Je leest:

Chronisch bezorgd

Chronisch bezorgd

Auteur: | 17 maart 2010

De jongvolwassenen die het ongeluk met de kerncentrale in Tsjernobyl vanuit de buik van hun moeder meemaakten, worden al jaren nauwlettend in de gaten gehouden door internationale onderzoekers. Onder hen AMC-internist Joost Bijlsma en psychiater Johan Havenaar van het Utrechtse Altrecht. Samen met Amerikaanse en Russische collega’s publiceerden zij onlangs een artikel over hun bevindingen. Belangrijkste conclusie: Tsjernobyl-kinderen zijn gezond, maar voelen zich vaak ongezond.

Op zaterdag 26 april 1986 ontplofte een kerncentrale in de Oekraïne. De eerste melding van het ongeluk kwam niet van de –-toen nog-– Sovjetautoriteiten maar van Scandinavische onderzoekers. Zij signaleerden in de vroege avond van 28 april een sterke stijging van radioactiviteit in de lucht en trokken aan de bel. Onmiddellijk ging de Zweedse minister van energie Brigitta Dahl na of er sprake was van een lek in een Zweedse centrale. Toen dat niet het geval bleek, vroeg ze de buurlanden om opheldering. Die kwam pas zes uur later in de vorm van een vijfregelig berichtje van Sovjetpersbureau Tass: in de kernreactor van Tsjernobyl had een ongeval plaatsgevonden. Er was sprake van ‘slachtoffers’ en ‘schade’. Het bericht haalde het Russische tv-journaal, maar ook daar geen woord over straling of andere mogelijke gevolgen.

In de dagen die volgden, bleef de Sovjetberichtgeving op z’n zachtst gezegd summier, om niet te zeggen gewoon misleidend. Zo wist op 30 april een nieuwslezer nog opgewekt te melden dat sovchozen en kolchozen rond de getroffen plaats normaal in bedrijf waren, en werd krachtig stelling genomen tegen ‘geruchten’ die door ’westerse agentschappen’ zouden zijn verspreid. Wat er precies was gebeurd, hoeveel slachtoffers het ongeluk had geëist, hoeveel mensen in het ziekenhuis waren opgenomen en hoe het hen verging: het bleef uiterst vaag.

Kerncentrale van Tsjernobyl, met daarnaast een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de ontploffing in 1986.

Subjectieve gezondheid

Wel werden in de dagen na het ongeluk 135.000 mensen geëvacueerd die binnen een straal van dertig kilometer rond de centrale woonden. Hun gezondheid is al jarenlang onderwerp van (internationaal) onderzoek. De aandacht richt zich onder andere op kinderen die in april 1986 net geboren waren of op het punt stonden geboren te worden. Joost Bijlsma, tegenwoordig chef werkplek van Dianet locatie AMC en Holendrecht, was begin jaren negentig internist in opleiding in Utrecht. In 1991 reisde hij voor het eerst af naar Wit-Rusland in het kader van een Nederlands hulpproject. Een paar maanden verbleef hij in de stad Gomel, zo’n honderd kilometer verwijderd van Tsjernobyl. In de jaren die volgden, keerde hij diverse malen terug, en in 1993 ontmoette hij er Johan Havenaar, die werkte aan een proefschrift over psychische klachten en gezondheidsbeleving na de ramp.

Dat laatste stond ook centraal in het meest recente Tsjernobylproject (uitgevoerd in 2005 en 2006 door de Stony Brook University in New York en de Ukrainian Psychiatric Association in Kiev) waar beide Nederlanders aan meewerkten. Belangrijkste vraag: hoe gezond of ongezond voelen de ‘Tsjernobyl-kinderen’ zich zo’n twintig jaar na het ongeluk? Evacués, hun moeders, klasgenoten en een groep willekeurig geselecteerde leeftijdgenoten werden uitgebreid geïnterviewd en de jongeren werden medisch onderzocht. ‘De evacués bleken gewone, gezonde – vaak zelfs kerngezonde – negentienjarigen uit Kiev, aldus Havenaar. ‘In elk geval niet minder gezond dan controles.’ ‘We zagen wat meer schildkliervergrotingen’, nuanceert Bijlsma, ‘maar in het gebied waar we het over hebben, komen sowieso vrij veel schildklierproblemen voor – er is namelijk sprake van een jodiumtekort. Bij vier geëvacueerde kinderen en één controle was de schildklier verwijderd. Van schildkliercarcinoom weten we dat het meer voorkomt bij kinderen die de ramp meemaakten.’

Hoe het ook zij: verder week de gezondheid van de Tsjernobyl-kinderen niet af, maar dat gold niet voor hun gezondheidsbeleving. Zij rapporteerden bijvoorbeeld meer klachten en bezochten vaker een arts. Belangrijke voorspeller voor die relatief slechte subjectieve gezondheid bleek het oordeel van de moeder. Havenaar: ‘Op elfjarige leeftijd zijn de kinderen ook al uitgebreid onderzocht door dezelfde onderzoeksgroep. Daar kwam uit dat het eigenlijk prima met ze ging – ze deden het net zo goed op school als hun klasgenoten, hadden geen afwijkende cognitie of bloedwaarden, enzovoort. Dat bespraken we uitvoerig met de ouders in de hoop ze gerust te kunnen stellen. Toch hoorden we later van veel van die moeders: “Het gaat niet goed met mijn kind, het is voortdurend ziek, heeft geheugenproblemen.” Allemaal kommer en kwel. Veel van die kinderen zijn als het ware ziek gepraat door hun omgeving. Als je moeder telkens zegt: “Wat zie je bleek. Gaat het wel goed met je?”, dan heeft dat invloed. En het heeft wellicht ook een rol gespeeld dat ze jarenlang uitgebreid door de medische molen zijn gegaan. Vroeg of laat vind je iets. We zien het aantal diagnoses dan ook gestaag stijgen. Veelal vage, aspecifieke klachten, waarvoor vaak geen duidelijke fysieke oorzaak kan worden vastgesteld.’

