Je leest:

Cultuur bestaat niet

Cultuur bestaat niet

Auteur: | 22 juni 2006

Binnen de psychologie is het alles behalve duidelijk wat cultuur nu precies is. Het gaat dan niet om de cultuur die we kennen uit Kunst & Cultuur, maar om het soort cultuur dat bijvoorbeeld aan de orde is wanneer we het hebben over de multiculturele samenleving. Het is onwaarschijnlijk dat die cultuur een kracht is die van buiten op ons allemaal op dezelfde manier inwerkt. Logischer is het om ‘cultuur’ te zien als een patroon dat optreedt wanneer mensen zich aanwennen om dingen op een bepaalde manier te doen. Maar om dat te omschrijven en begrijpen heb je de term ‘cultuur’ eigenlijk helemaal niet nodig.

Cultuurpsychologie gaat simpel gezegd over de vraag hoe de neuzen van mensen allemaal ongeveer dezelfde kant gaan opwijzen. Wat mensen doen, voelen en vinden is binnen een samenleving vaak opvallend hetzelfde. En toch hebben mensen het gevoel dat hun gedragingen en overtuigingen van binnenuit komen, en niet dat ze worden aangestuurd door de groep of cultuur ‘van buiten’. Hoe kan dat?

Een héle korte geschiedenis van de cultuurpsychologie

De grondlegger van de experimentele psychologie had om nog een tweede reden wereldberoemd kunnen zijn. De Duitser Wilhelm Wundt, want daar hebben we het over, besteedde verder ongeveer twintig jaar van zijn leven aan het schrijven van tien dikke delen over de Völkerpsychologie, een soort culturele antropologie met psychologische trekjes. Om de mens ten volle te begrijpen moest kennis van gehoordrempels, het geheugen, kleurwaarneming enzovoorts worden aangevuld met kennis van de rituelen, taal en mythologieën van de mens, vond hij. De psychologie mocht zich niet beperken tot metingen aan het individuele lijf, maar moest ook oog hebben voor wat mensen gezamenlijk met elkaar uitvinden, organiseren en bewerkstellingen.

Erg bekend zijn deze ideeën nu niet meer, en dat geeft aan dat cultuur toen al een onderzoeksgebied in de marge was in de psychologie. Pas na de jaren zestig van de vorige eeuw komt een aantal vertegenwoordigers uit verschillende wetenschappelijke stromingen—waaronder sociaal constructionisten (die beweren dat de sociale werkelijkheid louter een constructie is van mensen), antropologen en psychologen die zich bezighouden met de ontwikkelingsleer (hoe ontwikkelen mensen zich gedurende hun hele leven?) —samen onder de noemer “Cultural Psychology”.

Wilhelm Wundt staat vooral bekend als grondlegger van de experimentele psychologie. Maar hij schreef ook een lijvig werk over de rituelen, taal en mythologieën van de mens.

Wat is cultuur, psychologisch gezien?

Gek genoeg is er binnen de cultuurpsychologie tegenwoordig nog steeds geen eenstemmigheid over wat cultuur nou is. Er zijn meer dan honderd verschillende definities in omloop. Sterker nog, cultuur wordt meestal voor lief genomen. De term verwijst dan naar zoiets als het ‘geheel van praktijken en overtuigingen’, de ‘sociale omgeving’ of de ‘context’ waarbinnen individuen opereren. En dat geheel of die omgeving zou dan voor een belangrijk deel bepalen waarom mensen doen wat ze doen.

Die voorstelling van zaken roept ten minste twee problemen op, die ik zal proberen toe te lichten: (1) Aan de ‘culturele context’ worden krachten toegekend die iets doen met mensen. (2) Cultuur is iets dat gedeeld wordt. Het lijkt soms wel iets wat boven de hoofden van de mensen zweeft. Dat moeten ze dan inslikken of iets dergelijks, en dan delen mensen hun cultuur in vergelijkbare mate.

Waar komen die krachten vandaan?

