Je leest:

Honderd jaar en vitaler dan ooit

Honderd jaar en vitaler dan ooit

Acetylsalicylzuur heet de stof officieel, maar de merknaam aspirine is veel bekender. Een eeuw nadat het middel voor het eerst op de markt verscheen is de consumptie hoger dan ooit: wereldwijd ruim 58 miljard doses per jaar. Het middel houdt zo lang stand doordat er voortdurend nieuwe toepassingen voor worden ontdekt. Begonnen als middel tegen reuma, populair geworden als pijnstiller en inmiddels enorm belangrijk in het voorkomen van hartinfarcten. Acetylsalicylzuur lijkt een wondermiddel: het werkt tegen verschillende kwalen, heeft weinig bijwerkingen en is erg goedkoop.

Enkele weken geleden vierde geneesmiddelenfabrikant Bayer de honderdste verjaardag van het aspirientje. Terecht wordt gewezen op het grote succes van het pilletje. Bayer verzwijgt echter dat het middel bijna níet op de markt gebracht was: Bayers farmacoloog keurde het middel in eerste instantie af. Dat het middel in 1899 toch op de markt kwam is te danken aan een eigenzinnige jood, blijkt uit archiefonderzoek.

Pijn? Dan neem je een aspirientje. Lange tijd was aspirine, of acetylsalicylzuur zoals de stof eigenlijk heet, met afstand het populairste middel om pijn te verlichten. Het was ook de eerste pijnstiller die goed werkte met relatief weinig bijwerkingen. Intensieve reclamecampagnes van fabrikant Bayer zorgden dat het middel tien jaar na zijn introductie was uitgegroeid tot een groot commercieel succes.

De ongekende populariteit van het aspirientje was voor sommigen reden tot zorg, zoals blijkt uit deze passage in een nummer van het Pharmaceutisch Weekblad van 1910:

“Het aspirine, bijgenaamd acetylsalicylzuur, staat tegenwoordig in het zenith van zijn roem, en ieder medicus weet het middel als een der gloriën der pharmacotherapie te waardeeren. Of die waardeering zich ook uitstrekt tot het feit, dat talrijke menschen met een buisje aspirine tabletten in den zak loopen, om bij ieder gevoel van malaise een aspirientje door het keelgat te kunnen jagen, is aan redelijken twijfel onderhevig. Het schijnen vooral dames, jonge en oude, te zijn die zich ware ‘aspirinophagen’ betoonen, en iedere klacht over onwelzijn zoowel bij zichzelve als bij anderen met een aspirientje trachten te verjagen. Het irrationeel gebruik van aspirine, dat, een afstammeling van salicylzuur, er de familietrekken mede gemeen heeft, mag niet als iets onschuldigs worden gewaarmerkt, en het kan der scheikundige firma BAYER kwalijk tot eer strekken, dat zij met behulp van marktschreeuwerige advertenties in de nieuwsbladen, het misbruik van dit, overigens in de handen van geneeskundigen zoo hoogelijk gewaardeerd geneesmiddel, tracht te bevorderen.”

Naast zorg voor de gebruikers is er waarschijnlijk nog een andere reden waarom de farmaceuten in hun blad zo fel uitvallen tegen de fabrikant, zegt T.J. Rinsema. Rinsema is apotheker in ruste en werkt aan een proefschrift over de opkomst van de farmaceutische industrie. Hij vertelt dat aspirine het eerste middel was dat vanaf het begin in kant-en-klare tabletvorm op de markt gebracht werd.

Apothekers waren daar niet blij mee, omdat het hen van een deel van hun arbeid beroofde. Inderdaad was de introductie van aspirine in pilvorm het begin van een ontwikkeling waarbij apothekers van pillendraaiers tot pilverkopers werden.

Het ‘kinderaspirientje’ bestaat niet meer

Tot ver in de tweede helft van de eeuw bleef aspirine hét middel tegen ‘alledaagse’ pijn. Toen er in de jaren zeventig nieuwe pijnstillende en koortswerende middelen op de markt kwamen, kreeg de populariteit van aspirine een gevoelige knauw. De nieuwe middelen brachten minder gevaar voor maagbloedingen met zich mee dan aspirine. Na decennialang met afstand de populairste pijnstiller en koortsremmer te zijn geweest, moest het die positie nu afstaan aan paracetamol.

