Je leest:

Bubble puzzles

Bubble puzzles

Auteur: | 24 november 2005

Vloeistoffysica is een discipline van de negentiende eeuw. Maar ze is ook, in het bijzonder, een uitdaging voor de eenentwintigste eeuw. Beide statements – zowel de lange traditie als de uitdaging voor de toekomst – gelden ook voor de natuurkunde van bellen. Dit is het onderwerp van mijn voordracht.

Vloeistoffysica is een discipline van de negentiende eeuw. Maar ze is ook, in het bijzonder, een uitdaging voor de eenentwintigste eeuw. Beide statements – zowel de lange traditie als de uitdaging voor de toekomst – gelden ook voor de natuurkunde van bellen. Dit is het onderwerp van mijn voordracht.

Leonardo’s paradox

Het conceptueel meest eenvoudige bellenprobleem is een opstijgende bel in stilstaand water. Een kleine bel gaat recht omhoog, net zoals een kogel met een dichtheid groter dan die van water recht naar beneden zakt. Grotere bellen spiraliseren of zigzaggen naar boven. Hoe komt dat nu? De eerste die zich dit afvroeg was Leonardo da Vinci. Hij tekende een opstijgende spiraliserende bel (figuur 1a). Daarom wordt dit vraagstuk nu ook Leonardo’s paradox genoemd. Het antwoord is nog steeds niet volledig bekend. Wel weet men dat het spiraliseren door de wervels veroorzaakt wordt die de bel achterlaat (figuur 1b).

Figuur 1a: Tekening van Leonardo da Vinci van een spiraalsgewijs opstijgende bel. ( Fol. 25r, Codex Leicester). 1b: Wervels achter een opstijgende bel die met behulp van Schlierentechniek zichtbaar gemaakt zijn ( Christian Veldhuis, Physics of Fluids (PoF), UT). Hierbij wordt een temperatuurgradiënt in het water opgewekt en men maakt gebruik van het feit dat de optische eigenschappen van het water dichtheidsafhankelijk zijn. De wervels oefenen krachten op de bel uit die tot het spiraliseren leiden.

Sonoluminescentie

Conceptueel nog eenvoudiger dan de opstijgende bel is een bel die niet beweegt. Dat kan men met behulp van akoestische krachten bereiken, die de bel in het midden van een kolf op zijn plaats houden. Het akoestische veld wordt met behulp van zogeheten piëzo-elementen opgewekt (figuur 2a). Wel oscilleert de bel: als de druk groot is, is de bel klein en omgekeerd. In 1989 experimenteerde Felipe Gaitan, destijds promovendus aan de Universiteit van Oklahoma, met een dergelijke luchtbel. Wat hij toen zag, kon eerst niemand geloven: licht! Hoe kan dat? Typische akoestische energieën zijn 10-12 eV en typische lichtenergieën 1 eV per molecuul. Er is dus sprake van een energiefocussering van 1012, twaalf ordes van grootte, en dat is heel bijzonder. Een typische experimentele opstelling is in figuur 2a te zien.

Figuur 2a: Opstelling om sonoluminescentie op te wekken (R. Toegel, PoF, UT): Op een kolf gevuld met water worden piëzos geplakt, die een staande akoestische golf genereren. In dit akoestische veld wordt een bel ingevangen, die licht uitstraalt. 2b: Fasendiagram: Straal van de bel (R0) versus akoestische druk (Pa) voor drie verschillende luchtconcentraties (10%, 20% en 40% van de saturatie; de frequentie is 33.4kHz). De curves zijn bepaald met behulp van ons model, dat geen enkele vrije parameter bevat; de datapunten zijn gemeten. Alleen op de rechter curves is er lichtemissie.

