Je leest:

Chinese muur bakkeleit zelf mee

Chinese muur bakkeleit zelf mee

Auteur: | 7 april 2009

Het aantal mensen met allergieën neemt nog steeds toe. Veel deskundigen schrijven dit toe aan de verminderde blootstelling van kinderen aan ziekteverwekkers. Wat er precies gebeurt in het neusslijmvlies van mensen met allergie is nog niet bekend. Immunoloog Aram Vroling ontdekte dat bepaalde genen in allergische neusslijmvliescellen voortdurend actief zijn. De ontdekking kan leiden tot een nieuwe manier om de diagnose allergie bij jonge kinderen te stellen en een nieuwe neusspray die allergie tegengaat.

In de VS is volgens recente tellingen al één op de vijf burgers behept met deze of gene allergie, en ook elders in de westelijke wereld zet de aandoening zijn opmars voort. De afgelopen tien jaar nog wel eens iemand ontmoet zónder luchtweg- of voedselallergieën in de kennissenkring?

‘Ergens rond de industriële revolutie moet het fout gegaan zijn’, zegt immunologisch onderzoeker Aram Vroling. ‘Over de oorzaken wordt verschillend gedacht, maar de meeste deskundigen zien wel iets in de hygiënehypothese. Die stelt dat kinderen tegenwoordig te weinig aan ziekteverwekkers worden blootgesteld, als gevolg van de verbeterde hygiëne en de overgang naar een leven dat zich overwegend binnenshuis afspeelt. Daardoor zou het adaptieve immuunsysteem zich onvoldoende kunnen ontwikkelen.’ Alweer een reden dus om de gameverslaafde zoon wat vaker naar het buurtvoetbalveldje te jagen.

Volgens de hygiënehypothese worden kinderen tegenwoordig te weinig blootgesteld aan ziekteverwekkers. Dit is niet alleen het gevolg van een verbeterde hygiëne, maar ook van de overgang naar een leven dat zich overwegend binnenshuis afspeelt.

Waar hapert dat adaptieve of ‘bijlerende’ immuunsysteem bij allergie? Eigenlijk nergens, maar ooit heeft het zich laten misleiden en daarvoor betaalt het blijvend de tol. Neem huisstofallergie. Een normaal neusslijmvlies maalt er niet om als er celmateriaal van de huisstofmijt in de neus verzeild raakt. Maar het kan gebeuren dat bepaalde eiwitten abusievelijk worden opgenomen door zogeheten antigeen-presenterende cellen in dat slijmvlies. Vanaf dat moment zal het immuunsysteem ze voor ziekteverwekkers houden.

Bepaalde witte bloedcellen haasten zich specifieke antilichamen te produceren, die geladen op mestcellen in het slijmvlies terechtkomen. Waarna er geen redden meer aan is. Vroling: ‘Elke keer als die eiwitten weer worden opgesnoven, nemen de mestcellen ze onder vuur door ontstekingsbevorderende stofjes te produceren. Het beruchte histamine bijvoorbeeld. En dat leidt weer tot de bekende hooikoortssymptomen: jeuk, loopneus, tranende ogen.’

Hooikoortssymptomen ontstaan doordat mestcellen als reactie op bepaalde eiwitten ontstekingsbevorderende stofjes (bijvoorbeeld histamine) produceren.

Wetenschappelijk allergieonderzoek concentreert zich gewoonlijk op de verschillende typen cellen van het adaptieve immuunsysteem, ook die in het neusslijmvlies. De meeste behandelingen, stuk voor stuk symptoombestrijders overigens, zitten ook in die hoek. Neussprays bijvoorbeeld zorgen ervoor dat de mestcellen hun ontstekingsbevorderende mediatoren niet kunnen vrijgeven. Vroling zocht het in een andere richting. Hij richtte zich op de buitenste cellaag van het neusslijmvlies, het epitheel, dat meestal wordt beschouwd als niet meer dan een beschermend vliesje. Ten onrechte.

