moeten zowel te kleine als te grote exemplaren terugzetten in zee. Op die manier houdt de populatie een meer natuurlijke leeftijdsopbouw.

Voor een écht duurzame visserij moet er ook iets gebeuren aan de neveneffecten, zoals bijvangst van vogels en zeezoogdieren, en schade aan het bodemsysteem. Bijvangst van bijvoorbeeld dolfijnen en bruinvissen in zogenoemde staande wanden kan deels worden voorkomen door het gebruik van ‘pingers’. Dat zijn apparaatjes die een voor deze dieren onaangenaam geluid maken, waardoor ze de netten mijden. Bijvangst van bijvoorbeeld albatrossen is een groot probleem in de lijnvisserij, bijvoorbeeld op inktvissen. Door te zorgen dat deze lijnen zo diep mogelijk blijven en loodrecht naar de boot worden gehaald zijn deze bijvangsten te beperken.

Trawlvisserij met sleepnetten veroorzaakt veel bodemschade. In de Noordzee heeft dit tot grote veranderingen in het bodemleven geleid. Nederlandse vissers werkten eerst ook met bodemtrawls maar sinds circa 1960 is de boomkor het belangrijkste vistuig. Bij die vorm van visserij wordt het sleepnet opengehouden door een ijzeren boom, terwijl voor het net kettingen over de bodem rollen om de tongen en schollen op te schrikken en in het net te jagen. Dit ploegt letterlijk de bodem om en vele hiervoor gevoelige soorten zijn uit het systeem verdwenen.

Sinds kort vissen boomkorvissers men de zogenoemde sumwing. Dat is een soort vliegtuigvleugel die over de bodem zweeft. Door dit te combineren met een pulskor die de vis niet met kettingen maar met stroomstoten opschrikt, wordt de bodemschade minder. Toch worden op de bodem levende dieren ook hiermee nog steeds verstoord en gedood. Om dat te voorkomen is het nodig mariene beschermde gebieden of zeereservaten in te richten, waar de visserij verboden is of op zijn minst zeer streng gereguleerd. In de Noordzee is een aantal van deze gebieden aangewezen, maar omdat die gebieden klein en versnipperd zijn en omdat sommige vormen van visserij wel worden toegestaan is de effectiviteit twijfelachtig. Wat dat betreft kunnen we iets leren van Australië.

Industriële visserij legt een grote druk op de visbestanden.
Shutterstock

Australië als duurzaam voorbeeld

Rond het Groot Barrièrerif voor de oostkust van Australië is veel onderzoek gedaan waaruit we kunnen leren hoe mariene ecosystemen duurzaam geëxploiteerd en ook beschermd kunnen worden. Al sinds 1975 is dit een beschermd gebied. Het beschermen van alleen de koraalriffen leidde niet tot het beoogde ecosysteemdoel. Vanaf 2004 heeft Australië het beheerregime drastisch aangepakt en de beschermde gebieden vergroot. Nu is minimaal 20% van elk voorkomend habitattype beschermd en heeft elke zone op zee een breedte van op zijn minst twintig kilometer in het smalste deel. Dit heeft geleid tot snelle veranderingen in voor visserij gesloten gebieden, de zogenoemde no-take zones. Daar komen nu hogere aantallen en biomassa’s van belangrijke vissoorten voor. Ook zijn de vissen er groter. In de zones die niet alleen voor de visserij maar ook voor alle andere schepen gesloten zijn – de no-entry zones – zijn de visaantallen nog groter zijn en vinden nog meer soorten bescherming. Mogelijk komt dit omdat de visserijdruk in de gesloten zones door stroperij eigenlijk nog steeds hoog is. Dit geeft aan dat goede controle noodzakelijk is. In zones waar simpelweg niemand mag komen is dat makkelijker.

Naast meer en grotere vissen blijkt dat in de volledig beschermde zones het voedselweb natuurlijker is met meer toppredatoren. Ook hebben de no-take zones een uitstralend effect naar andere gebieden, bijvoorbeeld omdat grotere vissen meer jongen voortbrengen. Het Groot Barrièrerif leert ook dat alleen no-take zones niet genoeg zijn en dat effectief nakomen en handhaving van de regelgeving noodzakelijk is voor échte bescherming van de biodiversiteit. Controle is cruciaal, rechte grenzen, no-take zones en no-go zones, vergroting van de gebieden, alle biologische kenmerken beschermen en grote aaneengesloten gebieden zijn hier de sleutelbegrippen.

Toekomst mét visserij?

Vis is lekker. Tenminste, dat vinden velen. Het is ontegenzeggelijk ook gezond. Toch zijn veel vormen van visserij nog steeds een vorm van jacht die niet meer van deze tijd is. We moeten over het hele front op een veel duurzamere manier gaan vissen. De visbestanden mogen alleen tot een bepaalde duurzame opbrengst worden bevist. We zullen moeten streven naar een natuurlijke opbouw van vispopulaties, inclusief oude en grote exemplaren. Daarvoor moeten we niet alleen minimale maar ook maximale aanlandlengtes vaststellen. We zullen altijd moeten kiezen voor de meest milieuvriendelijke methode van visserij en de echt schadelijke vormen terugdringen of zelfs helemaal verbieden. Naar Australisch voorbeeld moeten we grote zeereservaten inrichten met zowel no-take als no-go zones. In die reservaten kan de natuur zich ontwikkelen zoals dat kan zonder een voortdurende visserijdruk op populaties of de leefomgeving.

Het visserijmanagement van de internationale gemeenschap moet uitgaan van een integrale ecosysteem benadering, dus niet alleen naar vissen kijken, maar naar het systeem als geheel. De EU werkt nu al met systeemindicatoren, zoals biodiversiteit, bodemintegriteit en voedselwebben. Hoewel dit nog moeilijk te hanteren begrippen zijn, zullen die wel de maat gaan worden waarlangs we de goede staat van instandhouding van onze zee gaan beoordelen. Dit zal bijdragen tot meer duurzaamheid in de visserij.

De wereldbevolking groeit nog snel en de vraag om gezond voedsel blijft toenemen. De wereldzeeën kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan voedselzekerheid mits de visbestanden duurzaam worden geëxploiteerd met visserijmethoden die een minimale negatieve invloed hebben op het ecosysteem. Mogelijk dat aquacultuur ook in open zee de toekomst wordt, al zitten ook daar nog veel ecologische haken en ogen aan. Op termijn is er een fosfaattekort voor onze voedselproductie. In de diepzee zit veel fosfaat en mogelijk kunnen we die mobiliseren door dit naar boven te halen en voor algen en visproductie te gebruiken.

Er ligt, kortom, een zee aan mogelijkheden, maar om tot echte duurzaamheid te komen is nog veel kennis nodig van het complexe functioneren van het mariene systeem en de invloed van de mens daarop. Ook het wetenschappelijk onderzoek kan daaraan bijdragen. En vervolgens is de uitdaging om het ecologisch wenselijke, juridisch mogelijke en politiek haalbare optimum te vinden.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 juni 2014

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.