Verlaten huis nabij de plek waar in 1986 de kerncentrale van Tsjernobyl ontplofte.
Slawojar, Wikimedia Commons

Attributie heet dat in jargon: het toeschrijven van symptomen aan een externe oorzaak. Een bekend verschijnsel na rampen. Bijlsma: ‘Tussen 2000 en 2002 leidde ik het medisch onderzoek naar de Bijlmerramp, en ook daar kwam je het tegen. Klachten die volledig aan de ramp werden geweten, terwijl ze misschien eerder ook al bestonden.’ Sommige mensen zijn gevoeliger voor attributie dan anderen. Een kwestie van persoonlijkheid, denkt Havenaar. ‘Heb je aanleg om te tobben, dan vind je altijd wel wat om over te tobben. Die bezorgdheid kan vervolgens weer gemakkelijk van ouder op kind worden overgedragen. Ik herinner me een ouderavond in de brugklas van mijn zoon. Eén moeder maakte zich vreselijk druk: “Die zware tassen, krijgt hij daar geen rugpijn van? Is deze school wel veilig?” Binnen een paar jaar deed die jongen niet meer mee met gym, had hij van alles en nog wat.’

Wantrouwen

Na een ramp zal attributie sneller de kop opsteken als de communicatie onduidelijk was. Geheimzinnigdoenerij of tegenstrijdigheden in de berichtgeving zaaien wantrouwen, met alle gevolgen van dien. Havenaar: ‘Neem het gedraai van de Sovjets. Dat werkte lang door, tot ver na de val van het communisme. Kandidaat-politici in de prille democratie benadrukten bijvoorbeeld graag dat ze héél anders waren dan hun onbetrouwbare voorgangers en de problemen van evacués dus wél serieus namen. Dat deden ze onder andere door de ramp weer in het brandpunt van de belangstelling te plaatsen. Onbedoeld versterkte het de ongerustheid. Blijkbaar was er wel degelijk iets mis – anders was al die aandacht er toch niet geweest?’

Tsjernobyl is natuurlijk hét schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Maar de communicatie na de Bijlmerramp verdient evenmin de schoonheidsprijs: informatie die moest worden herroepen, documenten die verloren waren gewaand maar toch weer opdoken… Het voedde het complotdenken. Bijlsma: ‘Het Israëlische vliegtuig vervoerde volgens de geruchten biologische wapens. Mycoplasmabacteriën zouden uit de lading zijn ontsnapt. Laboratoria, niet gehinderd door de eisen van Good Clinical Practice, toonden die vervolgens ook keurig aan in allerlei monsters die misschien wel besmet waren geraakt op hun eigen vensterbank. Maar de verhalen bleven circuleren, en dus konden wij er eigenlijk niet onderuit om opnieuw onderzoek te doen naar de bacterie. Daar kwam niets uit. Waarop de publieke opinie prompt constateerde dat de test zeker slecht uitgevoerd was. In zo’n situatie kun je het bijna niet meer goed doen.’ Havenaar: ‘It’s easier to scare somebody then to unscare him’.

Monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Bijlmerramp in 1992.
Mauritsvink, Wikimedia Commons

Nuchtere banadering

Meteen helder communiceren dus na een ramp. ‘Mythes ontzenuwen die de kop opsteken, aangeven wat er daadwerkelijk aan de hand is,’ zegt Bijlsma. Maar het Tsjernobyl-onderzoek leert ons nog een les. ‘De jonge evacués hebben de ramp geen van allen bewust meegemaakt; de meeste van hen waren nog niet eens geboren toen de centrale ontplofte. Toch zijn ze, net als hun moeders, bezorgd gebleven. Daarom denken we dat het goed is om de voorlichting na rampen ook expliciet te richten op het gezin als geheel. Anticiperen op de impact die een ramp of ongeluk kan hebben binnen een familie. Ouders zijn vaak bezorgd. Over zichzelf, maar misschien nog wel meer over de mogelijke gevolgen voor hun kinderen. Houd daar rekening mee.’

Daarnaast is het goed, denken de onderzoekers, om extra aandacht te geven aan de voorlichting aan gezondheidswerkers. Bijlsma: ‘In Wit-Rusland bleven ook artsen er bijvoorbeeld van overtuigd dat er iets mis moest zijn met die kinderen. Ze bevestigden de moeders als het ware in hun bezorgdheid. Constateerden hoe erg het allemaal was. Maar dat is niet de taak van een arts. Wij hebben getracht ze weer met beide benen op de grond te zetten. Als dokter moet je klachten diagnosticeren en behandelen. Of het probleem nu wel of niet door een ramp is ontstaan, doet er eigenlijk niet toe. Misschien was dat wel onze voornaamste bijdrage in Wit-Rusland: de nuchtere Nederlandse benadering introduceren.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 maart 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.