Je leest:

Bron van inkomsten

Bron van inkomsten

Auteur: | 5 april 2013

Het menselijk lichaam en onderdelen daarvan vertegenwoordigen al vele eeuwen een financiële en economische waarde. Zo verhuren vrouwen hun lichaam om geslachtsgemeenschap of andere seksuele handelingen mee te hebben. Andere vrouwen stellen hun baarmoeder beschikbaar voor het voldragen van een foetus. Voor flink geld uiteraard. Uiteraard zijn er ook mannelijke prostituees voor mannen en vrouwen.

Mismaakte mensen of mensen met lichamelijke afwijkingen zoals reuzen, dwergen, albino’s, extreem dikke mensen, vrouwen met baarden en mensen met extra ledematen konden in vorige eeuwen tegen betaling bezichtigd worden op kermissen en in circussen. Ouders stelden in vorige eeuwen hun doodgeboren mismaakte pasgeborenen ten toon. Andere mismaakten hun gezonde kinderen om zo geld te kunnen verdienen. Zij konden dan tegen betaling door het publiek worden bekeken. Er is handel in organen voor transplantatie, maar ook in sperma en eicellen. Huid, bijvoorbeeld de huid die overblijft na penisbesnijdenissen, heeft een flinke commerciële waarde. Ook bloed is veel geld waard.

Of het nu via seks, of via de verkoop van een verwijderde voorhuidje, een nier of een skelet, het lichaam is al vele eeuwen een bron van inkomsten.

Na de dood hebben menselijke skeletten, schedels en organen financiële waarde voor anatomieonderwijs. Tot halverwege de negentiende eeuw betaalden anatomen geld voor verse lijken voor het anatomieonderwijs. Lijkrover was toen een beroep waar goed geld mee te verdienen viel. Mensen betaalden – en betalen nog steeds – gretig geld om bij een openbare lijkopening aanwezig te kunnen zijn. Kortom het menselijk lichaam en de onderdelen daarvan zijn geld waard.

Botten te koop

Voor het medisch onderwijs zijn echte menselijke skeletten en schedels onmisbaar. In botten zit dus handel. Tussen 1850 en 1985 werden vele honderdduizenden menselijke skeletten en schedels legaal vanuit India geëxporteerd naar de VS en Europa. In 1984 exporteerde India ruim 60.000 menselijke schedels naar de VS. In 1985 kwam er een wet in India die deze handel verbood. Daarna kwamen veel skeletten uit Haïti, maar ook nog steeds veel uit India, nu via de illegale markt. Het was immers zeer lucratieve handel.

Het Anatomisch Theater van de universiteit in Leiden, begin zeventiende eeuw.

In een overbevolkt land als India waren menselijke lijken ruim voorhanden die in grote verwerkingsfabrieken werden schoongemaakt, gebleekt en gemonteerd. De schoonmakers van de rottende lijken verdienden ongeveer $1,25 per dag. De schoongemaakte en gemonteerde skeletten werden daarna doorverkocht aan de tussenhandelaren voor circa $45,-. In de VS kost een compleet menselijk skelet nu circa $4.000,-.

Anno 2012 kun je nog steeds menselijke botten kopen. Bij bedrijven als Osta International of Skulls-unlimited.com kun je online echte schedels, losse beenderen en complete skeletten bestellen. Een dijbeen kost zo’n $190,-, een onderkaak met tanden $430,-. De prijzen van complete skeletten zijn op aanvraag, maar lopen op tot vele duizenden dollars.

Legaal maar gevoelig

Een bot of skelet is geen individu meer. Zodoende is in de meeste landen het bezit van en handel in menselijke beenderen wettelijk toegestaan. Zo ook in Nederland. Op Marktplaats en Ebay worden menselijke schedels en botten met regelmaat aangeboden.

Toch ligt het verzamelen en bezit van menselijke skeletdelen moreel bezien gevoelig. Zo werden in juli 2010 zes schedels van Urkers herbegraven op het Urker kerkhof. In 1877 waren de schedels door de Hilversumse arts Hengel ‘gestolen’ van de begraafplaats en overgedragen aan de hoogleraar professor Pieter Harting die ze voor antropologisch onderzoek gebruikte. Uiteindelijk kwamen ze in het Universiteitsmuseum van Utrecht terecht.

