Je leest:

“De allermoeilijkste taal die er is”

“De allermoeilijkste taal die er is”

Struikelblokken in het Nederlands

Auteur: | 1 juni 2008

Het geniepige woordje ‘er’, de warrige wisselingen in de woordvolgorde, het willekeurige gebruik van ‘de’ en ‘het’: volwassen buitenlanders die onze taal leren, blijven worstelen met een aantal eigenaardigheden van het Nederlands. Jan Erik Grezel zet uiteen waarmee je bij het leren van het Nederlands als tweede taal zoal te maken krijgt.

“Dé Nederlander bestaat niet.” Alsof ze voorvoelt dat deze uitspraak veel stof zal doen opwaaien, kijkt prinses Máxima bij dit zinnetje op van haar papier, recht de zaal in. En ze vervolgt: “Als troost kan ik u zeggen dat dé Argentijn bestaat ook niet.”

Zo stond dat natuurlijk niet in haar geruchtmakende toespraak van 24 september 2007, maar, losgekomen van de geschreven tekst, zéí ze het wel – met die typische ‘hoofdzinvolgorde in de bijzin’ waaraan je buitenlanders onmiddellijk herkent. Geen misverstand: de prinses spreekt vrijwel vlekkeloos Nederlands. Het stadium van struikelen is ze allang gepasseerd. Wel verstapt ze zich in haar spontaniteit een enkele keer.

Dat doet ook Haci Karacaer, oud-directeur van de Turkse sociaal-culturele moslimorganisatie Milli Görüs. In een opiniestuk in NRC Handelsblad noemde hij de toespraak van Máxima geweldig “omdat zij haar persoonlijke ervaring, haar zoektocht, met ons heeft gedeeld”. Voor Karacaer, in 1982 als twintigjarige naar Nederland gekomen, is die zoektocht naar de Nederlandse identiteit een feest van herkenning. Karacaer luistert naar liedjes van Wim Sonneveld en hij houdt van drop – gewoonlijk een gruwel voor wie hier niet geboren is.

Om uit te leggen hoe hij in de afgelopen 25 jaar van Nederland is gaan houden, vertelt hij een parabel over een spel tussen de wind en de zon. Die doen een wedstrijd: wie lukt het om de mensen zover te krijgen dat ze zich ontkleden? “Hoe harder de wind gaat waaien, hoe krachtiger de mensen zich verzetten. Hierna mag de zon proberen. De zon schijnt voorzichtig. Mensen beginnen het warm te krijgen. De eerste knop is los.” De zon wint natuurlijk. Karacaer besluit: “Ik kan ook niets aan doen dat ik als Koerdische kind op het platteland van Turkije geboren ben. Dus ik houd van waar ik geboren ben maar ik houd ook van waar ik woon en leef.”

Inktspatten

Karacaers stuk is redactioneel blijkbaar niet bijgeschaafd. De Koerd verwoordt zijn standpunt helder. Op stijl en structuur valt weinig aan te merken. Niettemin blijven Nederlandse lezers even haken: aan een verkeerd woordje (“knop” in plaats van knoop, “is” in plaats van gaat), een onjuiste verbuiging (“als Koerdische kind”), en het ontbreken van het loze het in “Hierna mag de zon proberen” en van het ongrijpbare er in “Ik kan ook niets aan doen dat …” Deze foutjes staan een goed begrip niet in de weg. Maar ze vallen wel direct in het oog, als inktspatten op een onberispelijke brief. Vooral het contrast bevreemdt. Karacaer smeedt soms ingewikkelde zinnen – foutloos. Toch vertoont zijn taalgebruik mankementen. Dit roept de vraag op: is het Nederlands eigenlijk wel tot in de finesses te beheersen voor niet-Nederlanders? Het is alsof onze taal zijn geheimen met tegenzin prijsgeeft tegenover vreemdelingen. Wat maakt het Nederlands zo weerbarstig?