Als cultuur echt iets doet met mensen, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ze zich op een voor de groep kenmerkende manier gedragen en uitdrukken, dan roept dat meteen de vraag op waar die kracht dan vandaan komt. In het midden van de negentiende eeuw dachten veel Duitse filosofen dat ze kwam van de Volksgeist’ (volksgeest). Zo’n geest van het volk zou echt bestaan, net zoals ieder afzonderlijk mensen een geest of psyche heeft. Dat is een onhoudbare stelling gebleken.

Tegenwoordig wordt cultuur al lang niet meer gezien als een soort sociale psyche. Veel eerder zeggen wetenschappers dat de psyche van individuen aan de ene kant en cultuur aan de andere elkaar wederzijds vormen. En dan heel dynamisch… Wat dat nou precies betekent, blijft vaag. Er wordt in grote lijnen mee bedoeld dat je zonder individuele mensen geen cultuur hebt, maar dat je zonder cultuur ook geen mensen hebt met een taal, met overtuigingen en met kenmerkend gedrag. Dat is nog wel aannemelijk.

Meteen maar naar de actualiteit om het werkelijke probleem duidelijk te maken. Als we het hebben over ‘hun’ cultuur en ‘de onze’, of over normen en waarden, die ervoor zorgen dat we allemaal ongeveer hetzelfde doen en vinden, waar zitten die de dingen dan? Hoe zorgt de cultuur ervoor dat we dingen doen of juist laten op een kenmerkende manier zodat je kunt zeggen: “dat is de Nederlandse of Turkse of Marokkaanse of Chinese cultuur?” Breek het begrip ‘cultuur’ of ‘norm’ maar eens af in de samenstellende delen om erachter te komen waar hun werking van uitgaat… Dat is nog niet zo gemakkelijk.

Eén ding weten we zeker: zonder onze psyche kan cultuur niet bestaan. Maar cultuur als iets werkelijks dat buiten de hoofden van mensen om ergens nestelt, dat is een raar idee. Zit cultuur dan alleen maar in ons hoofd? Foto: Duchessa

Nu zullen veel mensen misschien zeggen dat je dat bestaan van cultuur of normen op die manier ook niet letterlijk moet nemen. Het is maar een manier van zeggen. Maar dat is gevaarlijk, want in vrijwel ieder debat in media, politiek of wetenschap worden de begrippen gebruikt alsof ze echt bestaan, alsof ze echt iets doen, en alsof je ze echt eventjes kunt leren in een inburgeringscursus.

Te rade bij de neurowetenschappen

Om duidelijk te maken hoe vreemd die gedachte eigenlijk is, gaan we te rade bij de neurowetenschappen. We weten inmiddels dat verreweg de meeste prikkels waarop het zenuwstelsel reageert—en dan in het bijzonder het brein—afkomstig zijn van het zenuwstelsel zelf. De uitkomst van een ‘berekening’ in het brein vormt de input voor een volgende ‘breinberekening’. In feite is het ingewikkelder, omdat steeds nieuwe toestanden van het brein ontstaan in zo’n feedback-achtige lus. Maar waar het om gaat is dat een zenuwstelsel in staat is om te interacteren met zichzelf. Relatief gezien komen maar weinig prikkels van de zintuigcellen uit bijvoorbeeld het oog: de meeste prikkels waarop het zenuwstelsel reageert, produceert het zelf en dan voornamelijk in de hersenen.

Een prikkel die wel afkomstig is van de zintuigcellen (je zou geneigd zijn om te zeggen “een prikkel van buiten”) komt terecht in een malle molen van hersenactiviteit. Van de “inhoud” van de oorspronkelijke prikkel in het oog, het oor of de huid, blijft relatief weinig over in de uiteindelijke ervaring. Dat is psychologisch gezien een belangrijk gegeven om minstens vier redenen.