Drukte van belang

Geheel volgens de regelen der kunst ging Vroling allereerst het laboratorium in, om na te gaan hoe een cellijn van normaal luchtweg-epitheel reageert op blootstelling aan de huisstofmijt. Tot zijn verassing registreerde hij een drukte van belang. ‘Je ziet allerlei genen in zo’n cel actiever worden’, licht de onderzoeker toe, ‘met als voornaamste gevolg dat hij meer cytokine TNF-alfa produceert, een boodschappereiwit dat ook omliggende cellen activeert. Die activering zal de ontstekingsreactie in de oorspronkelijke cel weer versterken, waardoor het hele gebied in een loop terecht kan komen, een zichzelf versterkende spiraal.’

Cellen uit de buitenste cellaag van het neusslijmvlies van gezonde mensen reageren sterk op blootstelling aan huisstofmijt. Bij allergiepatiënten neemt de activiteit van deze cellen niet toe. De genen van patiënten met een huisstofmijtallergie zijn waarschijnlijk voortdurend geactiveerd.

Omdat aan zo’n cellijn toch de geur van het laboratorium blijft kleven, experimenteerde Vroling ook met cellen die kakelvers waren verwijderd uit echt, levend neusepitheel. Met een speciale tang nam hij zowel bij gezonde vrijwilligers als bij allergiepatiënten minieme hapjes uit de neusschelp, en stelde die bloot aan de huisstofmijt. De uitkomst wekte opnieuw verbazing. ‘Bij gezonde mensen zagen we ongeveer hetzelfde als in die cellijn, een duidelijke verhoging van de genexpressie, terwijl bij allergiepatiënten de activiteit niet noemenswaardig toenam.’ Gek, want je zou eerder het omgekeerde verwachten: geen reactie bij gezonde epitheelcellen, wel een reactie bij allergie. Nadere bestudering leverde een aannemelijke verklaring op: de epitheelgenen van allergiepatiënten zijn continu geactiveerd. ‘Misschien valt de genexpressie in die cellen nauwelijks meer te verhogen’, veronderstelt Vroling.

Opgestapelde stenen

Kennelijk heeft het neusepitheel dus bij niemand de passieve rol die er graag aan wordt toegeschreven. Zoals de Chinese muur naast een massa opgestapelde stenen ook een grens is met alerte wachters, zo is dat epitheel behalve een barrière die schadelijke stoffen tegenhoudt een bedrijvig waarschuwer van het slijmvlies – bij allergiepatiënten zelfs onophoudelijk. Leuke ontdekking, maar wat schieten we ermee op? Nog niets, erkent de onderzoeker grif. Maar in de verte wenken nieuwe perspectieven voor behandeling en diagnostiek.

‘Vervolgonderzoek zal duidelijk moeten maken waardoor die geactiveerde status bij allergie precies wordt veroorzaakt, en hoe sterk de immuunreactie erdoor wordt beïnvloed’, verklaart Vroling. ‘Stel dat die invloed aanzienlijk is, dan zouden we kunnen nadenken over een neusspray die de reactie al in het epitheel te lijf gaat.’

Als de afweerreactie bij allergiepatiënten sterk wordt beïnvloedt door voortdurend actieve genen is het wellicht mogelijk om een neusspray te maken die deze reactie te lijf gaat.

Ook de verschillen tussen gezond en allergisch epitheel lijken bruikbaar, met name voor het diagnosticeren van allergie bij jonge kinderen. Vroling: ‘Nu krijgen kinderen een priktest waarbij verschillende allergenen in de huid worden gebracht, en een bloedtestje om de aanwezigheid van antilichamen vast te stellen. De moeilijkheid is: bij heel jonge allergiepatiëntjes zijn vaak nog weinig antilichamen te vinden. En zo’n huidtest is geen pretje, dat kan gaan jeuken als een gek.’ Om beide redenen leunt de doorsnee diagnose zwaar op de symptomen. Riskant, want juist jonge kinderen hebben vaak virale infecties die zich gemakkelijk met symptomen van luchtwegallergie laten verwarren.

‘De verwarring zou misschien uit te sluiten zijn door een neusepitheeltestje: paar celletjes afnemen, allergeen erop loslaten en de genetische activiteit meten’, oppert Vroling. ‘Maar dan moeten we wel eerst nagaan of de gen-expressie bij allergie zich onderscheidt van die bij verkoudheid en griep.’

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 april 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.