Het is een bekend fenomeen: het leren beheersen van een tweede of vreemde taal op volwassen leeftijd kost grote moeite. Tot perfectie leidt het leerproces zelden. Wel zijn er grote individuele verschillen. De ene buitenlander spreekt zelfs na twintig jaar verblijf in ons land nog altijd rudimentair Nederlands, de ander kan zich binnen een jaar zeer goed verstaanbaar maken. Bij kinderen die een tweede taal leren zijn die verschillen veel minder groot. Zij pikken een andere taal spelenderwijs op – tot de leeftijd van ongeveer tien jaar. Met verbluffende resultaten. Ze bereiken vrijwel allemaal, schijnbaar zonder inspanning, een ‘moedertaalniveau’, ook in de uitspraak. Volwassenen lukt dat laatste slechts bij hoge uitzondering.

Medium
Turkse en Marokkaanse leerders van het Nederlands hebben vaak veel moeite met het vervoegen van werkwoorden. Je ziet bij hen vaak hetzelfde patroon: eerst gebruiken ze geen of alleen onvervoegde werkwoorden, later gebruiken ze hulpwerkwoorden en ten slotte worden alle werkwoorden goed vervoegd.
Karien van Boxel

Elasticiteit

De verklaring voor dit verschil tussen jong en oud zou liggen in de elasticiteit van de jonge hersenen. Bij kinderen kunnen de hersenen nog ‘gevormd’ worden naar zintuiglijke indrukken, dus ook bijvoorbeeld naar klanken die zij opvangen en die ze vervolgens haarscherp kunnen reproduceren. Veel meer dan volwassenen leren kinderen een taal vooral auditief: door zeer veel te luisteren. Volwassenen stuiten op de biologische barrière die een taalverwerving- met-kinderlijk-gemak verhindert. Zo horen ze het verschil tussen de en het(‘ut’) gewoonweg niet en moeten ze het heel bewust leren: dé krant, hét boek. Anders gezegd: kinderen leren een taal veelal ‘impliciet’, zonder bijvoorbeeld veel over regels en uitzonderingen na te denken. Volwassenen zijn meer aangewezen op bewust of ‘expliciet’ leren, omdat het vermogen tot impliciet leren na het tiende levensjaar afneemt. Zij moeten woorden en frasen in hun hoofd stampen, ze leren allerlei regels en uitzonderingen. Niet iedereen lukt dat even goed. Dat verklaart waardoor er zulke grote individuele verschillen in leerresultaat kunnen ontstaan. Expliciet leren waarborgt ook geen perfectie: bij spontaan taalgebruik worden al die regels en uitzonderingen gemakkelijk veronachtzaamd. Expliciet leren leidt tot kennis, niet – of slechts indirect – tot vaardigheid.

Kinderen mogen een tweede taal dan soepel, snel en perfect verwerven, hun beheersing is ook vluchtig. Noam Chomsky, de vermaarde Amerikaanse linguïst, woonde ooit enige tijd met zijn gezin in Italië en deed verwoede pogingen het Italiaans machtig te worden. Bij zijn gestuntel om in een pizzeria de bestelling te doen verloor zijn jongste zoon z’n geduld en nam het in vloeiend Italiaans van zijn vader over. De beroemde taalkundige was stomverbaasd want hij wist niet dat zijn zoon al zo veel Italiaans had opgepikt. Maar, zo gaat het verhaal verder, terug in Amerika kende de zoon een jaar later geen woord Italiaans meer, terwijl Chomsky zelf al dat Italiaans nog in zijn hoofd had.

Tweedetaalschrijvers

Het leren van een tweede taal is bij volwassenen weliswaar vaak geploeter, maar het kan toch tot uitstekende en blijvende resultaten leiden. Luister naar Máxima, zie Karacaer, hoor Ayaan Hirsi Ali. De van oorsprong Poolse schrijver Joseph Conrad publiceerde pas rond zijn veertigste in het Engels. Dat proza behoort tot de top van de wereldliteratuur. De Chinese romanschrijfster Ying Chen vestigde zich in 1989 op 27-jarige leeftijd in Quebec. Drie jaar later publiceerde ze haar eerste roman in het Frans en sindsdien is ze een gevierd auteur. Nederland kent sinds jaar en dag ook zijn migrantenschrijvers.