Aspirine kwam nog verder in diskrediet toen bleek, dat het de veroorzaker was van het mysterieuze syndroom van Reye. Dit zeldzame en vaak fataal verlopende ziektebeeld kwam vrijwel alleen onder kinderen voor die aspirine hadden geslikt terwijl ze griep of waterpokken hadden. De symptomen lijken enigszins op die van nekkramp. Toen het verband met aspirine werd gelegd, daalde het gebruik bij kinderen. Het vóórkomen van het syndroom van Reye daalde overeenkomstig.

Uiteindelijk leidde dat in de jaren tachtig tot de richtlijn dat kinderen onder 16 jaar alleen na consultatie van een arts aspirine mogen slikken. Sinaspril, het ‘kinderaspirientje’ bevat dan ook geen acetylsalicylzuur meer. De werkzame stof is nu paracetamol. Om marketingredenen blijft men echter de oude, naar aspirine verwijzende naam gebruiken.

Overigens lijkt de populariteit van het aspirientje de laatste jaren weer toe te nemen, doordat andere middelen minstens even schadelijke bijwerkingen veroorzaken. Overdoses paracetamol kosten in Groot-Brittannië jaarlijks aan 100 tot 150 mensen het leven.

Wortels aspirine liggen in wilgenbast

De actieve stof in aspirine is afgeleid van een stof die van nature in sommige planten voorkomt: salicylzuur. Al rond 400 voor Christus beschreef de Griek Hippocrates, algemeen gezien als de grondlegger van de geneeskunde, hoe het kauwen op wilgenbast (familienaam van de boom: Salix) pijn en koorts kon verzachten. In de middeleeuwen werd wilgebast steeds minder gebruikt en zelfs verboden, omdat de bomen nodig waren voor het vlechten van manden.

Pas in de negentiende eeuw werden de pijn- en koortswerende eigenschappen van de wilg in Europa herontdekt. Doordat een tropische bastsoort die als ontstekingsremmend middel werd gebruikt niet kon worden ingevoerd, ging men op zoek naar alternatieven en vond die in de wilg. De chemie maakte in die tijd grote vorderingen. Chemici identificeerden de werkzame stof salicine in 1828, gevolgd door het splitsen ervan in salicylzuur en een onwerkzame component.

Salicylzuur kon worden gesynthetiseerd en werd in de tweede helft van de negentiende eeuw toegepast als koorts- en ontstekingsremmend middel. Ideaal was het echter niet: het smaakte erg onaangenaam en was, vanwege de zuurheid, slecht voor de maag.

Aspirine helpt tegen hartinfarcten

Terwijl de populariteit van het aspirientje als pijnstiller op de tocht stond, kwam een nieuwe toepassing van de stof in beeld. Het werkingsmechanisme van acetylsalicylzuur werd in 1971 opgehelderd door de Brit John R. Vane. Hij ontdekte, dat het de aanmaak remt van prostaglandines, hormoonachtige stoffen die aan de basis staan van het mechanisme dat pijn en ontsteking veroorzaakt. Hij kreeg er in 1982 de Nobelprijs voor Geneeskunde voor.

Aspirine bleek echter naast de aanmaak van prostaglandines nog andere processen te remmen, waaronder het samenklonteren van bloedplaatjes. Dat verklaarde sommige bijwerkingen van het middel. Het leidde ook tot de gedachte, dat aspirine wel eens een effectief middel zou kunnen zijn om infarcten te voorkomen.

Aanwijzingen dat aspirine het risico van hartaanvallen kon verlagen, waren er al veel eerder. Reeds in 1948 had een huisarts in Californië gemerkt, dat van de 400 patiënten die hij aspirine had voorgeschreven, er twee jaar lang niet één een hartaanval had gekregen. Hij publiceerde zijn onderzoek in 1950. Het werd met grote scepsis ontvangen. Zijn vervolgonderzoek, met inmiddels 8.000 patiënten, werd in 1956 zelfs door alle vakbladen geweigerd. Verder onderzoek naar aspirine als hartreddend middel werd niet gedaan tot in de jaren zeventig.

Het duurde tot 1980 voordat aspirine in de VS werd toegelaten als middel tegen hartaanvallen, voor mannen die voortekenen van een hartaanval vertoonden. In 1985 werd ook het gebruik ter voorkoming van een tweede hartaanval goedgekeurd. Pas in 1988, toen twee grote onderzoeken werden gepubliceerd, raakte iedereen overtuigd van het belang van aspirine als preventie van infarcten. Een wereldwijd onderzoek onder patiënten die voortekenen van een hartaanval vertoonden, liet zien dat aspirine het aantal doden met 23 procent kon verminderen.