Twee vragen liggen nu voor de hand: wat is het lichtopwekkend mechanisme en wanneer vindt het verschijnsel plaats, ofwel: in welk bereik van de parameterruimte treedt sonoluminescentie op? Toen ik in 1994 toevallig van het verschijnsel hoorde, waren weliswaar veel experimentele gegevens bekend, maar er was geen theoretisch begrip. Mijn postdoccollega Michael Brenner en ik probeerden jarenlang de puzzelstukjes in elkaar te zetten, maar vrij veel paste gewoon niet. Totdat wij het centrale stukje vonden: de rol van argon, een edelgas, dat 1% van de lucht uitmaakt. De bel oscilleert zo sterk dat het gas daarin adiabatisch gecomprimeerd wordt. Dat wil zeggen: de implosie van de bel is zo hevig dat zich dan geen thermisch evenwicht met de omgeving kan instellen. Het gas in de bel wordt dus heet: ongeveer 15.000 graden Kelvin, zoals wij inmiddels weten. Voor moleculaire gassen zoals zuurstof of stikstof is dat natuurlijk veel te heet, ze gaan stuk. De radicalen reageren met elkaar tot stikstofoxide (NO) of stikstofhydride (NH) en lossen dan in water op. Wat achterblijft, is alleen argon. Het edelgas argon heeft geen interne vrijheidsgraden. Dat betekent dat de energie van de collaps direct in opwarming omgezet kan worden. De 15.000 graden Kelvin, die zo bereikt wordt, is voldoende om het gas gedeeltelijk te ioniseren. De recombinatie van elektronen en ionen leidt tot lichtuitstraling.

In de loop van de jaren ben ik er, samen met mijn promovendi Sascha Hilgenfeldt en Ruediger Toegel, in geslaagd het verschijnsel volledig en kwantitatief te begrijpen. Heel centraal bij deze beschrijving staat de zogenoemde Rayleigh-vergelijking, waarvan de oplossing een singulariteit heeft, die met de belcollaps overeenkomt. Uiteindelijk leidde een combinatie van concepten uit de vloeistoffysica, chemie, plasmafysica, toegepaste wiskunde, thermodynamica, en akoestiek tot fasendiagrammen die heel goed met de gemeten diagrammen overeenkwamen en voorspellingen deden, die inmiddels experimenteel bevestigd zijn (figuur 2b).

Ons werk aan sonoluminescentie begon als puur fundamenteel onderzoek, gedreven door nieuwsgierigheid. Toepassingen waren niet in zicht. Maar al in 1997 werd ik opgebeld door een groot farmaceutisch bedrijf, dat geïnteresseerd was in het gedrag van belletjes als ultrageluid-contrastversterkers. Ik zal hierop in mijn voordracht nog terugkomen. Inmiddels zijn er veel meer directe toepassingen van ons inzicht in het gedrag van belletjes, dat wij door het fundamentele werk aan sonoluminescentie verworven hebben. Ik geef verschillende voorbeelden.

Figuur 3: Fundamenteel onderzoek aan sonoluminescentie heeft geleid tot vele, vaak volledig onverwachte toepassingen.

Pistoolgarnaal en onderwaterakoestiek

De pistoolgarnaal is een klein diertje van ongeveer vijf centimeter lengte, dat met zijn enorme schaar een geweldige knal kan maken. Bij de marine is het dier heel impopulair: ten eerste verstoort het lawaai de onderwatercommunicatie tussen onderzeeërs, en ten tweede – nog erger – gebruiken vijandelijke onderzeeërs koloniën van deze garnaal om zich in te verstoppen. Hoe maakt het dier nu dit geluid en waarom? De zoölogen dachten dat de knal door mechanische vibratie bij het sluiten van de schaar ontstaat. De geluidsemissie van een collapserende bel kennende, had ik hierover mijn twijfels. Michel Versluis heeft toen beelden met een hogesnelheidscamera gemaakt die wij met de geluidsemissie gecorreleerd hebben. Hieruit bleek dat het beestje zijn schaar zo snel sluit dat een snelle waterjet ontstaat. Hoge snelheid impliceert lage druk, en net zoals bij sonoluminescentie laat de lage druk belletjes groeien. Als de bel weer in elkaar klapt, zendt ze een geluidsgolf uit (figuur 4).

Figuur 4: Geluidsemissie van een pistoolgarnaal als functie van de tijd. De foto’s rechts laten de sluitende schaar bij de vier tijdstippen 1, 2, 3 en 4 zien. Bij 2 is de schaar gesloten, maar er is nog geen geluid. Bij 3 is er een bel ontstaan die bij 4 collapseert, gelijktijdig met de grootste geluidsemissie ( M. Versluis, PoF, UT).

