Je leest:

‘Bodemtransplantatie geeft nieuwe natuur zetje in de goede richting’

‘Bodemtransplantatie geeft nieuwe natuur zetje in de goede richting’

Interview met bodemonderzoeker dr. Martijn Bezemer van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO)

Auteur: | 6 oktober 2016

Terreinbeheerders proberen natuurontwikkeling te sturen, door maaisel uit andere gebieden uit te strooien in nieuwe terreinen. Bodemonderzoeker dr. Martijn Bezemer van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO) gaat daarbij nog verder met bodemtransplantatie.

‘De mossel’ is een voormalig landbouwbedrijf in het gebied Planken Wambuis, op de Veluwe. Tot 1996 werd er onder andere maïs verbouwd. Sindsdien is het in eigendom gekomen van terreinbeheerder Natuurmonumenten. Maar echt spannende natuur is het sindsdien nog niet geworden, vindt bodemecoloog Martijn Bezemer, van het Nederlands Instituut voor Ecologie, het NIOO in Wageningen.

“Een van de problemen is de hoeveelheid fosfaat”, vertelt hij. “Maïsteelt is natuurlijk berucht vanwege de enorme hoeveelheden mest die op het gewas worden gebracht. We meten hier tot op de dag van vandaag dan ook nog fenomenale hoeveelheden fosfaat in de bodem. Ik denk dat er niet veel plekken in Nederland zijn waar zoveel fosfaat in de bodem zit. Een ander probleem is de hoeveelheid wilde zwijnen. Die woelen de bodem steeds om, waardoor de natuur eigenlijk niet voorbij het pioniersstadium komt. Voor het interessant kan worden schoffelen de zwijnen het weer om. Wat we hier nu vooral zien is een dichte deken van het giftige jacobskruiskruid.”

Iets verderop op de Dennekamp is de natuur al een stuk verder gekomen. “Ook dit was landbouwgebied”, weet Bezemer. “Natuurmonumenten heeft dit stuk grond in ruim dertig jaar terug verworven. Hier was de fosfaatbelasting minder. In de loop van de tijd heeft zich hier mooie natuur ontwikkeld. Er zijn hier spontaan planten opgekomen die horen bij de zogenoemde heischrale graslanden. Dan moet je denken aan liggend walstro, zandblauwtjes of pilzegge, maar ook soorten die op de Rode Lijst van bedreigde en beschermde planten staan, zoals borstelkrans.”

Ook op de Dennekamp zie je her en der wel wroetsporen van de zwijnen. Maar daar tussendoor liggen verschillende kale plekken die wat zorgvuldiger lijken uitgegraven. “Hier hebben we de afgelopen dagen grond verzameld voor een nieuw experiment’, legt Bezemer uit. ‘Op gerichte stukjes hebben we steeds een zak grond verzameld van een liter of twintig. Die staan nu klaar om getransplanteerd te worden op de Mossel. Daarmee willen we onderzoeken of we de natuurontwikkeling in dat gebied een duwtje in de goede richting kunnen geven.”

Bodemecoloog Martijn Bezemer.
R. Buiter, Heemstede

Maaisel of bodem

Terreinbeheerders proberen al veel langer om natuurontwikkeling een beetje te sturen, door maaisel uit andere gebieden uit te strooien in nieuwe terreinen, weet Bezemer. “De gedachte daarachter is natuurlijk dat dat maaisel ook veel zaden en ‘stekjes’ bevat van planten die je graag in je nieuwe gebied wilt hebben. Maar in de praktijk blijkt dat vaak toch niet zo te werken. Ons idee is dat daarbij een belangrijke stap wordt vergeten: de bodem!”

In eerdere experimenten hebben de onderzoekers van het NIOO in samenwerking met Natuurmonumenten, al laten zien dat ze door middel van een transplantatie van plagsel uit heideterreinen de ontwikkeling van nieuwe natuur beter kunnen sturen. Bezemer: “Als je niet alleen maaisel, maar met het plagsel ook de bodem van die heideterreinen uitstrooit, krijg je op maagdelijke terreinen veel sneller heidenatuur terug dan wanneer je alleen maaisel uitstrooit.”

In dit nieuwe experiment willen Bezemer en zijn collega’s kijken of ze de sturing nog wat nauwkeuriger kunnen doorvoeren. “We hebben hier nu honderd proefvlakken gemaakt van twee bij twee meter. Daar halen we eerst alle onkruiden vanaf. Op de zwarte grond brengen we vervolgens een heel dun laagje grond dat we op specifieke stukjes uit de Dennekamp hebben weggehaald. Hier een stukje waar breedbladige planten groeiden, daar een beetje grond waar verschillende grassoorten op hebben gestaan. Onze vraag is nu: kunnen we de nieuwe natuur ook op plantniveau sturen? Kunnen we met dat dunne laagje grond ook de specifieke bacteriën en schimmels transplanteren die bij de rijkere natuur horen?”

Netwerk in de bodem

In het lab heeft Bezemer al wel duidelijke aanwijzingen gevonden dat een plant een specifieke ‘vingerafdruk’ achterlaat in de bodem. “Wat die vingerafdruk precies is, weten we eigenlijk niet. Maar planten doen overduidelijk ‘iets’ met bacteriën, schimmels en andere bodemorganismen. En het is ook andersom: de bodemorganismen beïnvloeden natuurlijk ook de planten. En ze beïnvloeden elkaar. Het is een ingewikkeld netwerk van organismen. Met dit experiment in de Dennekamp willen we kijken of we die kennis ook praktisch kunnen toepassen.”

Het transplanteren van de specifieke signatuur van een stuk grond heeft niet alleen potentie in de natuur. Bijvoorbeeld ook chrysantentelers kunnen er hun voordeel mee doen, denkt Bezemer. “Om de zoveel tijd moeten die telers hun grond ontsmetten, met hete stoom. Maar binnen de kortste keren komen er dan toch weer ziektekiemen in, waarna ze wéér moeten ontsmetten, enzovoort. Zou het voor die telers niet veel slimmer zijn om de net ontsmette, steriele grond te ‘inoculeren’ met een beetje gezonde bodem, waar de juiste micro-organismen al in zitten? De komende tijd willen we met experimenten in het lab ook kijken of je de grond langer ziektevrij kunt houden door hem bij het begin een duw in de gezonde richting te geven.”

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 oktober 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.