Ten eerste betekent het dat er geen directe correspondentie is tussen een prikkel van de zintuigen en de uiteindelijke ervaring. Het is dus niet zo dat een “hond” of een “i-pod” correspondeert met een plaatje of laatje “i-pod” in de hersenen. Dat lijkt evident, maar toch werd er vroeger zo over gedacht en wanneer het over representaties gaat in de psychologie. Een hond zou het plaatje of het laatje “hond” in de hersenen activeren met alle betekenissen die daarbij horen. Ernstiger is dat veel mensen, ook wetenschappers, nog steeds van mening zijn dat het ongeveer zo werkt in onze hersenpan. Zij zeggen zelfs dat een norm vanuit de cultuur zomaar in ons hoofd terechtkomt.

Prikkels die we binnenkrijgen via onze zintuigen, worden eerst door het hele brein verstuurt voordat we ons bewust worden van de ervaring die bij een prikkel hoort. Je brein is dus heel bepalend voor hoe je iets waarneemt.

Ten tweede betekent het dat onze uiteindelijke ervaringen sterk afhankelijk zijn van hoe de structuur van onze hersenen zich heeft ontwikkeld. Eenzelfde mp3-speler zorgt in jouw en mijn brein voor een uniek patroon aan activiteit. Je kunt dus ook niet zeggen dat twee mensen precies dezelfde ervaringen hebben.

Daaruit volgt, ten derde, dat we ook geen directe toegang hebben tot de ervaringen van anderen: we kunnen niet komen bij wat zich de grijze cellen van anderen allemaal afspeelt. Je kunt alleen maar raden of gewoon vragen wat iemand denkt of voelt. Iedereen weet ook hoe moeilijk het is om precies te zeggen wat je bedoelt en al helemaal lastig is het om te zeggen wat je voelt. Het blijft dus behelpen…

Als duidelijk is dat geen ervaring voor twee mensen gelijk kan zijn, dan is meteen ook duidelijk dat we ervaringen niet werkelijk kunnen delen; laat staan dat we cultuur of iets dergelijks delen. Zie punt (2) van hierboven. ‘Delen’ is in het beste geval een metafoor om uit te drukken dat we dingen op ongeveer gelijke wijze doen, zien, voelen of vinden.

Er is echter nog een vierde consequentie aan dit breinverhaal, en die haalt een andere veelgemaakte veronderstelling onderuit. Er komt in wezen geen informatie van buiten onze hersenen naar binnen. Als er licht valt op ons netvlies, of als een geluidsgolf de trommelvliezen bereikt, dan leidt dat tot elektrochemische reacties in de gevoelige zintuigcellen. Die ‘stroompjes’ leiden vervolgens tot een hele reeks aan kettingreacties in het zenuwstelsel op de wijze zoals hierboven beschreven werd. Uiteindelijk zorgt vooral de activiteit in ons brein ervoor dat we een unieke ervaring krijgen en niet zozeer die lichtstraal of die geluidsgolf.

Er gaat dus bijvoorbeeld geen pakketje met de boodschap “broodje kroket” vanuit de snackbar door onze zintuigcellen, verder via de neuronen naar de hersenen. De boodschap zoals wij die interpreteren wordt altijd gemaakt in onze hersenen. Een prikkeling van de zintuigcellen kan een eerste aanzet daartoe zijn, maar deze prikkel bevat zelf niet alle informatie die ons brein uiteindelijk produceert. Het is dan ook een verkeerde voorstelling te denken dat hersenen werken als een machine waar informatie ingaat en die na wat ingewikkelde operaties een zekere output oplevert, bijvoorbeeld in de vorm van gedrag.

Ook ‘cultuur’ kan dan niet een structuur of informatie zijn die ons van buitenaf instrueert of stuurt, en die dat bij elk individu ongeveer op dezelfde manier doet. Psychologisch gezegd: cultuur als iets dat bestaat buiten de ervaringen van individuen, dat kan niet.

Omdat ons brein onze waarnemingen kleurt, neemt niemand precies hetzelfde waar. Deze kleuren bijvoorbeeld zullen voor iedereen een net iets andere ervaring opleveren.

Zit cultuur dan alleen in ons brein?