In 2010 kwamen zes schedels uit het Universiteitsmuseum in Utrecht weer ‘thuis op Urk’.

Maar oude moraal wordt met moderne moraal beoordeeld. Op advies van de ‘Ethische Code Commissie van de Nederlandse Museum Vereniging’ droeg de universiteit ze over aan het ‘Comité Urker schedels’.

Ook in andere landen spelen deze sentimenten. Oorspronkelijke bevolkingsgroepen als de Inuit, Aboriginals en Maori eisen regelmatig verzameld skeletmateriaal op om het vervolgens ritueel te kunnen herbegraven. Musea, waar de skeletresten bewaard worden, zwichten vaak onder de zware morele en maatschappelijke druk, maar vaak pas nadat professionele afgietsels van de stukken waren gemaakt. Het Utrechts Universiteitsmuseum redeneerde bijvoorbeeld dat de Urker schedels verzameld waren in een tijd met andere normen en waarden en dat zij dienen als tijdsbeeld van andere wetenschapsbeleving.

Musea zijn heel bang voor precedentwerking. In de ethische code voor musea uit 2007 staat: ‘Verzoeken tot verwijdering van menselijke resten of objecten met een religieuze betekenis uit een openbare tentoonstelling, komende uit de betrokken gemeenschappen, worden met respect en gevoel behandeld. Voor verzoeken tot teruggave geldt hetzelfde. Voor de behandeling van dergelijke verzoeken worden heldere richtlijnen opgesteld.’ Het verschil met skeletten in musea en de handel in skeletten en skeletdelen is dat de laatste veel anoniemer zijn dan de eerste. Vandaar dat de handel in skeletdelen over het algemeen op weinig weerstand hoeft te rekenen.

Ter lering, vermaak en inkomsten

Een bijzondere vorm van het publiekelijk tonen van medische en anatomische curiositeiten is het tentoonstellen van ongeprepareerde dode pasgeborenen met ernstige aangeboren afwijkingen in de zestiende tot negentiende eeuw. In veel gevallen werd voor bezichtiging geld gevraagd. Zoals straatmuzikanten of verkopers van de daklozenkrant nu, zagen bedelaars een lijkje als bron van inkomsten. Dergelijke tentoongestelde babylijkjes trokken grote drommen mensen. Ter lering, maar vooral ter vermaak.

Het Museum Vrolik, onderdeel van het AMC in Amsterdam.

Christopher Krahe beschrijft in 1684 in de Philosophical Transactions een dergelijke tentoonstelling. Het lijkje van een monsterlijk kind dat op 29 februari 1684 in Heisagger in Zuid-Jutland in Denemarken was geboren werd bij de lokale kerk getoond. Het trok ongeveer honderd nieuwsgierigen. Na drie dagen begon het lijkje te ver te ontbinden om nog gezien te kunnen worden. Het kind had, volgens de omschrijving van Krahe, een ‘hoed van vlees’, een staart, misvormde armen en had teveel vingers en tenen. Daarnaast was er een vleesbal zichtbaar op zijn linker been. De vader van het onfortuinlijke kind was soldaat in het leger en was, terwijl zijn vrouw zwanger was, op dezelfde plaats door een musketkogel gewond geraakt. Vaak werden dit soort verklaringen gezocht voor het ontstaan van aangeboren afwijkingen.

Als er tijdens de zwangerschap een kikker of pad op het bed van de moeder was gesprongen bestond de kans dat het kind met een ‘paddenkop’ (anencefalie) werd geboren. In de wetenschappelijke literatuur uit de zeventiende eeuw zijn vele pasgeborenen met aangeboren afwijkingen beschreven en afgebeeld. Opvallend is dat vrijwel alle mismaakte kinderen, de meeste doodgeboren of kort na de geboorte overleden, werden afgebeeld als zijnde levend. Zo ook het misvormde kind uit Jutland. Alsof het zo kon weglopen. Pas in de negentiende eeuw werden de misvormde kinderen dood geïllustreerd. We weten door deze publicaties veel over het voorkomen van aangeboren afwijkingen in vorige eeuwen. In het dode kind uit Denemarken is het eerste geval van het Meckel-Gruber syndroom herkend.

