Je leest:

De autismeparadox: wel gevoelig maar niet empathisch

De autismeparadox: wel gevoelig maar niet empathisch

Auteur: | 16 oktober 2008

Wetenschappers nemen aan dat autisten moeite hebben met sociaal contact omdat ze geen empathie voelen. Ze zouden een ‘extreem mannelijk brein’ hebben, dan niet zozeer is ingericht op het – volgens deze theorie vrouwelijke – invoelen van emoties, maar op het doorgronden van systemen. Nieuw onderzoek laat echter een ander beeld zien: autisten blijken op onbewust niveau juist overgevoelig te zijn voor de emoties van anderen. Wat zegt dat over autisme? En over mannen en vrouwen?

Niet iedere autist kan zo snel lucifers tellen als Rain Man. En mensen met het syndroom van Asperger leren niet allemaal in één week IJslands, zoals Daniel Tammett. Dit soort huzarenstukjes zijn voorbehouden aan een enkeling die lijdt aan een stoornis uit het autisme-spectrum (ASS). Wat autisten wél gemeen hebben is hun moeite met sociaal contact. Ze vermijden het liever, ze snappen het niet echt, ze zijn er niet goed in: op de een of andere manier ontbreekt bij hen iets dat voor de meeste mensen een tweede natuur is.

Wetenschappers nemen daarom aan dat autisten geen empathie voelen. De Britse psycholoog Simon Baron-Cohen noemt het ‘geestelijke blindheid’. “Autisme is een afwijking in empathie: patiënten hebben grote problemen met het ‘gedachtelezen’ of met het zichzelf in de positie van een ander indenken, met het kijken naar de wereld door de ogen van een ander en met het adequaat reageren op de gevoelens van een ander”, schrijft hij in zijn boek ‘The essential difference’.

Niet iedere autist kan zo snel lucifers tellen als Rain Man. Maar alle mensen met een stoornis uit het autisme spectrum hebben wel in meer of mindere mate moeite met sociaal contact en het reageren op andermans emoties.

Een extreem mannelijk brein

In dat boek zet Baron-Cohen ook zijn theorie over de oorzaak van dit gebrek aan empathie uiteen. Want, zo stelt hij, autisten hebben een extreem mannelijk brein. Ze zijn als het ware een doorgeschoten versie van de ‘gewone man’, die gemiddeld al minder empathisch is dan een ‘gewone vrouw’. In plaats daarvan hebben mannen meer op met het begrijpen en ontwerpen van allerhande systemen, aldus Baron-Cohen. En dat systeemdenken is ook iets waar autisten met een hoog of normaal IQ erg goed in zijn. Bovendien zijn er meer mannen met autisme dan vrouwen. Viola! De puzzelstukjes passen mooi in elkaar.

Bovendien dragen andere onderzoekers nog meer passende stukjes aan. Zo ontdekte de Amsterdamse psychologe Rosa Hoekstra dat het aantal mensen met autismeachtige trekjes onder bèta-studenten (systeemdenken vereist) een stuk hoger is dan bij de sociale of letterkundige richtingen. Het lijkt dan ook geen toeval te zijn dat in de exacte hoek de mannen ook zwaar oververtegenwoordigd zijn. Om hier uit te blinken, kun je beter een beetje autist zijn, en dat ‘overkomt’ mannen nu eenmaal vaker dan vrouwen.

De theorie lijkt rond en bewezen: vrouwen zijn empathischer dan mannen, die net wat autistischer zijn dan vrouwen, en autisten hebben dus een extreem mannelijk brein. Daardoor herkennen en verwerken ze de emoties van anderen niet goed, wat hen in sociale problemen brengt. Toch zit de werkelijkheid waarschijnlijk iets ingewikkelder in elkaar.

Autistische kinderen blijken toch empathisch

Dat bleek bijvoorbeeld toen Nurit Yirmiya en haar Amerikaanse collega’s van UCLA tot hun verbazing moesten concluderen dat autisten nog best goed scoorden op empathie. De 18 autistische kinderen bleken bijvoorbeeld goed in staat om de emoties van anderen te benoemen, om het perspectief van een ander aan te nemen en om empathisch te reageren op de gevoelens van anderen. Op al deze tests scoorden ze maar iets lager dan andere kinderen.

