Je leest:

Couveusekind ontwikkelt vaker leer- en gedragsstoornissen

Couveusekind ontwikkelt vaker leer- en gedragsstoornissen

Steeds meer kinderen die veel te vroeg of te licht geboren worden, blijven leven. De mogelijkheden om in de couveuse de omstandigheden van de baarmoeder na te bootsen nemen toe en de zorg rond couveusekinderen wordt steeds beter. De vraag rijst: hoe ver kun je gaan? Langlopend onderzoek werd opgezet om een bijdrage te leveren aan het beantwoorden van deze vraag.

Zorg over de latere ontwikkeling van kinderen die veel te vroeg geboren worden of die een extreem laag geboortegewicht hebben, leidde begin jaren ‘80 tot een samenwerkingsproject van Nederlandse kinderartsen: POPS geheten. De letters staan voor Project On Preterm and Small for gestational age infants (te vroeg geboren en in verhouding tot de zwangerschapsduur te lichte baby’s).

In eerste instantie was het project gericht op de frequentie en oorzaken van ernstige vroeggeboorte, de effecten van behandeling en de toestand van de kinderen na twee jaar. De onderzoeksgroep bestond uit 1338 kinderen, geboren in 1983 na een zwangerschap van minder dan 32 weken en/of met een geboortegewicht minder dan 1500 gram.

Vervolgonderzoek vond plaats na 2, 5, 9, 10-11 en 14 jaar. Op de leeftijd van 10-11 jaar werd gewerkt met vragenlijsten die ouders, leerkrachten en de kinderen zelf invulden. Het aantal handicaps bleek groter dan onder leeftijdsgenoten uit de totale bevolking, namelijk 27 tegen 17 procent. Van de overige 90 procent ondervond de helft problemen in het dagelijks leven, eveneens meer dan de totale bevolking. Lichte ontwikkelingsstoornissen, vastgesteld op jonge leeftijd, bleken met de jaren toe te nemen. Vroege signalering en interventie zouden de gevolgen van die stoornissen op latere leeftijd kunnen beperken, nemen de onderzoekers vooralsnog aan.

Andere invalshoek

Ook orthopedagoge Elske Sigmond-de Bruin leverde een bijdrage aan POPS, en wel met een onderzoek waarop ze volgende week hoopt te promoveren. “Het is een multidisciplinair project waaraan ik als niet-medicus graag meewerk. Zo wordt er ook eens vanuit een andere invalshoek naar deze groep gekeken.” Zij onderzocht de overgeblevenen van de POPS-groep. Van de 1338 kinderen met wie het onderzoek begon, waren er na vijf jaar nog 966 in leven. Van hen deden er 927 mee aan het onderzoek op vijfjarige leeftijd. De laatste groep kreeg op 10- tot 11-jarige leeftijd een vragenlijst toegezonden, evenals hun ouders en leerkrachten. Bijna driekwart van hen reageerde. Sigmond nam bovendien uit de 927 kinderen een aselecte steekproef van 220 kinderen. Daarmee hield ze er 181 over, van wie de ouders toestemden in nader onderzoek door middel van huisbezoek.

“Ouders van ernstig gehandicapte kinderen deden relatief vaker niet mee”, zegt Sigmond. “Ze willen vermoedelijk met rust gelaten worden.” Bovendien is de respons iets beter onder hoogopgeleiden. Een hogere opleiding van de ouders is op zichzelf weer een factor van betekenis in de cognitieve en sociale ontwikkeling van de kinderen, zo bleek uit het onderzoek. Sigmond wijst erop dat de resultaten dus enigszins geflatteerd zijn.

Als orthopedagoge richtte Sigmond zich vooral op cognitieve en sociale vaardigheden en de rol van de opvoeders bij het ontwikkelen daarvan. “Een bredere benadering dus dan toen ze op vijfjarige leeftijd onderzocht werden. Toen keek men vooral naar de aanwezigheid van stoornissen, beperkingen en handicaps en daarmee samenhangende factoren.” Sigmond legt uit: “Een stoornis kan iedere lichamelijke afwijking zijn die verder geen gevolgen voor je functioneren hoeft te hebben. Lichte bijziendheid bijvoorbeeld. Als je erg slecht ziet, kun je bepaalde normale taken niet uitvoeren, dan heb je een beperking. Als je blind of bijna blind bent, dan heb je een handicap, je moet naar een speciale school, enzovoort.”