Cultuur zweeft dus niet buiten onze hoofden. Maar dat betekent nog niet dat cultuur dan maar iets is wat ligt opgesloten in een brein. In de evolutionair psychologie, een populaire stroming tegenwoordig, wordt zoiets min of meer beweerd. Cultuur wordt door sommigen in die discipline opgevat als speciale modules in het brein. Via de evolutie zij die tot stand gekomen, in wisselwerking met de verschillende omgevingen waarin de mens heeft geleefd. Tegenwoordig zouden wij, moderne mensen, zijn toegerust met modules die functioneel waren in de tijd dat mensen leefden als jagers/verzamelaars. Dat was zo in het Pleistoceen, ruim 10.000 jaar geleden. Voor jagen bestaat zo’n module, voor taal, en wellicht ook voor andere culturele verworvenheden.

Evolutiepsychologen hebben zeker een punt dat denken, taal, voelen en willekeurig welk menselijk gedrag niet kan zonder de specifieke ‘bedrading’ van het brein. Zonder een zekere toerusting in de hersenen en andere delen van het lichaam, zijn we zeker niet tot taalproductie in staat. Dat is echter nog iets anders dan snappen hoe taal zich in het dagelijks leven ontvouwt. We zijn immers niet speciaal toegerust om Nederlands of Chinees te leren. De absolute voorwaarden voor taal mogen dan klaarliggen in het lijf, deels evolutionair gestileerd hoe een conversatie verloopt—met welke intenties, intonaties, betekenis en vormgeving—ligt niet van tevoren vast. Dat heeft immers ook te maken met de gesprekspartner. Met andere woorden: we kunnen niet een afzonderlijk brein op de operatietafel leggen om te zien hoe ons vermogen tot zinvolle deelname in een taalgemeenschap eruit ziet.

In de evolutionaire psychologie denkt men dat cultuur zich in de loop van de evolutie heeft ontwikkeld als modules in het brein. Zo zouden we bijvoorbeeld – ergens tussen aap en idols – een module ‘taal’ hebben ontwikkeld. Maar zo simpel is het niet, want we zijn bijvoorbeeld niet voorgeprogrammeerd met een submodule ‘sollicitatiegesprek’. Er moet dus nog veel geleerd worden voordat we iets met die taal kunnen.

Afstemming

Dat maakt iets duidelijk over hoe taal, en in bredere zin cultuur, bezien moeten worden. Een conversatie voltrekt zich tussen ten minste twee personen. Dat spreekt in zoverre voor zich dat er in je eentje betrekkelijk weinig te kletsen valt. Maar belangrijker is zoals gezegd dat het verloop van het gesprek afhangt van de gesprekspartners. Zij dragen toe aan wat er in de conversatie tot stand wordt gebracht. Als het goed is, dan stemmen de gesprekspartners hun gedrag op elkaar af—anders is er al gauw sprake van bevelen in plaats van praten.

In een goed uitgevoerde dans gebeurt iets soortgelijks. Om er een vloeiend geheel van te maken, moeten beide danspartners op elkaar reageren en voortdurend anticiperen en bijsturen. Anders wordt het een houterig geheel en kun je net zo goed een zak aardappelen rondsjouwen. Met dansen heeft het dan niet veel meer te maken.

Trek je die gedachte door, dan kun je argumenteren dat alle sociale gedragingen uit afstemmingsrelaties bestaat. Voortdurend ‘tunen’ we ons gedrag met dat van anderen om ons heen. Dat doen we met zoveel gemak en flair, dat we het nauwelijks in de gaten hebben. Moeilijk wordt het pas wanneer we terechtkomen in een groep mensen die anders op elkaar ‘getuned’ zijn geraakt dan wij. Dan ineens bewegen wij ons houterig en onthand. Je hebt dat zelf meestal meteen in de gaten. Het duurt een tijdje voor je je weer gemakkelijk en zelfverzekerd kunt bewegen in zo’n groep; namelijk net zolang tot je je eigen gedrag hebt leren aanpassen en vervlechten met dat van de anderen, zodat de sociale omgang weer vloeiend verloopt.

In vrijwel alle sociale interacties moeten mensen op elkaar reageren, anticiperen en bijsturen, anders loopt de interactie in de soep. Daarmee heeft sociaal gedrag wel iets weg van een dans.

Een kwestie van cultuur?