Monsters

Al eeuwen is de mens gefascineerd door monsters, menselijke of dierlijke pasgeborenen met aangeboren afwijkingen. In rariteitenkabinetten en anatomische verzamelingen, die vanaf de vijftiende en zestiende eeuw ontstonden, waren zulke ‘spelingen der natuur’ altijd prominent aanwezig geweest. In veel van die verzamelingen kon ook de gewone burger zich tegen betaling vergapen aan deze en andere anatomische bezienswaardigheden. Een bekend voorbeeld van zo’n verzameling in Nederland was die van de Amsterdamse arts Frederik Ruysch (1638-1731). Medici hoefden overigens niet te betalen om in Ruysch anatomisch museum binnen te komen.

De sfeer rondom de verzamelaar Frederik Ruysch is mooi beschreven in de boeken Vingers van marsepein van Rascha Peper en De Doodskunstenaar van Luuc Kooijmans. In de tijd van Ruysch waren menselijke resten al veel geld waard. Mits goed geprepareerd. Ruysch maakte ware kunstwerken met anatomisch materiaal. Hij vervaardigde indrukwekkende bergjes van gal en blaas stenen. Skeletjes van foetussen werden er omheen gezet met vaandels en teksten om de toeschouwer te herinneren aan diens sterfelijkheid. In 1717 verkocht Ruysch zijn hele collectie voor een fors bedrag aan tsaar Peter de Grote. De tsaar bouwde voor de collectie de Kunstkamera. Er zijn nog steeds 916 preparaten in St Petersburg aanwezig.

Günter von Hagens met zijn ‘anatomische kunst’.
Alamy

In de loop van de achttiende eeuw werden aangeboren afwijkingen steeds meer systematisch en volgens toenmalige wetenschappelijke inzichten verzameld. Die wetenschappelijke interesse in aangeboren afwijkingen is ook terug te zien in de negentiende-eeuwse verzameling van de Amsterdamse vader en zoon Gerard Vrolik (1775-1859) en Willem Vrolik (1801-1863). Het Museum Vrolikianum was een bezienswaardigheid onder nationale en internationale artsen en wetenschappers. Het museum bestond uit ruim 5.000 preparaten, waarvan ruim vijfhonderd dierlijke en menselijke aangeboren afwijkingen. Verder bestond de verzameling uit menselijke en dierlijke skeletten en schedels, pathologische preparaten en anatomisch materiaal van bijzondere dieren, die veelal uit de nabijgelegen dierentuin Artis werden verkregen. Een groot deel van de collectie is bewaard gebleven en nog steeds in een permanente tentoonstelling te bewonderen in Museum Vrolik in het AMC in Amsterdam.

Levende lijken

Een moderne Frederik Ruysch is zonder twijfel de Duitse anatoom Günther von Hagens. Via een anatomische prepareertechniek, plastinatie, kunnen menselijke en dierlijke lijken zodanig geconserveerd worden dat alle inwendige onderdelen als zijnde ‘in levende staat’ tentoongesteld kunnen worden. De collectie van plastinaten was onder de naam Körperwelten in Duitsland voor het eerst te zien in de winter van 1997-1998. De tentoonstelling was direct een groot succes: bijna 780.000 bezoekers in de eerste vier maanden! Zowel medische professionals als gewone burgers betaalden grif geld om de anatomische preparaten te kunnen bewonderen.

In de jaren daarna zijn de geplastineerde lijken in vele wereldsteden voor miljoenen bezoekers tentoongesteld. Er is grof geld mee verdiend, niet alleen met de lichamen, maar ook met de lijvige, rijk geïllustreerde catalogi. Hoewel de meeste bezoekers de tentoonstelling prijsden, was er ook protest, zij het in beperkte mate. In Londen bedekte een bezoeker het geplastineerde lichaam van een zwangere vrouw en een andere bezoeker ging een geprepareerd lichaam met een hamer te lijf.

