Je leest:

Biodiversiteit in de landbouw: luxe of noodzaak?

Biodiversiteit in de landbouw: luxe of noodzaak?

De moderne intensieve en op industriële leest geschoeide landbouwpraktijk heeft het aanzien van het agrarisch cultuurlandschap aanzienlijk veranderd.

Kleinschalige landschapselementen zijn vaak verdwenen, de diversiteit aan gewassen is kleiner geworden en de biodiversiteit in het agrarische gebied is verminderd. Het aantal vogels op landbouwgronden bijvoorbeeld, is de afgelopen 30 jaar meer dan gehalveerd. Soms wordt het huidige agrarische cultuurlandschap wel een ‘dood landschap’ genoemd. Deze uitspraak lijkt te stellig. Het huidige agrarische natuurbeheer zet zich in voor het behoud en de ontwikkeling van een diversiteit aan planten- en diersoorten die passen bij het oude cultuurlandschap. Daarbij herbergt het agrarisch cultuurlandschap veel meer biodiversiteit dan alleen de soorten uit het agrarisch natuurbeheer. Toch worden biodiversiteit en landbouw vaak als een tegenstelling ervaren. Ze lijken alleen samen te gaan als boeren worden gecompenseerd voor het verlies van hun opbrengst.

Agrarisch landschap
Sommigen betitelen het moderne agrarische landschap als een dood landschap.
Shutterstock

De intensieve landbouw loopt de laatste decennia steeds meer tegen zijn eigen grenzen aan. Dierziekten zoals Q-koorts en resistente bacteriën veroorzaken paniek, en het vertrouwen van consumenten in de veiligheid van hun voedsel vermindert. Boeren zijn zich daarvan steeds meer bewust en zoeken vernieuwde productiewijzen die meer in balans zijn met hun omgeving. Dit doen ze omdat de markt daar soms om vraagt, voor het creëren van een toekomstgericht bedrijf, maar ook omdat ze dit belangrijk vinden voor een gezonde voedselproductie en leefomgeving. Landbouw gaat inmiddels ook om een vitale bodem, een gezonde leefomgeving en een grotere genetische variatie binnen vee en gewassen.

Agrobiodiversiteit

Jarenlang is in Nederland onderzocht welke biodiversiteit nuttig kan zijn voor de landbouw: de zogeheten functionele agrobiodiversiteit. Die functionele diversiteit zit zowel in de gewassen en dieren die worden gehouden als in de bodem. Dat bodemleven is uiterst belangrijk als basis voor de productie. Het ontsluit mineralen en nutriënten die van belang zijn voor de productie van de gewassen, en het kan ziekten en plagen onderdrukken. In die zin zijn de voedselproductie en de biodiversiteit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat geldt ook voor een grotere genetische variatie in dieren en gewassen. Zo worden koeien van het standaardtype Holstein gekruist met andere rassen, zodat ze fysiek sterker, vruchtbaarder en weerbaarder tegen ziekten worden, en tegelijkertijd een goede melkproductie leveren.

Boeren zijn zich niet alleen bewust van het belang van diversiteit in cultuurrassen, maar ook van het belang van de variatie in de planten- en diersoorten in het omringende landschap. Biodiversiteit en landbouw kunnen hier veel voor elkaar betekenen. Uitgekiende akkerranden, samen met een netwerk van hagen en houtwallen, huisvesten natuurlijke vijanden die plagen in de landbouw te lijf gaan. Wormen verbeteren de bodemstructuur, bijen en hommels bestuiven fruitbomen en sluipwespen bestrijden bladluizen.

Landschapselementen zoals houtwallen kunnen worden omgevormd tot struweelhagen zodat boeren minder last hebben van schaduw op hun velden. Tegelijkertijd ontstaan er door de heterogene structuur meer niches voor allerlei planten- en diersoorten. Zo krijgt het landschap een productie- en een natuurfunctie. In Nederland zijn inmiddels talloze initiatieven om de biodiversiteit binnen de landbouw te vergroten. Van innovatieve methoden om vee te houden, tot aandacht voor minder gebruik van fossiele grondstoffen in landbouw en veeteelt.

De vergroening van het Europees landbouwbeleid, de Kaderrichtlijn Water, signalen uit de markt en de drive van boeren om hun bedrijf te verduurzamen leiden tot nieuwe coalities en samenwerkingsverbanden tussen boeren, waterschappen, overheden, natuurorganisaties en andere partijen. Er ontstaan kansen op een aaneengesloten groene (hagen, akkerranden) en blauwe (natuurvriendelijke oevers) dooradering van het agrarisch cultuurlandschap, wat functioneel is voor productie, biodiversiteit, milieu en beleving van een mooi landschap.

Meer aandacht voor biodiversiteit hoeft niet ten koste te gaan van de productie, zoals vaak wordt aangenomen, en een betere benutting ervan kan zelfs een belangrijke rol in de voedselproductie vervullen. Tegelijkertijd kan landbouw veel voor de biodiversiteit betekenen.