Nu is het verleidelijk om in het laatste geval te zeggen dat je een andere cultuur bent binnengestapt. Zolang je daarmee bedoelt dat je te maken hebt gekregen met mensen die gewend zijn geraakt om de dingen op een andere manier te doen, is er niets aan de hand. Het wordt dan ook duidelijk waar de oplossing gezocht moet worden: in het wennen aan en het oefenen van een ander gedragsrepertoire.

Wanneer je echter meent dat je met het aanduiden van een andere cultuur waartoe die mensen behoren, hebt verkláárd waarom het gedrag van jou en de anderen verschilt, dan span je het paard achter de wagen. Van cultuur wordt dan een oorzaak gemaakt: “Dat zij zo raar praten, dat komt door hun cultuur.” Of zelfs een excuus: “Ik mag best bot zijn, want dat is normaal in mijn cultuur”.

In de media en de politiek gebeurt zie je dat soort redeneringen voortdurend terug. Gedrag wordt verklaard, veroordeeld of goed gepraat door een beroep te doen op cultuur en op de normen en waarden die daarbij zouden horen. Maar ook in de wetenschappelijke theorieën over bijvoorbeeld culturele scripts, sociale representaties, en culturele modellen wordt er stilzwijgend van uitgegaan dat deze zaken echt buiten mensen om bestaan, dat ze een werking hebben, en dat ze een verklaring vormen voor patronen in het gedrag van mensen. Dat daar bezwaren tegen zijn, heb ik zojuist al uitgelegd.

Het helpt zoals eerder gezegd ook niet om dan maar te beweren dat je ‘cultuur’ als metafoor moet begrijpen, en niet letterlijk. Metaforen verhullen echter maar al te vaak dat we niet goed weten hoe het precies zit. En erger, in de theorieën over cultuur wordt toch keer op keer—tenminste impliciet—verondersteld dat een cultureel model of een culturele norm werkelijk iets doen met mensen.

Je hebt het vast wel eens gemerkt toen je naar een andere school of baan ging: je voelde je wat ongemakkelijk omdat de sociale interactie volgens ‘andere regeltjes’ ging dan je gewend was. Maar om dan te zeggen dat je ongemakkelijk voelt omdat je een andere cultuur bent binnengestapt, is het paard achter de wagen spannen. Cultuur is niet de oorzaak maar juist datgene wat je moet proberen te begrijpen.

Wat dan wel?

Het is niet gemakkelijk om te zeggen wat cultuur dan wel is. Het gaat erom te begrijpen waarom mensen in een aanwijsbare groep gedrag vertonen dat duidelijk verschilt van het gedrag van mensen in andere groepen. Hoe komt het dus dat de neuzen in een groep ongeveer dezelfde kant gaan opwijzen?

Die patronen kunnen zoals gezegd niet al klaarliggen, voorafgaand aan de individuen die zich het gedrag moeten aanmeten. En ze kunnen ook niet al besloten liggen in de genen van een individu. Immers, hoe gedrag zich voltrekt is afhankelijk van hoe mensen wederzijds op elkaar reageren. De patronen kunnen alleen maar bestaan tússen mensen, als iets wat je kunt waarnemen als gevolg van hun voortdurende afstemmingsgedrag.

Dat is vrij ingewikkeld opgeschreven. Een voorbeeld kan het duidelijker maken. Stel je grote een zwerm vogels voor die pijlsnel en kriskras door de lucht schiet. Alle afzonderlijke vogels lijken precies te weten waar ze naartoe moeten, maar er is geen leider die de anderen vertelt waar ze naartoe moeten. Daarvoor is de zwerm te chaotisch. Toch kun je het patroon—de zwerm—waarnemen dat het gevolg is van al die afzonderlijke vogels samen. Nou zal niemand zeggen dat het patroon er nog is als je alle vogels wegneemt. Zonder vogels, geen zwerm. Ook zal niemand zeggen dat ‘de zwerm’ aan al die vogels vertelt waar ze naartoe moeten. Wat er wel gebeurt is dat iedere vogel rekening houdt met zijn buurvogels. Hij past zijn snelheid en richting voortdurend aan aan wat er om hem heen gebeurt. Als alle vogels dat doen, dan ontstaat het patroon van de zwerm, waarin vogels niet of nauwelijks botsen en waarin ze allemaal ongeveer met de snavels dezelfde kant op staan.