Geplastineerde menselijke lichamen zijn ook te koop. Voor zo’n €70.000,- word je de trotse eigenaar van een compleet geplastineerd menselijk lichaam. Von Hagens zegt zelf alleen te verkopen aan ‘geautoriseerde kopers’, zoals musea en universiteiten. Tussen 1999 en 2006 verdiende hij 40 miljoen dollar aan deze handel. In China stond in die tijd een enorme plastinatie fabriek. Uiteindelijk leverde het tentoonstellen van de geplastineerde lijken Von Hagens ruim 900 miljoen dollar op. Lijken zijn veel geld waard!

Openbare lijkschouwing

Op het schilderij ‘De anatomische les van doctor Tulp’, van Rembrandt (1632) is een lijkschouwing op te zien. Vele anatomen hebben zich, met name in de zeventiende eeuw, omringd door andere artsen, chirurgijns en zij die daarvoor in opleiding waren op deze manier laten vereeuwigen. Een eeuw eerder ging dat anders. Op de zogenoemde ‘frontispice’ in de anatomische atlas van Andreas Vesalius uit 1543 is centraal de anatoom te zien die het lijk geopend heeft. Daaromheen is het een drukte van belang: wetenschappers, maar ook bestuurders van de stad, leden van de kerk en het gewone volk. Op de voorgrond zien we een man met blote benen, een jongen met een aap en een man met een hond. De openbare lijkschouwing ter lering ende vermaak.

De Anatomische Les door Nicolaas Tulp van Rembrandt.

In 2002 trok Günther von Hagens opnieuw belangstelling door in een Oost-Londense galerie een drie uur durende openbare lijkschouwing te voltrekken op het lichaam van een 72-jarige Duitser. Zijn 500 toeschouwers betaalden 19 Euro per persoon om erbij aanwezig te kunnen zijn. De openbare obductie werd op de commerciële televisie op Channel 4 uitgezonden: de eerste openbare autopsie in Groot-Brittannië in meer dan 170 jaar.

Openbare lijkschouwingen zijn sinds 1832 officieel verboden in Groot-Brittannië, zodat de vraag rees of de wet werd overtreden. Het werd ‘goedgepraat’ door te stellen dat het een kunstuiting was. Günther von Hagens stelde na de autopsie dat de tijd voorbij was dat anatomie voor de medische elite voorbestemd was. We waren weer terug bij af: de openbare lijkschouwing ter lering ende vermaak. Mensen stellen hun lichaam na hun dood graag af aan Von Hagen. Alleen in al Duitsland zijn er ruim 5.000 geregistreerde donoren.

Hoeren en lichtekooien

In de volksmond wordt een prostituee hoer of lichtekooi genoemd, een bezoeker een hoeren loper. Het woord hoer is afgeleid van het Oudnoorse hóra, wat ‘overspelige vrouw’ betekent. Mannen die zich beschikbaar stellen aan vrouwen worden meestal gigolo’s genoemd.

De bekendste vormen van prostitutie in Nederland zijn raamprostitutie, bordeelprostitutie en tippelprostitutie. Vooral de laatste vorm ondervindt veel kritiek vanwege het prostitueren door heroïneverslaafde vrouwen die besmettelijke ziekten als HIV en hepatitis kunnen overbrengen. In Nederland zijn momenteel circa 30.000 fulltime prostituees werkzaam. De meeste prostituees zijn prostituee geworden puur om financiële redenen.

Naar schatting 15% van de prostituees wordt onvrijwillig tot het werk gedwongen. Zij worden vaak financieel uitgebuit. Tippelaars staan erom bekend dat zij werken om geld te verdienen om heroïne te kunnen kopen. Prostitutie is van alle tijden en alle culturen. Onderdrukking van prostitutie is vooral ingegeven door religieuze motieven, maar in de negentiende eeuw ook vanuit het perspectief van geslachtsziektenbestrijding. Vooral om de verspreiding van syfilis in te dammen werden regelingen en controlesystemen in het leven geroepen. In de negentiende eeuw werd syfilis vooral door prostituees verspreid. Aan het einde van de negentiende eeuw waren er in Frankrijk meer dan een miljoen met syfilis besmette burgers.