Als autistische kinderen de rust en tijd krijgen om de emoties van anderen in te schatten en te verwerken, zijn ze maar iets minder empathisch dan andere kinderen. Dat roept de vraag op of het gebrek aan empathie misschien niet komt door een extreem mannelijk, systeemdenkend brein, maar door iets anders dat ervoor zorgt dat ze emotionele informatie van anderen minder snel of goed verwerken.

Dit klinkt niet als de extreem mannelijk, niet-empathische autist waar we net bekend mee waren geraakt. Hoe kan het zijn dat Yirmiya en Baron-Cohen tot zulke verschillende conclusies kwamen? Een deel van het antwoord zit hem in de opzet van het onderzoek. De omstandigheden tijdens Yirmiya’s onderzoek waren voor autisten ideaal: er werd geen druk op de kinderen gelegd en de situatie was rustig en zonder veel afleiding. Buiten het laboratorium, in de rommelige buitenwereld, zouden de autistische kinderen waarschijnlijk veel minder empathisch reageren omdat ze daar minder rust en tijd hebben om de emoties van anderen in de schatten en te verwerken.

Overgevoelig voor emotionele gezichten

Dat ontdekte ook de onlangs gepromoveerde Utrechtse onderzoeker Maurice Magnée. Hij concludeert dat autisten moeite hebben om – bijvoorbeeld tijdens een gesprek – meerdere aspecten (de stem, de gezichtsuitdrukking) tegelijkertijd in de gaten te houden. Dit geldt zeker als de omstandigheden niet ideaal zijn, omdat er veel ‘ruis’ aanwezig is waardoor het gezicht moeilijker te zien is en de stem minder goed te horen. “Onder dagelijkse omstandigheden komt het vaak voor dat er een bepaalde vorm van ruis klinkt, of achtergrond rumoer, en is het dus voor mensen met ASS [Autisme Spectrum Stoornissen, red.] moeilijker om het juiste signaal eruit te filteren”, aldus Magnée.

Geen ‘geestelijke blindheid’ dus, maar een storing in de informatieverwerking? Daar lijkt het wel op, blijkt uit een ander deel van Magnée’s onderzoek, waarin hij keek hoe autisten – onbewust – reageren op het zien van emoties bij iemand anders. Tot zijn grote verrassing ontdekte hij dat autisten juist sterker reageren op zowel blije als bange gezichten dan normale mensen. Ze blijken dus juist extra gevoelig. “Mensen met ASS kijken mogelijk juist door deze overgevoeligheid minder graag naar gezichten. Om deze reden worden ze misschien als minder ‘empathisch’ omschreven, ten minste: vanaf de buitenkant lijkt dat zo.”

Mensen met autisme blijken in het onderzoek van Magnée juist extra gevoelig. Het klinkt als een paradox: wellicht zijn autisten zo gevoelig dat ze vanaf de buitenkant niet empathisch lijken.

Op zoek naar ‘ware’ empathie: een zaak van het bewustzijn?

Magnée is wel voorzichtig als ik hem vraag naar de gevolgen voor de theorie van Baron-Cohen, die er immers om draait dat autisten mínder gevoelig zijn voor de emoties van anderen. Hij vindt dat je de vergelijking niet zomaar kunt maken. “Het idee van Baron-Cohen dat mensen met ASS minder empathisch zouden zijn is gebaseerd op gedragsmatig onderzoek, waarin moeilijk onderscheid gemaakt kan worden tussen wat er is aangeleerd en wat ‘ware’ empathie is. In mijn onderzoek meet ik hele snelle en automatische processen, die niet beïnvloed zijn door bewuste beïnvloeding. Omdat we hier spreken over processen die grotendeels buiten de bewuste verwerking plaatsvinden, kun je naar mijn idee niet zeggen dat het iets zegt over empathisch vermogen”, meent Magnée.

Dat autisten veel gevoeliger zijn voor de emoties van anderen maakt ze dus niet automatisch empathischer, omdat ze – mogelijk door die hypergevoeligheid – er geen gevolg aan geven. Het zou best kunnen dat ze bijvoorbeeld onbewust zo overdonderd zijn door iemands verdriet, dat ze dichtslaan en dus niet eens op het idee komen om een arm om iemand heen te slaan. Ergens in hun brein gaat het mis tussen de eerste reactie op een emotionele situatie en het gevolg geven daaraan.