Zo is het met cultuur ook. Niet ‘de cultuur’ vertelt ons waar we naartoe moeten, maar we passen ons gedrag aan aan wat de mensen om ons heen doen. Kijk je nu als wetenschapper naar een groep mensen, dan zie je patronen in hun gedrag vergelijkbaar met die zwerm. We noemen dat dan maar voor het gemak cultuur. Maar die cultuur doet niks; alleen mensen doen iets. Sterker nog, neem je mensen weg, dan is ook de cultuur weg. Cultuur zelf bestaat dus eigenlijk helemaal niet!

Een ander voorbeeld: “Ik ben geen punk, ik ben Piet” Als je een beetje rondreist, kun je gemakkelijk waarnemen dat mensen zich steeds op ongeveer dezelfde manier kleden. Dat wil nog niet zeggen dat al die mensen gehoorzamen aan een norm, patroon, culturele code om zich zus of zo te kleden. In het leger is het een andere zaak, maar in het dagelijks leven in Nederland kleden mensen zich hoogstwaarschijnlijk gewoon naar wat ze mooi, leuk of gepast vinden. En dáár raken we een kern van wat we in de cultuurpsychologie willen snappen.

Voor een buitenstaander is het net of punkers zich kleden volgens een voorgeschreven norm. Hanekammen, kistjes en veiligheidsspelden lijken deel van een ‘punkcultuur’. Maar volgens de meeste punkers kleden ze zich naar individuele smaak en overtuiging. Eigenlijk logisch, want sta jij stil bij culturele voorschriften als je ’s ochtends kiest wat je aandoet of neem je wat je op dat moment mooi, fijn en gepast vindt?

Wat mensen mooi, leuk, of gepast vinden dat lijkt een persoonlijke keuze maar is vrij gemakkelijk aan te wijzen als typisch modern of westers of misschien wel Nederlands. Op kleinere schaal is dit beter te illustreren. Jongeren die zich in mijn ogen en in de ogen van jeugdonderzoekers overduidelijk als urban, alto, punk of gothic kleden, geven steevast aan dat ze niet gothic zijn maar dat ze dragen wat zij, persoonlijk, mooi vinden. De onderzoeker neemt onmiddellijk het patroon waar dat de kleding van alle gothics kenmerkt. De jongere zelf doet echter iets naar individuele, persoonlijke smaak en overtuiging. Zoals een typische punker zei tegen collega-onderzoeker Maerten Prins: “Ik ben geen punk, ik ben Piet.”

Wennen aan dingen op een bepaalde manier doen

De fascinerende vraag is nu hoe het kan waargenomen patronen (die kleding bijvoorbeeld) in een groep deel gaan uitmaken van iemands persoonlijke voorkeur en smaak. Zodanig zelfs dat ze authentiek en van binnenuit beleefd worden; als dingen die niet zozeer van een groep zijn, maar van de persoon zélf. Nogmaals, dat ligt niet opgesloten in een cultureel voorschrift waar iedereen zich aan houdt. Het heeft iets te maken met hoe mensen hun gedrag voortdurend op elkaar afstemmen. De eenvoudigste voorstelling van zaken is dat personen hun gedrag onderling coördineren, wat leidt tot gewenning om zaken onderling op een bepaalde manier te doen. Ze nemen van elkaar gedrag, taal en voorkeuren over zodat ze op den duur ongeveer hetzelfde doen en vinden. ‘Ongeveer’ want iedereen heeft natuurlijk ook weer een eigen smaak. Het vergt oefening, uitproberen, fouten maken en herstellen, totdat je het gedrag dat de groep kenmerkt, vloeiend beheerst.