Maak de woestijn groen

Twee Australische biologen bedachten 40 jaar geleden permacultuur, als reactie op de ongewenste problemen met het toenmalige landbouwsysteem in Australië. Men maakt zoveel mogelijk gebruik van meerjarige gewassen, past geen grondbewerking toe en gaat uit van kleinschalige productie die ‘permanent’ kan worden volgehouden. Op basis van belangrijke ecologische principes ontwikkelden zij een methode om een functioneel ecosysteem na te bouwen. Permacultuur kan overal worden toegepast. De lokale omstandigheden bepalen op welke ecologische hoofdfactoren het systeem de nadruk moet leggen. Ontwerp je op de zon, of juist op regenopvang? Welke lokale planten zijn aanwezig en welke functies hebben deze? Denk daarbij aan fruitbomen of planten die stikstof in de bodem fixeren, beschermen tegen wind of grond vasthouden.

Zelfs vernielde ecosystemen en gedegradeerde landbouwgrond kunnen zo opnieuw worden opgebouwd. Om bijvoorbeeld een woestijn weer groen te krijgen is een goed permacultuursysteem nodig dat zich concentreert op wateropvang. Tijdelijk kan watertoevoeging nodig zijn om het systeem op gang te brengen. Planten die teruggroeien zorgen dat water weer wordt opgenomen, en ze bieden schaduw, waardoor het vocht minder snel verdampt. Als het systeem eenmaal draait, is de watertoevoeging niet meer nodig en is de woestijn ontwikkeld tot een productief ecosysteem.

Input fossiele grondstoffen

Maar zijn deze veranderingen genoeg voor een goede en gezonde voedselvoorziening in de toekomst? Voor een wereldwijde duurzame voedselproductie en voedselzekerheid is het nodig internationaal te kijken. De huidige landbouw is afhankelijk van externe input die is gebaseerd op fossiele grondstoffen zoals olie. De olievoorraad wordt echter wereldwijd steeds kleiner, en wereldwijd stijgen de kosten voor de inzet van agrarische productiemiddelen als kunstmest, krachtvoer, pesticiden en mechanisatie. In veel landen is de agro-industrie zo geïntensiveerd dat grote hoeveelheden veevoer, voornamelijk sojaschroot vanuit Zuid-Amerika moeten worden geïmporteerd. Elk jaar importeert Europa daarvoor zo’n 34 miljoen ton. Dat vereist grootschalig transport, wat fossiele brandstoffen kost, het brengt verlies van biodiversiteit door het kappen van regenwouden met zich mee, en het leidt tot een grootschalig gebruik van kunstmest en pesticiden voor het verbouwen van soja.

Om 1 kilo varkensvlees te produceren is zo’n 5 kilo soja nodig, bovendien kost dit een enorme hoeveelheid water. Een derde van de landbouwgrond ter wereld wordt nu gebruikt voor de productie van vlees, terwijl het huidige landbouwareaal voldoende plantaardig voedsel zou kunnen leveren voor de huidige en toekomstige wereldbevolking in deze eeuw. Dit op voorwaarde dat we het accent van de voedselconsumptie kunnen verschuiven van dierlijke naar plantaardige eiwitten. Een toekomstbestendig boerenbedrijf is onafhankelijk van fossiele brandstoffen en maakt gebruik van de ecosysteemdiensten en biodiversiteit in de omgeving. Bijvoorbeeld door niet te ploegen, zodat het bodemleven niet wordt verstoord.

Landbouw in afrika
Extensieve landbouw, zoals in grote delen van Afrika, is wel duurzaam, maar de vraag is of zij genoeg opbrengt om 9 miljard magen te vullen.
Loek Polders / B en U, Diemen

Grenzen van het aanvaardbare en toelaatbare

Al langere tijd constateren vooraanstaande wetenschappers en politici dat de westerse veehouderij in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder ‘de grenzen van het aanvaardbare en toelaatbare hebben overschreden’ en een ‘systeem van georganiseerde onverantwoordelijkheid’ zijn geworden. De vraag is of gebruikmaken van (functionele) biodiversiteit ertoe kan leiden dat ons landbouwsysteem een minder grote ecologische voetafdruk op aarde achterlaat. Misschien wordt de omvang van die voetafdruk alleen aanvaardbaar als we ons landbouwsysteem wijzigen en meer plantaardige eiwitten eten.

Niet alleen vanwege de beperkte beschikbaarheid van fossiele brandstoffen of de teloorgang van biodiversiteit is verandering noodzakelijk, ook omdat we in de toekomst gezond voedsel nodig hebben. Een derde van het huidige wereldlandbouwareaal kampt nu al met een tekort aan zink en seleen. Dat beperkt de landbouwproductie en leidt tot gebreksziekten bij mensen en vee. De komende decennia zal deze schaarste aan minerale micronutriënten naar verwachting wereldwijd toenemen. Dat tekort aan voedingsstoffen uit de bodem zal zijn weerslag hebben op de voedselproductie. Het is evident dat maatregelen nodig zijn, zoals goed voor de grond zorgen, de grond het hele jaar groen houden, voldoende organische mest gebruiken, en waar nodig extra bemesten met micronutriënten. Alternatieve gewassen zoals lupine en klaver in het gras voegen nitraat toe en stimuleren het bodemleven.