Zijn deze ‘tweedetaalschrijvers’ volwassen wonderkinderen? Hebben hun hersenen de lenigheid uit de kindertijd behouden? Conrad was ongetwijfeld een groot talent. Maar van sommige migrantenschrijvers is mij bekend dat het Nederlands in hun manuscripten tot ernstige migraineklachten bij de uitgeverij kan leiden. Ying Chen vertelt nuchter over de sleutel tot haar succes: Frans leren was gewoon keihard werken. Wel gebruikte ze een wat vergeten methode – elke dag een half uur lang hardop Franse teksten lezen. Zo zijn er, naast een efficiënte aanpak, tal van andere factoren die het taalleren beïnvloeden, zoals motivatie, discipline, ijver, vooropleiding en ervaring met leren. Natuurlijk spreekt de moedertaal een aardig mondje mee. Belangrijk zijn bovenal de noodzaak én de gelegenheid de tweede taal voortdurend te horen en te gebruiken. We vergeten weleens dat die noodzaak bij kinderen bijzonder groot is – een kwestie van over- leven. Bovendien horen zij vele uren per dag de tweede taal om zich heen. Als zich voor volwassenen dezelfde omstandigheden voordoen, leren zij een tweede taal ook heel goed beheersen. Máxima móést wel.

Kennen of weten?

Blijven de struikelblokken, ook voor wie al een hoog niveau bereikt heeft. De rede van Máxima en het stuk van Karacaer geven onbedoeld inzicht in de hardnekkigheid van de problemen met het Nederlands: de woordvolgorde, het gebruik van er en het, de lidwoorden – en alle consequenties die de keuze tussen deen hetmet zich meebrengt, zoals welk of welke, deze/die of dit/dat en goed of goede. Maar dit zijn niet de enige hindernissen. Wanneer gebruik je wel of geen lidwoord? Waarom zeg je ‘naar school’ maar ‘naar de bioscoop’? Waarom zijn deze zinnetjes wél goed: ‘Die mensen zijn aardig’, ‘Dat zijn aardige mensen’ en ‘Die zijn aardig’, terwijl ‘Die zijn aardige mensen’ fout is? Of neem het ondoorgrondelijke onderscheid tussen ‘Ik las het in de krant’ en ‘Ik heb het in de krant gelezen.’

Ook in woordbetekenissen stelt onze taal buitenlanders voor raadsels: wanneer gebruik je kennen en wanneer weten? Wat is het verschil tussen betekenen en bedoelen? Voor de juiste uitspraak moeten mensen soms acrobatische toeren met hun spraakorganen uithalen. En dan nog: als je buitenlanders ergens aan herkent, is het wel hun typische tongval. Niet alleen voor Turken of Chinezen, ook voor Duitsers blijft onze taal op dat vlak lastig.

Inzicht

De komende tijd zal ik in korte bijdragen steeds een berucht probleem bij het leren van het Nederlands belichten. Hoe ontstaan de fouten? Zijn ze te voorkomen? Hoe erg is het als mensen een lidwoord weglaten of een verbuigingsuitgang verkeerd plaatsen? Daarbij zal ik ook moeilijkheden bespreken van mensen met een bepaalde taalachtergrond. Wat zijn de grootste problemen voor Engelsen, Marokkanen of Romaanstaligen?

Ooit kreeg ik een verbolgen vader van een studente op mijn spreekuur. Ik werkte destijds aan een vertalersopleiding. Zijn dochter, een meisje dat lang in Spanje had gewoond, was gezakt voor een examen vanwege haar belabberde Nederlands. Er was naar mijn oordeel geen zalf aan te strijken. Ik adviseerde haar te stoppen met de opleiding. De vader was woest. In alle ernst zei hij, als een verwijt aan mijn adres: “Nederlands is de allermoeilijkste taal die er is. Dat is gewoon niet te leren” – niet beseffend dat hijzelf het bewijs was van het tegendeel.

Elke taal is te leren, ook het Nederlands. Inzicht in de struikelblokken kan daarbij helpen. Dat inzicht kan niet alleen voor buitenlanders nuttig zijn, maar ook voor Nederlanders. De taalproblematiek van buitenlanders biedt moedertaalsprekers vaak een verrassend inkijkje in de complexiteit van de eigen taal. Voor een klas buitenlandse studenten behandelde ik eens een betoog dat eindigde met de handige dooddoener: ‘De tijd zal het leren.’ Ging er een aarzelende vinger omhoog van een Iraanse studente: “Meneer, de tijd kán toch niet leren?”

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.