Waarom doet de pistoolgarnaal dit alles? Het antwoord is: hij wil eten. De geluidsgolf is zo sterk dat kleine visjes en garnaaltjes erdoor verdoofd worden, of zelfs om het leven gebracht, waarna de pistoolgarnaal ze kan opeten. Onze verklaring loste meteen een tweede raadsel op: waarom zijn er geen pistoolgarnalen in de diepe oceaan, maar alleen in water tot een diepte van ongeveer twintig meter? De reden is dat in dieper water de hydrostatische druk groter wordt en de pistoolgarnaal daarom geen bel meer kan verwekken. Hij zou daarom in dieper water verhongeren.

Piëzo-akoestische inktjet-printing

Een verdere toepassing van het begrip van de dynamica van een bel is piëzo-akoestische inktjet-printing. Wij genieten van de samenwerking met Hans Reinten en zijn collega’s van Océ aan dit onderwerp.

Figuur 5: Een van de 256 inktkanalen van een printhead voor piëzo-akoestische inktjet-printing. De piëzo is typisch 3 mm lang en 0.2 mm breed. De opening in de nozzle (‘spuitmond’) heeft maar een diameter van 0.03 mm. Drukpulsen met een frequentie van typisch 20kHz persen de inktdruppeltjes met een volume van enkele tientallen pico-liter uit het kanaal.

Het fenomeen doet zich voor in een inktkanaal van een printhead (figuur 5). De piëzo-actuator, vergelijkbaar met de piëzos die bij sonoluminescentie gebruikt worden, krijgt 20.000 keer per seconde een puls, zet uit, en drijft zo een druppeltje inkt de spuitmond ( nozzle) uit. Per printhead zijn er 256 nozzles, en men heeft zo’n tien printheads per printer, dus men kan met een heel hoge snelheid en precisie printen. Soms gaat het echter mis: bij bepaalde frequenties en onder bepaalde omstandigheden ontwikkelt zich na biljoenen cycli een storing van het druppeltje. Óf die hersteld zich weer (figuur 6a), óf het jetting-proces komt tot stilstand. Dan helpt alleen de piëzo uit te schakelen en even te wachten. Voor een hogesnelheidsprinter is dat natuurlijk vervelend.

De methode die wij toepassen om het probleem op te lossen is vergelijkbaar met die welke wij ook bij de pistoolgarnaal gebruikten: luisteren en kijken, dus het meten van het akoestische signaal van het kanaal en gecorreleerd daaraan high-speed imaging. En inderdaad, als het mis gaat is het ook te horen, dus het akoestische signaal is veranderd. Dit resultaat suggereert al dat de verstoring iets met een bel te maken heeft, omdat bellen de akoestische emissie van een kanaal veranderen. Eind vorig jaar is Jos de Jong erin geslaagd een bel te visualiseren, die bij het jetting-proces bij de nozzle ‘ingehapt’ wordt. Vervolgens wordt de bel door de akoestische krachten in het kanaal getrokken. Net zoals bij sonoluminescentie groeit de oscillerende bel in het akoestische veld door gerectificeerde diffusie. Vanwege de zachtheid van de bel kan uiteindelijk bij de spuitmond geen druk meer opgebouwd worden. Er wordt dus ook geen inkt meer uitgeperst: het druppelvormingsproces komt tot stilstand. Alleen als het akoestische veld uitgeschakeld wordt, kan de bel door diffusie oplossen en pas daarna kan men weer printen. Op dit moment begrijpen wij het mechanisme redelijk. Het uiteindelijke doel is natuurlijk het inhappen van de bel te voorkomen of haar meteen weer kwijt te raken. Bijvoorbeeld door het toepassen van een geschikt akoestisch signaal meteen na de akoestische detectie van de bel. Voor de volgende stap – de ontwikkeling van nog snellere inktjetprinters met nog kleinere druppeltjes – is zeker een fundamenteel begrip van bellen in akoestische velden noodzakelijk. Als dat lukt, kan men er ook aan denken deze piëzo-akoestische inktjet-techniek voor diagnostische toepassingen in de geneeskunde te gebruiken.