Een hersenproces vol spiegelneuronen

Empathie is klaarblijkelijk geen kant-en-klare eigenschap, maar een proces in de hersenen dat op een bepaalde manier doorlopen dient te worden. Onbewuste gevoeligheid is de eerste stap, empathisch gedrag de laatste. Wat gebeurt er daartussen? Dat vroegen ook hersenwetenschapper Lauri Carr en haar collega’s zich af. Volgens hen is action representation – je een voorstelling maken van het gedrag van een ander – cruciaal voor empathie.

In het brein zitten hersencellen (neuronen) die een emotie die je bij een ander ziet precies imiteren. Je hebt dan dezelfde hersenactiviteit als wanneer je zelf die emotie zou voelen. Soms doet het brein dat zo enthousiast, dat je niet alleen voelt wat de ander voelt, maar ook de gezichtsuitdrukking die daarbij hoort onbewust nadoet. Je bent dan als het ware een spiegel. Vandaar dat we de neuronen die daarvoor verantwoordelijk zijn ‘spiegelneuronen’ noemen.

In de hersenen gaat dat ongeveer als volgt. Je ziet een emotie (bijvoorbeeld een verdrietig gezicht) en je brein reageert daarop door ook een verdrietig gezicht te maken. Hiervoor zijn zogenaamde spiegelneuronen nodig: hersencellen die bewegingen van anderen – in ons hoofd en vaak ook ‘in het echt’ – na-apen.

Gebieden met spiegelneuronen zitten op verschillende plekken in ons brein, maar bij het voelen van empathie speelt volgens Carr en co de insula een sleutelrol. Dit hersengebiedje is namelijk een soort doorgeefluik tussen het deel van het brein waar emoties worden verwerkt en de verschillende zones op onze cortex. Deze buitenste laag van de hersenen gebruiken we onder meer voor beweging (bijvoorbeeld om een emotionele gezichtsuitdrukking te imiteren), geheugen (“toen mijn cavia doodging was ik ook zo verdrietig”) en planning (“laat ik een knuffel uitdelen”).

Autisme: een ‘gebroken spiegel’

Spiegelneuronen zijn dus cruciaal voor empathie. Juist daarom denken veel wetenschappers dat autisten minder actieve spiegelneuronen hebben – de broken mirror theorie – en dat ze daardoor moeite hebben met sociale interactie. De Britse onderzoeker Justin Williams is één van hen. Hij denkt dat bij sommige kinderen vroeg in de ontwikkeling er iets mis gaat met deze bijzondere neuronen, waardoor een soort domino-effect van steeds meer ontwikkelingsstoornissen optreedt. Het resultaat: autisme.

Volgens de ‘gebroken spiegel’ theorie hebben autisten onvoldoende of minder actieve spiegelneuronen.

De Amerikaanse onderzoeker Lindsay Oberman en haar collega’s gebruikten een hersenscanner om te testen of autisten inderdaad een probleem met hun spiegelneuronen hebben. Autisten met een normaal IQ en gezonde mensen kregen een video te zien waarop een hand aan het bewegen was. Ondertussen kon Oberman meten hoe moeilijk het voor de videokijker was om de door spiegelneuronen gecreëerde impuls om ook de eigen hand te bewegen, te onderdrukken. Wat bleek? De gezonde deelnemers hadden het hier veel moeilijker mee dan de autistische proefpersonen.

Gezocht: een spiegelimpuls (m/v)

Maar wat zegt dat nu over Baron-Cohen’s theorie over het extreem mannelijke brein dat autisten zouden hebben? Dat wilden ook de Taiwanese neurowetenschapper Cheng en een vijftal vakgenoten graag weten. Samen hebben ze daarom uitgezocht of er ook een man-vrouwverschil zit in spiegelneuronenactiviteit. Ze herhaalden het experiment van Oberman en co bij 20 niet-autistische mannen en vrouwen. En inderdaad: de mannen hadden iets minder moeite om hun ‘spiegelimpuls’ te onderdrukken dan vrouwen. De Taiwanezen concludeerden dan ook dat hun experiment bewijs levert voor zowel de ‘defecte spiegelneuronentheorie’ als de ‘extreem mannelijk brein’ theorie.