De Amsterdamse Wallen

De seksuele bron van besmetting en het uiterlijk goed zichtbare verval maakte dat syfilis vooral in de vorige eeuwen door velen gezien werd als een straf voor zedeloze losbandigheid en diepe verdorvenheid. Vooral mateloze en overspelige mannen liepen de vuyle siekte op door seks te bedrijven met immorele hoeren: coitus impurus. De New Yorkse arts Robert W. Taylor schrijft in zijn vuistdikke standaardwerk uit 1895: ‘Directe syfilitische infecties komen frequent voor door onnatuurlijke en dierlijke methoden van verwennerij tussen personen van de zelfde of andere sekse.’

De Amsterdamse dermatoloog Samuel Mendes da Costa schrijft in 1914: ‘Het krijgen van syphilis is een ongeluk; het overbrengen der ziekte op een ander een daad, waarvoor men verantwoordelijk is en die, als zij bewust bedreven wordt, een misdaad genoemd moet worden.’ Deze laatste stelt dat geslachtsgemeenschap met een geïnfecteerde prostituee de grootste kans op besmetting levert. De kans is, zo schrijft hij, één op drie. Als een man na drie bordeelbezoeken nog geen syfilis heeft opgelopen, dan mag hij zich volgens Mendes da Costa ‘onder de door het lot bevoorrechten rekenen.’ Een waar Russisch roulette dus.

Geslachtsziektebestrijding en prostitutie zijn sinds begin 1800 nauw verbonden. Er zijn weinig andere ziekten die zo sterk tot morele beoordeling en veroordeling aanleiding gaven als syfilis. De geschiedenis herhaalde zich rond na 1980 met HIV en AIDS, een andere infectieziekte met groteske gevolgen die in de meeste gevallen door seksuele handelingen wordt overgebracht.

Ouders met onzuivere bedoelingen

De meeste ouders houden van hun kinderen en zullen alles wat in hun vermogen ligt doen om hen te beschermen tegen het oplopen van lichamelijke of geestelijke schade. Niet alle ouders redeneren zo. Zo werd in juni 1593 in Parijs een jongetje van ongeveer anderhalf jaar oud tegen betaling aan het publiek getoond. In vorige eeuwen was het heel gebruikelijk dat mismaakte pasgeborenen en kinderen aan het publiek werden getoond. Als de ouders erbij aanwezig waren wilden zij daar graag geld voor hebben. Het jongetje dat in Parijs op het plein voor de Notre Dame werd getoond had een grotesk waterhoofd. Een waterhoofd is een relatief algemene aangeboren afwijking waarbij de afvloed van hersenvocht is belemmerd. Het hoofd waarvan de schedelbeenderen nog niet zijn vergroeid zijn kan daardoor tot enorme grootte opzwellen. De ouders van het ventje toonden hun misvormde kind tussen andere mismaakte pasgeborenen en volwassenen met afzichtelijke afwijkingen.

De arts Lodovicus Wallier bezocht regelmatig de plaatsen in Parijs waar mismaakten getoond werden of zichzelf vertoonden. Hij hoopte bijzondere gevallen te vinden. Wallier bekeek het knaapje met het waterhoofd, maar vertrouwde het niet. De ouders werden door de kritische arts onrustig. Later kwam de arts met enige vertegenwoordigers van de plaatselijke overheid en soldaten terug op het plein. De ouders werden gearresteerd en ook het kind met het waterhoofd werd meegenomen. Na langdurige ondervraging bekenden de ouders het ‘waterhoofd’ zelf te hebben veroorzaakt. De vader had een klein sneetje in de hoofdhuid gemaakt en elke dag lucht tussen hoofdhuid en schedelbeenderen geblazen, net zolang totdat het hoofd zo groot was dat het op een aangeboren waterhoofd leek. Na het inblazen van de lucht sloot hij het gaatje met warme was af. De ouders dachten door een mismaakt kind aan het publiek te tonen veel geld te kunnen verdienen. Bij gebrek aan zo’n kind mismaakten zij hun zoon zelf maar. De ouders werden uiteindelijk voor hun ‘snoode en Goddeloze daad’ met de dood gestraft.