Figuur 6a: Verstoring van de inktjetdruppel door een ingehapte bel (droplet 28-29). Hier wordt de bel uitgespoten en het printproces herstelt zich weer (droplet 30,31). 6b: In andere gevallen groeit de bel en voorkomt verder printen. ( Jos de Jong, PoF,UT).

Medische toepassingen van bellen

Dit brengt mij op de medische toepassingen van bellen. Hun eigenschap heel gevoelig op geluidsgolven te reageren maakt ze ideaal als signaalversterker in de ultrageluidsdiagnostiek. Er is een duidelijk verschil tussen het ultrageluidsbeeld van een hart, zonder of met van tevoren in de bloedbaan geïnjecteerde bellen (figuur 7). Met bellen zijn de structuren duidelijk beter zichtbaar.

Figuur 7: Ultrageluidsopname van een hart zonder (links) en met (rechts) van tevoren in de bloedbaan geïnjecteerde belletjes. Met bellen zijn de structuren veel beter zichtbaar omdat de belletjes het geluid heel goed reflecteren ( Nico de Jong, PoF, UT).

De techniek wordt nu al medisch toegepast, maar er zijn nog wat problemen op te lossen en de methode kan zeker nog uitgebreid en verbeterd worden. Het is ons een genoegen hieraan samen te kunnen werken met onze collega Nico de Jong uit Rotterdam, met Philips, en met verschillende farmaceutische bedrijven. Een probleem is bijvoorbeeld de clustering van bellen wat om begrijpelijke redenen voorkomen moet worden. Dat gebeurt door de bellen met polymeren te coaten. De coating verandert het oscillatiegedrag van de bel, maar vooraf is niet bekend op welke manier. Men moet dus kijken met behulp van hogesnelheidscamera’s hoe een gecoate bel op ultrageluidspulsen reageert en dit gedrag vervolgens proberen te modelleren om kwantitatieve voorspellingen over de geluidsreflectie van zo’n bel te kunnen maken. Typisch medisch ultrageluid heeft wel een frequentie van 2-4 MegaHertz, waardoor structuren in het millimeterbereik kunnen worden waargenomen. Deze hoge frequenties vereisen natuurlijk een heel snelle camera, en die was toen wij met dit onderzoek begonnen niet beschikbaar. Stichting FOM heeft het mogelijk gemaakt dat wij een camera met een snelheid van 25 MegaHertz en 128 digitale beelden ontwikkeld hebben, de ‘Brandaris 128’. Met behulp hiervan kunnen wij verder inzicht verkrijgen in volume- en vormoscillaties van bellen en hun wisselwerking onderling en met structuren zoals cellen.

Figuur 8: Links: Hela-cellen (typisch enkel μm groot) vastgeplakt aan glas. In het midden is een bel geïmplodeerd, wat door de schuifspanning van de opgewekte stroming tot loslating van de cellen geleid heeft. De cellen aan de rand hebben fluorescine opgenomen dat alleen door gaten in het celmembraan mogelijk is. Elektronenmicroscopie laat deze gaten zien (rechts). Beide opnamen zijn gemaakt door C.D. Ohl in ons laboratorium ( PoF, UT).

Lokale drug- en gentoediening met behulp van bellen Deze wisselwerking is vaak verbazend, zoals een cultuur van Hela-cellen laat zien nadat een bel ernaast gecollapseerd is (figuur 8). Een collapserende bel wekt dermate sterke schuifspanningen op dat de vastgeplakte cellen loslaten van de glasplaat of zorgen – iets verder weg van het centrum – dat er gaten in het celmembraan ontstaan. Door deze gaten, die trouwens na een poosje weer dichtgroeien, kan de cel medicijnen of zelfs genen opnemen, of (zoals ter illustratie in figuur 8) fluorescine. Kortom: bellen samen met ultrageluid maken het lokaal toedienen van medicijnen of genen mogelijk.

