Je leest:

Crimineel gedrag niet besmettelijk

Crimineel gedrag niet besmettelijk

Auteur: | 26 september 2006

Veel mensen denken dat probleemjongeren die in een justitiële jeugdinrichting belanden negatief beïnvloed worden door strafrechtelijk geplaatste jongeren. Er is echter geen bewijs voor deze verwachte criminele besmetting.

Jongeren met gedragsproblemen die door de kinderbescherming uit huis worden geplaatst, komen soms in zogenaamde justitiële jeugdinrichtingen. In deze justitiële jeugdinrichtingen zitten ze samen met jongeren die door de rechter veroordeeld zijn voor een misdrijf. Hun ouders, de jongeren zelf en een aantal politici vinden het onaanvaardbaar dat probleemjongeren bij criminele jongeren geplaatst worden. Zijn deze jongeren echt zo verschillend? En raken probleemjongeren inderdaad besmet door de jongeren die al veroordeeld zijn?

Onder één dak

In 2000 is er op verzoek van de Tweede Kamer onderzoek uitgevoerd naar de verschillen tussen de probleemjongeren (civielrechtelijk geplaatsten) en criminele jongeren (strafrechtelijk geplaatsten) in een justitiële inrichting en gezocht naar mogelijke aanwijzingen voor de zogenaamde ‘criminele besmetting’. De politiek had ingezet op beëindiging van de samenplaatsing. Het onderzoek liet echter zien dat er meer overeenkomsten dan verschillen waren tussen de twee groepen jongeren. Een uitspraak met betrekking tot de genoemde ‘criminele besmetting’ werd in dit onderzoek niet gedaan. De onvrede met betrekking tot de samenplaatsing bleef. Na diverse andere kleinere onderzoeken is door de Minister van Justitie besloten om met ingang van 1 januari 2007 de samenplaatsing gefaseerd te beëindigen.

Onderzoek heeft echter nog steeds geen bewijs voor de veronderstelde criminele besmetting opgeleverd. Dat is niet zo verwonderlijk want de vraag of die veronderstelde criminele besmetting daadwerkelijk plaatsvindt, is slechts beantwoordbaar als er naast een gemengde groep van strafrechtelijk geplaatsten en civielrechtelijk geplaatsten ook een ongemengde groep met alleen civielrechtelijk geplaatsten zou bestaan. Alleen dan kan men zien of de samengeplaatste civielrechtelijken het werkelijk slechter doen na ontslag dan de niet samengeplaatste civielrechtelijken.

Wijkman onderzocht 145 jongens die door een ondertoezichtstelling of een voogdijmaatregel opgenomen zijn en 53 jongens die door een strafrechtelijke maatregel in een inrichting zijn geplaatst. Zij onderzocht de verschillen en overeenkomsten voor en na opname in een justitiële jeugdinrichting tussen deze jongeren om zo toch iets te kunnen zeggen over de eventuele criminele besmetting. De civielrechtelijk geplaatsten en de strafrechtelijk geplaatsten blijken voor opname veel meer op elkaar te lijken dan van elkaar te verschillen. Wel blijkt dat de criminele jongeren voor opname meer delicten gepleegd hebben dan de probleemjongeren. Ook hebben ze vaker, en meer, geweldsdelicten gepleegd.

Geweldsmisdrijven

Hoe zijn die verschillen na de behandeling? De verschillen in delinquent gedrag blijven na afloop van de behandeling bestaan. Strafrechtelijk geplaatsten plegen ook na ontslag meer misdrijven dan civielrechtelijk geplaatsten. Er is echter één belangrijke uitzondering. Als het gaat om geweldsdelicten gaan de twee groepen na behandeling op elkaar lijken. Van de strafrechtelijke groep pleegt 62 procent na ontslag een geweldsmisdrijf en van de civielrechtelijke groep 50 procent. Ook het aantal geweldsdelicten dat door de twee groepen na behandeling gepleegd wordt, verschilt niet significant, alhoewel de civielrechtelijke groep het duidelijk beter doet dan de strafrechtelijke groep.

In Figuur 1 wordt weergegeven hoe het gemiddeld aantal geweldsdelicten verandert van vóór opname tot ná ontslag voor de civielrechtelijken en de strafrechtelijken. Dit zijn de middelste lijnen, een doorgetrokken streep voor de strafrechtelijken en een stippellijn voor de civielrechtelijken. Je ziet: de civielrechtelijken gaan er minder ‘gewelddadig’, en de strafrechtelijken ‘gewelddadiger’ in, maar na ontslag zijn ze meer vergelijkbaar geworden.

Schijn bedriegt

Hebben de mensen die roepen dat het slecht is om probleemjongeren bij criminele jongeren te zetten dan toch gelijk? Schijn bedriegt. Wanneer de twee groepen worden uitgesplitst in jongens die voor instroom geen geweldsdelict pleegden en jongens die voor instroom minimaal één geweldsdelict pleegden, dan zien we dat de vergelijkbare geweldsrecidive voortkomt uit het feit dat de twee groepen niet gelijk zijn wat betreft geweldsdelinquentie vóór instroom. Binnen elke groep zijn er weer twee afzonderlijke: zij die wel een geweldsdelict hebben gepleegd voor instroom en zij die dat niet hebben gedaan.

Bij de civielrechtelijken en de strafrechtelijken die geen geweldsdelict voor instroom hebben gepleegd, stijgt het gemiddeld aantal geweldsdelicten nauwelijks. Dit zijn de twee onderste lijntjes in figuur 1. Civiel- en strafrechtelijken zonder geweldsdelicten voor instroom ontwikkelen zich dus identiek.

Ook bij de civielrechtelijken en de strafrechtelijken die minimaal één geweldsdelict voor instroom hebben gepleegd, daalt het gemiddeld aantal geweldsdelicten op dezelfde manier. Dit zijn de twee bovenste lijntjes in figuur 1. Civiel- en strafrechtelijken met minimaal één geweldsdelict voor instroom ontwikkelen zich dus ook identiek. Er is dan ook geen sprake van een nivellering van civiel- en strafrechtelijken die compatibel zou zijn met de hypothese van criminele besmetting. Binnen de twee groepen verschillen jongeren met vergelijkbare achtergrondkenmerken identiek.

De verschillende ontwikkeling binnen de civielrechtelijken en de strafrechtelijken zoals hierboven beschreven, is dus het gevolg van een verschillende samenstelling van de twee groepen: binnen de civielrechtelijken bevinden zich namelijk veel meer jongeren die niet eerder een geweldsdelict pleegden. Daarom neemt binnen de civiele groep de geweldsdelinquentie gemiddeld toe, terwijl er bij de strafrechtelijke groep gemiddeld sprake is van een lichte afname. Gecorrigeerd op gedrag voor instroom, ontwikkelen beide groepen zich echter wat geweldsdelinquentie betreft gelijk.

Nazorg

Wijkman stelt dat er gezien deze resultaten nog steeds geen bewijs is voor criminele besmetting. Ook merkt ze op dat het nazorgbeleid voor jongens die in en justitiële inrichting hebben gezeten, wel eens kritisch bekeken mag worden. Veel jongeren gaan na behandeling weer de fout in en vaak gebeurt dit al binnen een jaar. Van nieuwe nazorgprogramma’s zou men dus snel kunnen zien of ze resultaat hebben.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
© Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.