Vaker leer- en gedragsstoornissen

Onder de groep vijfjarigen had 14 procent een handicap, een veel hoger percentage dan bij de totale bevolking. De handicaps waren meestal van neurologische aard, bijvoorbeeld spasticiteit. Uiteraard hadden de kinderen op tienjarige leeftijd deze handicap nog steeds. En dat geldt ook voor de beperkingen en stoornissen die evenzeer meer dan gemiddeld voorkwamen bij deze groep. Sigmond: “Voor mij was nu de vraag: in hoeverre presteerden deze kinderen ook afwijkend op school en was hun sociaal-emotionele ontwikkeling anders? Hoe was het in die vijf jaar met ze gegaan? Handicaps en stoornissen speelden daarbij natuurlijk wel een rol.”

De uitkomsten van het onderzoek hebben inmiddels in alle kranten gestaan. Sigmond vertelt dat hierbij niet alleen haar eigen uitkomsten, maar ook die van voorgaande studies en de inmiddels bekende resultaten op veertienjarige leeftijd zijn betrokken. Te vroeg en te licht geboren kinderen ontwikkelen vaker leer- en gedragsstoornissen. Sigmond: “Veel meer dan gemiddeld volgen ze speciaal onderwijs. Daarnaast zie je vooral twee soorten probleemgedrag. Moeilijkheden in de sociale omgang en problemen met concentratie en aandacht.” ADHD misschien? “Nee, dat kun je niet zomaar zeggen. Daar zou je de groep speciaal op moeten onderzoeken.”

Bij het beoordelen van de vragenlijsten viel op dat ouders veel moeilijkheden met jongens signaleren en leerkrachten meer probleemgedrag zien bij meisjes. De kinderen zelf geven een rooskleuriger kijk op hun eigen toestand dan hun leeftijdgenoten uit de totale bevolking. Hoe komt dat? Sigmond: “Ze hebben een sterke neiging tot sociaal wenselijke antwoorden. Ze zeggen graag dat alles goed gaat. Die neiging is sterker dan hun beoordelingsvermogen. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze zichzelf minder goed kennen.”

Sterke verwevenheid met ouders

Sigmond constateerde dat op vijfjarige leeftijd de kaarten geschud zijn. “Wat toen aan stoornissen en handicaps is gevonden, bleek een grote voorspellende waarde te hebben voor de cognitieve en sociale ontwikkeling op tienjarige leeftijd. Dat stemt overeen met wat we weten van de neurologische ontwikkeling van een kind. Bij twee jaar is het neurologisch systeem nog volop aan het groeien, bij tien jaar is die ontwikkeling grotendeels afgerond. Dus bij tienjarigen vind je hetzelfde. Een handicap kun je natuurlijk niet weg-opvoeden.”

Toch gaat het niet alleen om problemen van het kind zelf, volgens Sigmond. “We ontdekten dat ouderlijke stress ook een belangrijke factor is bij ontwikkelingsproblemen. Dat maakt het ingewikkeld. Enerzijds hebben stoornissen grotere gevolgen als ze niet adequaat worden opgevangen door de ouders, anderzijds komt de stress van de ouders natuurlijk vaak voort uit de problemen van hun kind.” Een van Sigmonds stellingen luidt dan ook: ‘De sterke samenhang tussen opvoedingsstress bij de ouders van tienjarige te vroeg geboren kinderen en de ontwikkeling van deze kinderen, wijst op een sterke verwevenheid tussen ouders en kind: hulpverlening moet daarom op kind én ouder gericht zijn.’

Onlangs sloot één van Sigmonds promotoren en projectleider van POPS, prof. dr. Pauline Verloove-Vanhorick, zich in een interview bij deze conclusie aan: “Interventie en steun zijn belangrijk. Er zijn opvoedingsprogramma’s met een bewezen positief effect.” Zelfs kinderen die geen stoornis of handicap overhielden aan hun couveuseperiode, hebben een slechte start gehad. “En hun ouders ook”, zegt Sigmond. “Het is en blijft voor hen een zorgenkindje. Ze zijn vanzelf geneigd tot overprotectie, en dat is juist weer niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van een kind. En dan zitten er ook nog een aantal meerlingen bij. Je zult het maar meemaken!”

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 juni 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.