Fabricius Hildanus beschreef 600 gevallen van moedwillige verminking.

De Duitse arts en chirurgijn Fabricius Hildanus beschrijft het voorval in zijn Centuriae, een boek met maar liefst zeshonderd bijzondere medische gevallen. Aan het einde van de twintigste eeuw introduceerde de kinderarts John T. Stutts de term ‘Malingering by proxy syndroom’ voor dit soort ziekelijke daden: mismaken van een naaste. Sindsdien is er maar een handvol wetenschappelijke publicaties over verschenen. Tegenwoordig komen ouders op andere manieren gemakkelijker aan hun geld.

Onderdelen te koop

In de bio-tech industrie staat de term ‘neonatale fibroblast’ voor cellen die verkregen worden uit babyvoorhuidjes. Opgekweekte voorhuid, restmateriaal van besnijdenissen, brengt in de VS circa €800 tot €1.100 per eenheid op. Het wordt gebruikt om kunsthuid van te maken, bijvoorbeeld voor de behandeling van brandwonden. Door het opkweken van een enkele voorhuid kunnen zo’n 20.000 eenheden kunsthuid worden geproduceerd. Een enkele voorhuid kan zo dus $ 100.000 opleveren.

SkinMedica en Invitrogen Corp zijn grote bedrijven die voorhuiden van besneden jongetjes verwerken tot kunsthuid. Zij verdedigen hun werk met het argument dat fibroblasten in principe uit allerlei huiddelen gemaakt kunnen worden, maar dat voorhuidjes van besneden jongetjes anders in de vuilnisbak belanden. Bovendien is de voorhuid van pasgeboren jongetjes van superieure kwaliteit vergeleken bij de huid van oudere mensen. Er wordt niet alleen kunsthuid gemaakt uit de fibroblasten, maar ook antiveroudering gezichtscrème. Niemand minder dan Oprah Winfrey heeft in haar show deze crème gepromoot. Nog een stap verder is de Vavelta injectie, waarbij neonatale fibroblasten onder de huid worden ingespoten. Het resultaat: een mooie gladde huid zonder rimpels. De voorhuidhandel is in de VS een ware miljoenenbusiness.

Bloedgeld?

Een bloeddonor geeft in Nederland zijn bloed ‘om niet’; het is een altruïstische daad. Voor de afnemer, de bloedbank Sanquin, ligt dat vervolgens wat anders. Sanquin is een bedrijf dat bloed- en plasmaproducten verkoopt. Het is niet helemaal een ‘gewoon’ bedrijf omdat de overheid (mede) bepaalt wat de prijs van de producten mag zijn.

Ziekenhuizen zijn afhankelijk van Sanquin waar het aankomt op bloed- en plasmaproducten. Per jaar wordt zo’n 900.000 keer ongeveer een halve liter bloed gedoneerd door welwillende donoren. Dat is dus 450.000 liter bloed. De prijs voor een bewerkt zakje bloed bedraagt ruim twee honderd euro. Nederlandse ziekenhuizen kopen per jaar meer dan een half miljoen zakjes bloed. Dat vertegenwoordigt dus een waarde van ruim honderd miljoen euro.

Een bloeddonor doneert bloed.

Er is de laatste jaren discussie geweest over de omzet, de winst en over de salarissen van het bestuur van Sanquin. In reactie daarop stelt het bedrijf dat Sanquin een complexe organisatie is, vergelijkbaar met een ziekenhuis of een farmaceutisch bedrijf, en dus ook vergelijkbaar geleid moet worden. Bovendien blijkt de kwaliteit van bloedproducten beter in landen waar de donor het bloed om niet geeft. Wanneer er geld wordt gegeven voor bloed, trekt dat donoren aan die geld nodig hebben en de ervaring leert dat de gezondheid van die donoren gemiddeld slechter is dan die van onbetaalde vrijwilligers. Feit blijft dat Sanquin uit een product dat ‘gratis’ wordt afgestaan veel geld weet te genereren; voor sommigen een ongemakkelijk gegeven.

