Je leest:

Blij met een bril

Blij met een bril

Auteur: | 21 februari 2003

De bril: een prachtige uitvinding en een onding. Hij verandert je uiterlijk, hij drukt op je neusvleugels, hij beslaat, gaat kapot en raakt zoek. Toch kun je niet zonder als je slechte ogen hebt of de vijftig gepasseerd bent. Het kan geen toeval zijn dat de bril werd uitgevonden in een omgeving van lezers en schrijvers. Artsen kwamen er niet aan te pas.

Voor een jager zijn goede ogen zonder twijfel van levensbelang. Toch was er in de samenleving van onze verre voorouders vast ook plaats voor iemand met minder goede ogen. De jacht vereist samenwerking en wie niet goed in de verte kan zien, is misschien wel bekwaam in het doden of verdelen van de buit. Ook bij het verzamelen van planten en vruchten zal lichte bijziendheid geen bezwaar geweest zijn. Slechts enkelen bereikten de leeftijd waarop verziendheid en staar een rol gaan spelen.

Misschien bestond de kunst van het lenzen maken al eerder, maar betrouwbare documentatie over de bril hebben we pas uit de dertiende eeuw. Toen noteerde de Engelse filosoof Roger Bacon het vergrotende effect van een afgebroken stuk van een glazen of kristallen bol. Dat leek hem nuttig voor oude mensen en slechtzienden, die met zo’n vergrootglas weer zouden kunnen lezen. Het vergrootglas deed het goed in de vele Europese kloosters, de plaatsen bij uitstek waar de kunst van het lezen en schrijven beoefend werd. Als er geen daglicht was werkten de monniken bij kaarslicht en daarbij kon een bolle lens, met de platte kant op een tekst gelegd, goede diensten bewijzen. Temeer daar monniken door hun rustige en gezonde leefwijze vaak een hoge leeftijd bereikten. Zo’n lens kon geslepen zijn van beryllus of beril, een heldere halfedelsteen. Dat woord ging over op de lens zelf en werd in het Duits en het Nederlands de term voor de twee glazen met montuur die de lens zouden vervangen.

Eind 13de eeuw moet het gebeurd zijn. Venetiaanse glasbewerkers probeerden zonder succes de kunst van het slijpen en blazen geheim te houden. Waarschijnlijk maakte de Dominicaner monnik Fra Alessandro da Spina in een klooster in Pisa de eerste brillen. Een manuscript uit 1299 maakt gewag van de glazen die pas uitgevonden zijn om oude en slechtziende mensen te helpen. In 1305 noteert een andere monnik dat het nog geen twintig jaar geleden is dat de bril werd uitgevonden. Fra Alessandro leerde de kunst van het glazen slijpen ook aan anderen en in het midden van de 14de eeuw raakte de bril in de mode. Het kon zelfs een bijnaam opleveren: nog steeds bestaat in Italië de achternaam Quattrocchi (Vierogen).

De middeleeuwse bril was dus een leesbril. Niet alleen in de kloosters was daar behoefte aan, ook in de burgersamenleving werden geschreven teksten steeds belangrijker. Kooplieden stelden contracten op en stedelijke overheden vaardigden keuren uit. Steeds meer mensen moesten kunnen lezen en schrijven en steeds meer mensen kregen na hun veertigste behoefte aan een bril. Voor bijzienden werd pas rond 1600 een bril uitgevonden. De sterrenkundige Johannes Kepler, bezig met het verbeteren van de telescoop, ontwikkelde toen een theorie over de manier waarop het oog werkt. Hij beredeneerde ook dat holle glazen het ver zien bevorderden. In de 18de eeuw zette de Amerikaanse uitvinder en revolutionair Benjamin Franklin de volgende stap. Hij had genoeg van het steeds wisselen van bril, liet twee brillen doormidden snijden en maakte van de vier halve lenzen twee dubbelfocuslenzen.

De bril kwam in allerlei vormen op de markt. Het begon met twee glazen in een metalen of leren montuur, dat op allerlei verschillende manieren op het hoofd werd vastgezet. Een andere oplossing was het lorgnet, met als groot bezwaar dat de drager het steeds moet vasthouden. De bril die we nu kennen, met twee armen die achter de oren blijven hangen, kwam pas aan het eind van de 18de eeuw in zwang.

Grote afwezigen in de ontwikkeling van de bril waren artsen. Volgens hen bestond het niet dat een mens beter ging zien door iets voor het oog. De oogwatertjes die zij voorschreven werkten veel beter. Brillen werden verkocht door handelaars in allerhande goederen en het uitzoeken van een bril was een kwestie van proberen. Pas aan het eind van de 19de eeuw integreerde de Nederlandse oogarts Donders de bril in het oogheelkundig vak. Hij vond ook een methode uit om astigmatisme te meten. De bril is sindsdien een precisieinstrument, al wordt in de Hema de oude traditie voortgezet.

De bril zal niet snel verdwijnen maar heeft wel concurrentie gekregen. De contactlens, bedacht door Leonardo da Vinci, begon na de Tweede Wereldoorlog aan een snelle opmars. Laseroperaties kunnen zowel bril als contactlens overbodig maken maar zijn vooralsnog niet populair. De bril is wel steeds meer een modeobject, een imago-onderdeel. Misschien lijkt het ooit nog eens hopeloos ouderwets, wat Dorothy Parker in de vorige eeuw schreef: “Men seldom make passes at girls who wear glasses”. (Brillende meisjes zijn geen eerste prijsjes).

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 februari 2003

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.