De eerste jaren van de kolonie ging de aandacht vooral uit naar de handel in beverhuiden, geleverd door de plaatselijke indianen. De expedities richtten factorijen in, handelskantoortjes waar tijdelijk een paar Nederlanders woonden. Een van hen was Adriaen Block. Op een landkaart die hij in 1614 maakte, gebruikte hij voor het eerst de naam Nieuw Nederland.

In 1621 veranderde de situatie. Na het Twaalfjarig Bestand werd de oorlog met Spanje voortgezet. De Staten-Generaal stichtten de West-Indische Compagnie voor de handel en kaapvaart op Amerika. Om die taak goed uit te kunnen voeren was een meer permanente boerenbevolking in de kolonie noodzakelijk. Niet alleen om de handelsposten en forten te bevoorraden, maar ook om de Nederlandse claim kracht bij te zetten. Het gebied dat de WIC in 1624 claimde, reikte van de monding van de drie grote rivieren Hudson, Delaware en Connecticut zo’n 250 kilometer landinwaarts. Engeland en Frankrijk aasden ook op dit gebied, dat tussen hun koloniën lag ingeklemd.
Bewegingsvrijheid
De eerste permanente kolonisten, zo’n dertig gezinnen, arriveerden in 1624 op Noten Eylant (Governors Island) en werden van hieruit groepsgewijs verspreid. Het bestuur was in handen van een directeur-generaal in dienst van de WIC. Hij had een raad van bewoners naast zich, maar hun zeggenschap was verwaarloosbaar.
Het oorspronkelijk geclaimde gebied bleek te groot om te verdedigen. Langs de grenzen rukten kolonisten vanuit naburige kolonies op. In het binnenland was het gevaarlijk vanwege de oorlogen tussen rivaliserende Mahikanen en Mohawks. Dit vroeg om meer soldaten dan de WIC bereid was te betalen. Na verloop van tijd kromp de kolonie dan ook in tot Manhattan – met de hoofdplaats Nieuw Amsterdam

In 1664, bij de overdracht aan Engeland, telde Nieuw Nederland zo’n 8000 inwoners, verdeeld over een aantal plaatsen. De grootste waren Nieuw Amsterdam met ca 2500 mensen en Beverwijck met 1000; daarnaast waren er nog bijna twintig dorpen met elk 125 tot 200 inwoners. Ruim de helft van alle inwoners was boer, bijna een derde soldaat, en een kwart was ambachtsman. Behalve tabak was beverbont een belangrijk exportproduct – de compagnie had hierop lange tijd een monopolie. In Nieuw Amsterdam was een grote haven waarlangs ook Engelsen en Fransen hun waren verscheepten naar Europa.
De helft van de kolonisten in Nieuw Nederland kwam oorspronkelijk niet uit de Republiek. Soms waren ze vanwege geloofsvervolging naar de Nederlanden gevlucht om vervolgens de overtocht naar Amerika te maken. Vergeleken met de Engelse kolonies in Amerika bestond er in Nieuw Amsterdam een opvallende diversiteit aan nationaliteiten en religies. De tolerantie had vooral een praktische achtergrond. Het bestuur kon niet al te kieskeurig zijn. De gereformeerde godsdienst had verreweg de voorkeur, maar om bevolkingsaanwas en bedrijvigheid te stimuleren moest er een zekere economische en religieuze bewegingsvrijheid zijn. Gilden waren er niet en de inwoners hadden vrijwel allen de status van burger met daarbij horende juridische rechten – nog een verschil met New England.
Inspraak
De WIC was uitgerust voor handel en oorlog. Kolonisatie bleef een ondergeschoven kindje, veel geld werd er niet in gestoken. Ook toen vanaf 1629 particuliere investeerders toestemming kregen om buiten Manhattan patroonschappen op te zetten (er werd land van de indianen gekocht waarvoor kolonisten zich konden melden), bleef de animo in de Republiek om te emigreren niet groot.

Dit veranderde in 1640 toen de compagnie het monopolie op de pelshandel ophief en de vestiging vrijgaf. Daar kwam bij dat het toen in de Republiek slecht ging met de economie. Verhuizen naar Amerika werd dus aantrekkelijker. Snel groeide de kolonie niet meteen. Dat kwam vooral door de indianenoorlogen in die tijd. Directeur-generaal Willem Kieft, die de indianen als sta-in-de-weg beschouwde, gaf opdracht hen aan te vallen. Als reactie sloten de indianenstammen zich aaneen. Het bloedige conflict duurde enige jaren. De kolonisten, die de indianen als handelspartners te vriend wilden houden, ondersteunden Kiefts aanpak niet en wilden meer inspraak.
Onder het directeurschap van Peter Stuyvesant, die vanaf 1647 na Kiefts optreden als een potentaat de orde ging herstellen, kwam deze belangentegenstelling in verhevigde mate tot uitbarsting. De zaak werd in 1652 voor de Staten-Generaal uitgevochten. Aanvankelijk zette die Stuyvesant af, maar draaide dat terug omdat de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uitbrak. De verhouding tussen de landen bleef onrustig en leidde uiteindelijk tot de ondergang van Nieuw Nederland. Tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog ging de kolonie als wisselgeld voor Suriname over naar Engeland. Nog decennialang bleef aan taal, instellingen en kerk merkbaar dat dit deel van Amerika was gekoloniseerd door Hollanders, maar Nieuw Amsterdam plus achterland heette voortaan New York.

Verder lezen:
- Martine Gosselink, Nieuw Amsterdam-New York, Nieuw Amsterdam, 2009
- Jaap Jacobs, Nederlands New York, Boom, 2009
- Hans Krabbendam e.a.(red.), Four Centuries of Dutch-American relations, Boom, 2009
- Lucas Ligtenberg, New York, Athenaeum-Polak & van Gennep, 2009
- Russell Shorto, Nieuw-Amsterdam. De oorsprong van New York, Forum, 2009