Weer lijken alle puzzelstukjes fraai in elkaar te passen. En weer blijkt de werkelijkheid ingewikkelder. Wanneer Cheng en collega’s namelijk geen filmpje van een bewegende hand lieten zien aan hun proefpersonen, maar een bewegende stip, dan bleken de mannen juist sterker werkende spiegelneuronen te hebben. Hoe sterk de spiegelimpuls is, lijkt dus afhankelijk van de context. En dat werpt de vraag op of het verband tussen spiegelneuronen en empathie wel zo rechtlijnig is als wetenschappers aannemen.

Of toch niet? Hoe goed je spiegelneuronen het doen, lijkt afhankelijk te zijn van wat er gespiegeld moet worden. En dat maakt het nogal moeilijk om op basis van spiegelexperimenten iets te zeggen over autisme en man-vrouwverschillen.

Empathie is een keuze

Precies dat bezwaar formuleren de Britse psychologen Victoria Southgate en Antonia F. de C. Hamilton vorige maand in het vakblad Trends in cognitive sciences. Zij menen dat een kapot spiegelsysteem veel meer problemen met zich mee zou brengen dan alleen autisme.

Bovendien wijzen ze erop dat gezonde mensen een zekere mate van selectie toepassen voordat ze aan het spiegelen en imiteren slaan. We apen niet alles zomaar na. Nu is gebleken, schrijven Southgate en Hamilton, dat autisten vooral slecht scoren bij experimenten waarbij ze niet expliciet is gevraagd om te imiteren. Uit andere onderzoeken – zoals dat van Yirmiya en Magnée – blijkt dat autistische kinderen en volwassenen zowel automatisch als bewust wel imiteren en reageren op andermans emoties. Het is dus niet zo dat mensen met autisme niet kúnnen imiteren, ze kíezen ervoor om het niet te doen.

De vraag is natuurlijk waarom ze die keuze maken. Southgate en Hamilton wijzen op onderzoek waaruit blijkt dat autistische kinderen tijdens hun ontwikkeling – in tegenstelling tot gezonde kinderen – niet uit hun omgeving afleiden hoe ze moeten imiteren. Bijvoorbeeld omdat ze niet ze gevoelig zijn voor sociale signalen, of – volgens de theorie van Magnée – omdat ze hier juist hypergevoelig voor zijn.

Misschien zijn autisten minder sociaal vaardig omdat iets in hun brein ervoor zorgt dat ze niet de (onbewuste) keuze maken om empathisch te zijn. Hun ‘geestelijke blindheid’ komt dan niet voort uit een fundamenteel onvermogen om de emoties van anderen in te voelen – zoals Baron-Cohen denkt – maar doordat iets in hun autisme ervoor zorgt dat ze hun empathische kant niet (kunnen) aanspreken.

De autismepuzzel: onopgelost en paradoxaal

Het empathisch vermogen van het autistische brein blijft dus een raadsel. Kijk je naar bewust gedrag, dan lijkt de extreem mannelijk brein theorie van Baron-Cohen te kloppen: autisten lijken niet te reageren op de emoties van anderen. Maar ze kunnen wel bewust emoties imiteren, ontdekte Yiryima, en ook onbewuste imitatie is geen probleem, aldus het onderzoek van Magnée.

Een kijkje in het brein biedt evenmin duidelijkheid: net als je denkt dat vrouwen een sterke spiegelimpuls hebben, en mannen een lichtere, en autisten nog minder, gooit een experiment met een bewegende stip roet in het eten. En dan blijkt dat het wellicht zo is dat autisten best empathisch kunnen zijn, maar er gewoon niet voor kiezen. Misschien wel omdat ze onbewust te gevoelig zijn voor de emoties van anderen. En maakt dat mensen met autisme nou juist wel of niet empathisch? En wat zegt dat over mannen en vrouwen?

Autisme is – en blijft, voorlopig – een mysterie. Niet alleen voor de psychiatrie, maar ook voor de biologie en de neurologie. Op elk niveau, van gedrag tot automatische reactie, van hersengebied tot neuronen, is weer een nieuw stukje van de puzzel te vinden. De oplossing van die puzzel is nooit simpel. De mens is een ingewikkeld ding.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 oktober 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.