Surface nanobubbles

Inktjet-printing, waarover ik hierboven gesproken heb, is zeker een van de belangrijkste voorbeelden uit het toepassingsgebied van de microfluidica, de stromingsleer op de micrometerschaal. Maar de micrometerschaal is nog niet de ondergrens in de vloeistoffysica: men kan best naar nog kleinere schalen toe, naar de nanofluidica. Hier zijn weer nieuwe uitdagingen. Belangrijke fundamentele vraagstukken in de nanofluidica zijn de randvoorwaarden. Op grote lengteschaal heeft sedert honderden jaren de zogenoemde no slip-randvoorwaarde zijn juistheid bewezen: de snelheid van de vloeistof aan een wand is nul. Iedereen kan het zelf uitproberen als hij probeert stof van zijn brillenglazen te blazen: het lukt wel met de grote stofdeeltjes, maar niet met de kleine, omdat de luchtsnelheid direct aan het glas te klein is om de stof in beweging te zetten (figuur 9, links). Op nanoschaal blijkt dat nu anders te zijn (figuur 9, midden): gas of vloeistof blijkt aan de oppervlakte een eindige snelheid te hebben, wat een zogeheten sliplengte b definieert. Typisch vindt men bij hydrofobe oppervlakten b=0.01–1 ìm. Voor micro- en nanofluidische toepassingen is een grote sliplengte heel voordelig. De hydrodynamische weerstand van een pijp wordt hierdoor verlaagd, die anders met kleiner wordende pijpdiameter met de vierde macht oploopt. Dit maakt toepassingen op heel kleine schaal onmogelijk.

Figuur 9: Snelheidsprofiel aan een oppervlakte met no slip- (links) en slip-(midden) randvoorwaarden. Rechts is een microscopische AFM-fasenopname, waarop surface nanobubbles met een diameter van typisch 40 nm en een hoogte van enkele nm te zien zijn. De opper-vlakte is silicium, gecoat met (hydrofoob) silan; de vloeistof is extreem schoon water ( S. Yang, PoF, UT).

Wat is de oorzaak van de eindige slip aan de oppervlakte? Dat is niet bekend. Wel zijn er speculaties, en volgens mij zijn surface nanobubbles de meest waarschijnlijke verklaring. Een heel dunne gaslaag tussen vloeistof en wand wekt wel de indruk dat er slip is. In werkelijkheid staat de gaslaag alleen maar een veel grotere snelheidsgradiënt toe. Inderdaad kan men op hydrofobe oppervlakten met behulp van atomic force microscopy (AFM) structuren van enkele nanometer hoogte en diameters van typisch 100 nanometer zien, die nanobubbles lijken te zijn (figuur 9, rechts). Op dit moment zoeken wij uit wat hun eigenschappen zijn en waarom ze niet gewoon oplossen, dus waarom ze stabiel zijn.

Impact op vloeistoffen

Tot nu toe heb ik het uitsluitend gehad over vrij kleine belletjes, tot aan nanobubbles toe. Maar ook voor bellen op veel grotere schaal zijn er belangrijke impulsen uitgegaan van het onderzoek aan een sonoluminescerende bel. Ik wil hier over ons onderzoek aan vrije vloeistofoppervlakten vertellen, in het bijzondere over zogenaamde impact events. Dat wil zeggen: over de vloeistofdynamica die door vallende objecten ontstaat. Een voorbeeld is een regendruppel die in de oceaan valt of een terugvallende golf. Een belangrijke vraag hierbij is: hoeveel gas komt bij dit proces in het water terecht? Het antwoord is cruciaal voor klimaatmodellen, waarin modellen voor de atmosfeer met die voor de oceanen gekoppeld moeten worden. Heel actueel is de vraag of de oceaan broeikasgassen in zich opneemt en zo de globale groei van de concentratie van deze gassen in de lucht kan vertragen.

Wij bekijken impact events onder goed gecontroleerde omstandigheden. Bijvoorbeeld als een schijf met grote (constante) snelheid door een lucht-waterinterface getrokken wordt (figuur 10, links). Daarbij ontstaat een holte, die door de hydrostatische druk ineenstort. Bij de singulariteit vormen zich twee jets, één naar boven de lucht in en één naar beneden (figuur 10, rechts). Verder ontstaat een bel, dus er is gasoverdracht van de lucht naar het water. Wiskundig gezien wordt de collaps van de holte (bij benadering) met een vergelijking beschreven, die beschouwd kan worden als tweedimensionale versie van de Rayleigh-vergelijking, die zo succesvol was bij het verklaren van sonoluminescentie.