Uit een groot onderzoek onder 22.071 Amerikaanse artsen bleek, dat inname van 325 mg acetylsalicylzuur om de dag het voorkomen van hartinfarcten met maarliefst 44 procent verlaagde. In latere onderzoeken werd vastgesteld dat veel lagere doses net zo effectief waren, met nog maar nauwelijks bijwerkingen. Aspirine werd opnieuw populair: tegenwoordig slikt 80 procent van de vijfenzestigplussers in Nederland dagelijks 35 of 100 mg aspirine. Wereldwijd is de consumptie van acetylsalicylzuur hoger dan ooit met ruim 58 miljard doses per jaar.

De laatste jaren wordt het duidelijk, dat nog niet alle mogelijke toepassingen van aspirine worden benut. Uit verschillende onderzoeken blijkt, dat de stof de kans op de ziekte van Alzheimer kan verlagen en de voortschrijding van de symptomen kan afremmen. Ook in de voorkoming van colonkanker zou aspirine vermoedelijk veel goeds kunnen doen.

Ritmestoornissen in een kikkerhart

Het is niet meer dan logisch dat de firma Bayer trots terugblikt op honderd jaar aspirine. Het verhaal over de ontdekking dat de Duitse fabrikant daar steevast bijlevert, kan echter niet kloppen, zegt ex-apotheker Rinsema. In de versie van Bayer is het de jonge onderzoeker Felix Hoffmann, die in het pasgeopende laboratorium van Bayer naarstig naar een vervangingsmiddel voor salicylzuur zoekt (zie intermezzo ‘wortels aspirine liggen in wilgenbast’).

Zijn vader lijdt aan reuma en verdraagt het zure en onaangenaam smakende middel niet. Hoffmann zoekt naar een alternatief en synthetiseert door een combinatie van geluk en deskundigheid acetylsalicylzuur. Heinrich Deser, de farmacoloog van Bayer, test de stof op zichzelf en in dierexperimenten. Op 6 maart 1899 wordt het middel officieel geregistreerd.

Rinsema: “Als je weet hoe er in het laboratorium van Bayer gewerkt werd in die tijd, dan is het moeilijk voorstelbaar dat Hoffmann in z’n eentje verantwoordelijk was voor de synthese van acetylsalicylzuur. In het bedrijf stond communicatie centraal, en dat betekende veel besprekingen en vergaderingen. Een medewerker die alleen werkte acht ik bijna uitgesloten.” Er is nog meer mis met de legende die Bayer verspreidt, geeft Rinsema aan.

Een brief die hij in het archief van Bayer vond, werpt een ander licht op de gebeurtenissen voorafgaand aan de marktintroductie van aspirine. De brief werd geschreven door Arthur Eichengrün, in 1897 hoofd van het researchlaboratorium van Bayer. Toen hij de brief schreef, in 1944, zat de joodse chemicus echter gevangen in concentratiekamp Theresienstadt.

Eichengrün schreef dat de zoektocht naar een vervanger voor salicylzuur op zijn aandringen plaatsvond. Farmacoloog Deser keurde het middel dat Hoffmann vervolgens vond af wegens ritmestoornissen die het in een kikkerhart veroorzaakte.

Rinsema: “Acetylsalicylzuur kwam bij de afgekeurde preparaten te staan. Eichengrün was des duivels op zijn rivaal Deser. Hij legde zich niet bij diens beslissing neer en startte in het geheim een eigen onderzoek. ’s Avonds synthetiseerde hij kleine hoeveelheden acetylsalicylzuur en stuurde die naar zijn vriend dr. Felix Goldmann, artsenbezoeker bij Bayer in Berlijn. Die wist klinische onderzoeken bij bevriende artsen te regelen. De artsen reageerden allemaal enthousiast, waardoor de mening van Bayers directie veranderde. Na nieuw onderzoek werd het middel wel goedgekeurd en dus alsnog op de markt gebracht.”

Als Eichengrün de waarheid schreef is het dus aan hem te danken dat Bayer nu een feest te vieren heeft. Zijn naam komt in het verhaal dat de fabrikant verspreidt echter niet voor. Antisemitisme zou daar de oorzaak van kunnen zijn, beaamt Rinsema. Anti-joodse gevoelens waren er in Duitsland al ver voor de Tweede Wereldoorlog. Mogelijk hebben die ergens in de honderdjarige geschiedenis van aspirine de naam Eichengrün onder het tapijt doen belanden.

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 mei 1999

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.