Je leest:

Concurrentie tussen banken: meten is weten?

Concurrentie tussen banken: meten is weten?

Gastcolumn door wiskundige en econometrist Laura Spierdijk

Auteur: | 8 februari 2011

Elke twee weken verschijnt op Kennislink een gastcolumn. De columnist is steeds een andere onderzoeker, die vanuit zijn of haar vakgebied schrijft over de wetenschap achter een gebeurtenis in de maatschappij of uit ons dagelijks leven. Deze week vertelt wiskundige en econometrist Laura Spierdijk van de Rijksuniversiteit Groningen over de vraag hoe je concurrentie tussen banken kunt meten.

Laura Spierdijk is hoogleraar econometrie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Onlangs werd bekend dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) onderzoek doet naar de concurrentieverhoudingen tussen hypotheekverstrekkers in Nederland. Een quick scan van de hypotheekmarkt door de NMa wijst namelijk uit dat de marges op hypotheken in Nederland hoog zijn, wat kan duiden op een gebrek aan marktwerking.

Wel vaker worden er in de media uitspraken gedaan over een vermeend gebrek aan ‘marktwerking’ in een bepaalde sector. Soms worden marktpartijen zelfs beschuldigd van ‘prijsafspraken’. In dergelijke gevallen hebben consument en overheid de indruk dat er niet voldoende concurrentie is tussen de bedrijven in een bepaalde industrie of sector. Maar waarom wordt een gebrek aan concurrentie eigenlijk als een probleem gezien?

De meest extreme vorm van onvolledige concurrentie is monopolie. Bij deze marktvorm wordt een bepaald product door slechts één producent aangeboden die daardoor een relatief hoge prijs voor het product kan vragen; de producent heeft immers geen concurrentie te duchten en kan zelf bepalen hoe hoog de prijs van het product is dat hij aanbiedt.

Bij volledige concurrentie bestaan er meerdere aanbieders van hetzelfde product, die met elkaar concurreren om afnemers van hun product of dienst. Daardoor betaalt de consument vaak een lagere prijs voor het product dan in een monopolie (de ‘tucht’ van de markt). Er zijn ook tussenvormen: geen volledige concurrentie, maar ook geen monopolie. In het algemeen geldt dat de consument meer voor een product betaalt naarmate er minder concurrentie is tussen de aanbieders van het product.

aranjuez1404 Flickr.com

Ik houd mij als econometrist onder andere bezig met de vraag hoe je concurrentie kunt meten. Econometristen huldigen het motto ‘meten is weten’, ook als het gaat om marktverhoudingen. Helaas is concurrentie tussen banken erg moeilijk te meten.

Het lijkt op het eerste gezicht misschien heel eenvoudig: neem de prijs van een product en de kosten die nodig waren om het product te produceren. Het verschil geeft je een maatstaf voor de ‘marge’. Hoe hoger de marges, hoe minder concurrentie.

De bankenmarkt bestaat echter uit diverse deelmarkten, doordat banken verschillende producten en diensten aanbieden en doordat zij in verschillende geografische gebieden opereren. De Rabobank is bijvoorbeeld niet alleen in Nederland actief, maar ook in diverse andere Europese landen. De Spaanse Santander bank is niet alleen in Spanje actief, maar ook in Nederland. Gebrek aan vereiste gegevens maakt het onmogelijk de concurrentie op deze deelmarkten afzonderlijk te meten. Hoe kunnen we dan toch een indruk krijgen van de concurrentieverhoudingen tussen banken?

Een veel gebruikte indirecte maatstaf voor concurrentie is de concentratiegraad. De concentratiegraad geeft de dominantie aan van bijvoorbeeld de vijf grootste banken in een land. In Nederland hebben de vijf grootste banken ongeveer 80% van de markt in handen, wat een erg hoge mate van concentratie aanduidt. Concurrentie wordt vaak geacht af te nemen naarmate de concentratiegraad toeneemt. Verschillende studies hebben echter aangetoond dat de concentratiegraad niet altijd negatief gecorreleerd is met de mate van concurrentie. Dit betekent dat de concentratiegraad dus eigenlijk geen goede maatstaf is voor concurrentie.

Een andere indicator is de rentemarge, die verondersteld wordt kleiner te zijn naarmate de concurrentie toeneemt. Een bezwaar van de rentemarge is dat deze beïnvloed wordt door andere factoren, zoals de conjunctuurgevoelige rentestructuur. Het afgelopen decennium liep de concentratiegraad op, wat zou duiden op minder concurrentie, terwijl de rentemarge kromp, wat juist meer concurrentie zou suggeren.

Omdat indirecte maatstaven geen goed beeld geven van concurrentieverhoudingen, zijn er verschillende econometrische modellen ontwikkeld om concurrentie te meten. Helaas heeft elke aanpak wel een methodologisch probleem. Concurrentie is gewoon heel moeilijk te meten.

Niettemin suggeren deze verschillende methodes allemaal dat het wel snor zit met de concurrentie tussen de Nederlandse banken. Echter, door een gebrek aan gegevens is de concurrentie tussen de Nederlandse banken alleen op geaggregeerd niveau bepaald en niet uitgesplitst naar verschillende productgroepen (zoals hypotheken). Geaggregeerd over de verschillende producten die banken aanbieden, lijken Nederlandse banken heel concurrerend, zeker in vergelijking met andere Europese landen. Maar deze uitkomsten moeten voorzichtig geïnterpreteerd worden, omdat – zoals gezegd – elke methode wel een aantal fundamentele bezwaren kent.

Ik wens de NMa in elk geval veel succes met hun analyse van de Nederlandse hypotheekmarkt en kijk met spanning uit naar hun bevindingen, die in het voorjaar worden verwacht.

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (gastcolumnist).
© Kennislink (gastcolumnist), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 februari 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.