Die gewenning is zeker een van de redenen waarom eenmaal aangeleerde gedragspatronen zo hardnekkig blijken. Nederlanders moeten vaak wennen aan een verhitte of temperamentvolle manier van discussiëren in Zuid-Europa, ze moeten wennen aan een andere lichaamsgeur van mensen in Afrika, en sommigen moeten wennen aan een elitaire manier van spreken in Wassenaar—het zijn allemaal zaken die in allereerste instantie oefening en gewenning vereisen. En iemand die met een accent spreekt, krijgt dat ook niet gemakkelijk afgeleerd. Daaraan zie je waarom training en gewenning zo belangrijk zijn als we willen snappen wat ‘cultuur’ is. Bovendien heb je andere mensen om je heen nodig, die het vereiste gedrag al beheersen. Zij kunnen je de juiste bewegingen en gevoelens voordoen en ze kunnen je corrigeren als je fouten maakt. Zo hebben we allemaal leren praten en lopen, maar dat zijn we meestal vergeten. Zo hebben we ook allemaal pindakaas leren eten en spruitjes, en zo hebben de meesten van ons ook een redelijk tolerante houding ontwikkeld.

Net zoals we (bijna) allemaal spruitjes hebben leren eten, zo hebben we ook geleerd hoe we met andere mensen moeten omgaan en hoe we ons horen te gedragen. Deze dingen samen dat maken wat we meestal cultuur noemen. Maar bestaat de cultuur die maakt dat we spruitjes eten wel echt? Foto: Asha ten Broeke

‘Cultuur’ is geen cultuur, maar “just another word for nothing else to say” In sociale situaties ontwikkelen mensen dus een gevoel voor wat gepast is, of wat mooi is. Een grap vertellen komt heel precies. Met de verkeerde timing wordt het niks. En als je publiek lacht, maar nét te hard, dan weet je dat je doel gemist hebt. Ook hieraan ligt een geschiedenis van oefenen, uitproberen en falen ten grondslag. We zijn ongemerkt zo geoefend geraakt in sociale situaties en gezelligheid, dat we feilloos aanvoelen wat je kunt maken in het gezelschap en wat niet. Het is bij uitstek in dit soort genuanceerde gevallen dat het buitengewoon moeilijk is om allochtonen bij te spijkeren over hoe het moet. Hier helpt geen theoretische inburgeringscursus of instructie. En hier helpt ook geen appél op ‘de cultuur’ als zodanig. Je moet het aanvoelen zeggen we dan. Maar dat leer je niet uit boekjes, dan leer je alleen maar door het te doen en te oefenen.

Waar het in deze gevallen psychologisch gezien om gaat is dus het aanleren van een praktische vaardigheid. En die vaardigheid krijgt alleen maar gestalte in het aangaan, lijfelijk, van de sociale situatie. Mensen die willen integreren in een andere samenleving moeten daarom de gelegenheid krijgen om gewend te raken aan hoe mensen elders met elkaar omgaan. Dat wil zeggen dat ze afstemmingsrelaties moeten kunnen aangaan, waarin sprake is van proberen, falen, gecorrigeerd worden en opnieuw proberen. Dat zal in veel gevallen beperkt succes opleveren, want het is per definitie een moeizaam proces om ‘oud’ gedrag af te leren. Zeker als je al wat ouder bent. Bovendien houdt het oefenen in dat ook de ‘instructeur’ zijn of haar gedrag afstemt op de leerling. Inburgeren is dus nooit een zaak van nieuwkomers alleen. Het moet echt van twee kanten komen.

Als je zo naar ‘cultuur’ kijkt, als patroon in gedrag die je waarneemt omdat mensen met elkaar in de weer zijn, dan heb je het hele begrip ‘cultuur’ eigenlijk niet nodig. Met aandacht voor oefening, training, gewenning en afstemming van gedrag tussen mensen kun je veel preciezer zeggen waar het werkelijk om gaat. De term ‘cultuur’ is veel te verwarrend. Net als die zwerm doet cultuur niks, en net als die zwerm bestaat het buiten de individuen om niet echt.

Dit artikel is een publicatie van Open Universiteit (OU).
© Open Universiteit (OU), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 juni 2006
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.