Figuur 10: Een ronde schijf (diameter 6 cm) wordt met een snelheid van 1 m/s door een lucht-waterinterface getrokken. Daarbij ontstaat een holte die door de hydrostatische druk ineenstort. De drie foto’s links zijn 88 ms, 115 ms, en 131 ms na de impact van de schijf genomen ( R. Bergmann, PoF, UT); de curve is berekend met behulp van de hydrodynamische vergelijkingen. De foto rechts laat een latere fase van een vergelijkbare impact van een grote waterdruppel zien. Twee jets hebben zich al gevormd: één naar boven en één naar beneden, dwars door de bel ( M. Sandtke, PoF, UT).

Impact op zacht zand

Om naar nog grotere schaal te gaan: hoe vergelijkbaar is de zojuist beschreven impact op een wateroppervlak met de impact van een asteroïde op een planeet? Wij hebben zo’n asteroïdenimpact in het lab gesimuleerd, waarbij natuurlijk de schaal veel kleiner was. De dimensieloze kengetallen, die het experiment karakteriseren, zijn echter wel vergelijkbaar met die van een impact op geofysische schaal. Dit bereiken wij door voor aanvang van het experiment gas door het fijne zand te laten stromen. Op die manier worden ten eerste de krachten tussen de zandkorrels verzwakt en ten tweede reproduceerbare condities gegenereerd.

Figuur 11: Impact (op tijdstip t=0) van een stalen kogel (diameter 2.5 cm) op zacht zand (korreldiameter typisch 0.04 mm). Er ontstaat eerst een splash en daarna een jet, net zoals in water. De korrels in de jet clusteren wegens de inelastische onderlinge botsingen. De laatste foto laat een granulaire eruptie zien die door de opstijgende luchtbel veroorzaakt wordt ( R. Mikkelsen, PoF, UT).

De waarneembare verschijnselen van de impact op zacht zand (figuur 11) zijn heel vergelijkbaar met die op water. Eerst vormt zich een splash en dan een jet, op dezelfde manier als in water. Zelfs de bel, die wij bij de experimenten in water (figuur 10) hebben gezien, ontstaat weer: hij stijgt op door het zand en wordt zichtbaar door een granulaire eruptie aan het eind. Wel hebben wij gevonden dat de schaalwetten voor zand anders zijn dan voor water. Hoe ze er precies uitzien zoeken wij op dit moment nog uit. Ik verheug mij op verdere samenwerking met mijn collega’s Devaraj van der Meer, Andrea Prosperetti, Ko van der Weele en de promovendi aan dit leuke onderwerp.

Samenvatting en moraal

Ik hoop dat ik duidelijk heb kunnen maken wat een fascinerend en veelzijdig onderwerp de vloeistoffysica is, van nanometerschaal tot astrofysische schalen, en met zowel fundamentele vraagstukken als ook belangrijke toepassingen. Wat volgens mij de vloeistoffysica bijzonder leuk maakt is de nauwe wisselwerking tussen experiment, theorie en numerieke berekeningen. Die drie samen leveren het echte inzicht in het verschijnsel.

In het bijzonder hoop ik met de genoemde voorbeelden duidelijk gemaakt te hebben hoe belangrijk en essentieel het stimuleren van fundamenteel onderzoek is voor innovatie. Welke kant vernieuwend onderzoek op gaat weet men niet aan het begin van de rit. Als men precies terechtkomt waar men verwacht had, is de kans groot dat het onderzoek saai was. Zou het voor elk onderzoeksproject een eis worden middelen uit het bedrijfsleven te verwerven, dan krijgt men misschien productverbetering, maar beslist geen innovatie.

Dankwoord

Ik dank NWO en FOM, de ruggengraat van de Nederlandse natuurkunde, voor de erkenning van en steun voor mijn werk en voor het vertrouwen in mijn toekomstige werk. Ik zie de Spinozapremie als onderscheiding voor de hele groep. Wetenschap is een collectieve bezigheid en mijn wetenschappelijke inzichten zijn samen met mijn collega’s, medewerkers, postdocs, promovendi en studenten verworven. Tot slot wil ik mijn wetenschappelijk leermeester Siegfried Grossmann danken en mijn familie en gezin voor hun liefde, steun en toewijding.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
© Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 24 november 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.