Sperma en eicellen te koop

In april 2012 opende de eerste eicelbank van Nederland haar deuren. Vrouwen kunnen daar eicellen afstaan, die vervolgens gebruikt worden om onvruchtbare vrouwen te helpen. Omdat handel in lichaamsmateriaal in Nederland verboden is krijgen de vrouwen een ‘onkostenvergoeding’ van duizend euro.

Tot nu toe zoeken veel onvruchtbare vrouwen hun toevlucht voor het verkrijgen van eicellen in het buitenland of op internet. De prijs van een eicel is daar al gauw €3.000. In Spanje krijgen vrouwen circa €900 voor een eicel. Briljante studentes van de Harvard of Yale universiteit in Amerika kunnen rekenen op zo’n €25.000 voor een kwalitatief goede eicel.

Voor één dosis ‘snelle zwemmers’ krijg je €50 tot €80 ‘onkostenvergoeding’.
AFP Relaxnews

In Nederland moeten de donoren van de eicelbank minimaal 26 en maximaal 38 jaar oud zijn. De ontvangers mogen niet ouder dan 45 jaar zijn. De ‘onkostenvergoeding’ voor de donoren is redelijk als je kijkt naar de belasting. De vrouwen moeten zes maal naar het ziekenhuis komen, krijgen hormoonbehandeling en de eicellen moeten via een operatieve ingreep ‘geoogst’ worden. De donoren zijn semi-anoniem. Dat wil zeggen dat het ontstane kind op 16-jarige leeftijd informatie kan opvragen over zijn biologische moeder.

Een stap verder dan het doneren van eicellen is het ‘verhuren’ van je baarmoeder om een kind van een ander in te laten groeien. Na de geboorte staat een draagmoeder het kind af aan het echtpaar dat de baarmoeder heeft gehuurd. En ook dit is een lucratieve business. In de VS levert zo’n negen maanden job al gauw €20.000 op. In ruil daarvoor moet een draagmoeder zich wel gedragen. Onveilige seks, roken en alcohol drinken zijn uit den boze.

Het doneren van sperma is aanmerkelijk minder lucratief. Je hoeft er dan ook minder voor te doen. In Nederland en België levert een ‘kwakje’ tussen de €50 en €80 onkostenvergoeding op. De donor moet tussen de 25 en 45 jaar zijn en beschikken over ‘vitale snelle zwemmers’.

Organen te koop

In Nederland is handel in organen bij wet verboden. Donoren die bij leven een nier afstaan krijgen een onkostenvergoeding. In het buitenland worden nieren wel te koop aangeboden, bijvoorbeeld in Pakistan. Daar kun je een nier kopen voor ongeveer $10.000. Nederland is vooral bang voor uitbuiting van armlastige mensen, en voor een dreigende afname van vrijwillige nierdonatie.

Op dit moment zijn de nieren voor transplantatie in Nederland afkomstig van twee grote bronnen. De grootste bron zijn de donoren die bij leven een nier afstaan aan een verwant familielid. De tweede bron zijn de nieren van overleden mensen. Verder wordt een minderheid van de nieren afgestaan door zogenaamde altruïstische donoren, die hun nier bij leven afstaan aan een niet verwante ontvanger. Dit aanbod is bij elkaar niet voldoende om de vraag te voldoen. Vandaar dat rijke ontvangers uitwijken naar het buitenland om daar een nier te kopen.

Vanuit moreel standpunt bezien is het wonderlijk dat er zo’n weerstand is tegen gereguleerde betaling voor een nier bij leven. Immers, transplantatiegeneeskunde wordt gezien als moreel juist. Ook wordt het als moreel juist gezien als iemand die iets bijzonders doet voor de samenleving daarvoor wordt betaald; denk aan gevarengeld. Maar brengen we deze twee zaken bij elkaar dan vinden we het immoreel. Betaling vinden de meesten dan niet juist, maar een (ruime) onkostenvergoeding wel. Wellicht komt het, in het licht van de schaarste en behoefte, ooit wel zover dat men een nier legaal kan verkopen. Zover is het nog niet.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 april 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.