Mumbai market
Biodiversiteit is wezenlijk voor de toekomstige voedselproductie.
Shutterstock

Grotere productie per hectare

Een andere manier van duurzame landbouw behelst het sluiten van kringlopen van mineralen door gebruik te maken van biologische interacties tussen planten en dieren, en de biodiversiteit. Dit wordt overal ter wereld toegepast. Een voorbeeld daarvan zijn agro-ecologische modellen die zijn gebaseerd op permacultuur, waarmee gedegradeerde landbouwsystemen opnieuw kunnen worden ontwikkeld tot een vitaal ecosysteem (zie kader ‘Maak de woestijn groen’). Zo zijn er tal van traditionele en moderne landbouwsystemen die expliciet gebruikmaken van biodiversiteit voor voedselproductie, denk aan systemen met diverse gewassen die elkaar faciliteren, zoals met intercropping en agroforestry.

Een rapport van de Verenigde Naties laat zien dat kleine boeren in de derde wereld hun productie de komende 10 jaar kunnen verdubbelen als zij meer gebruikmaken van functionele biodiversiteit. Huidige agro-ecologische projecten in de derde wereld laten zien dat in 57 landen de opbrengsten met 80 procent zijn toegenomen. In de Afrikaanse projecten steeg de opbrengst zelfs met 116 procent. De voedselproductie kan dus stijgen door de inzet van agrobiodiversiteit. Ook in de westerse wereld leidt het gebruik van biodiversiteit niet noodzakelijkerwijs tot een productiedaling. Integendeel: door bijvoorbeeld een beter bodembeheer, waarbij het bodemleven wordt gestimuleerd en de bodemstructuur wordt verbeterd, kan de productie juist toenemen. Biodiversiteit is dus juist een belangrijke productiefactor en is essentieel voor een duurzame landbouwproductie.

Fundamentele veranderingen nodig

De discussie of deze methoden ook kunnen bijdragen aan een mondiale voedselvoorziening valt niet los te zien van de vraag of we op dezelfde voet als nu kunnen doorgaan in de moderne en op industriële leest geschoeide landbouw. Als we het hebben over voedselproductie voor de voorspelde 9 miljard magen in 2050, moeten we eerst eens goed kijken naar de huidige voedselverspilling, ons dieet en naar het mondiale voedseldistributiesysteem. Wellicht vallen er door hieraan te sleutelen al vele slagen te maken wat betreft een betere voedselvoorziening in de toekomst.

Duidelijk is wel dat de natuur veel te bieden heeft aan de versterking van onze landbouw en voedselproductie, maar ook dat de landbouw belangrijk is voor natuur. Diverse initiatieven vanuit de agrarische sector, de maatschappij, de markt en de overheid laten dit ook zien. Zo zijn er in Nederland verschillende voorbeelden, waarbij geen aanvoer van soja en krachtvoer meer nodig is in de veelteelt.

Bij PureGraze bijvoorbeeld staan de koeien in de wei en grazen ze in lang en gevarieerd grasland. Doordat de diverse plantensoorten op verschillende diepten wortelen, halen ze elk andere micronutriënten naar boven. Dit komt de gezondheid van de koeien ten goede. De melkproductie neemt weliswaar iets af, maar dit wordt gecompenseerd door lagere voerkosten (nauwelijks krachtvoer), minder gebruik van fossiele brandstof, en minder arbeid (minder inkuilen, mest uitrijden en actief voeren in de stal). Kortom, biodiversiteit is wezenlijk voor onze toekomstige voedselproductie.

Wat valt er nog te leren?

Weten we al genoeg over biodiversiteit en is dat voldoende om de betekenis ervan ‘volledig’ te kunnen beoordelen, zodat we de biodiversiteit goed kunnen beheren? Hebben we wel een goed idee van de omvang van het aantal soorten op aarde en de wijze waarop soorten met elkaar samenwerken? En kennen we de functies van biodiversiteit, de wijze waarop de rijke schakering aan soorten bijdraagt aan een levenswaardige en mooie wereld?

Het korte antwoord is: nee, we weten nog onvoldoende over de biodiversiteit. Zoals eerder in dit cahier is gezegd: we kennen slechts een deel van de groepen en soorten planten en dieren. Er zijn nog veel plaatsen op aarde, zoals in oerwouden, waar nog niet alle planten en dieren zijn verzameld en geïdentificeerd. Een recente expeditie naar het Fojagebergte van Nieuw Guinea leverde tientallen nieuwe soorten op. Naar verwachting zullen ook elders in de wereld nieuwe goed georganiseerde expedities met nieuwe soorten thuiskomen, al gaat het dan steeds om hooguit enkele tientallen. Veruit de meeste nieuw gevonden soorten behoren tot de ongewervelde dieren, vooral insecten. Toch worden met enige regelmaat nieuwe vogelsoorten ontdekt, en af en toe zelfs een nieuw zoogdier. Nog zeer recent, in september 2012, meldden onderzoekers de vondst van een nieuwe apensoort in de Democratische Republiek Congo. Ze noemden hem Lesula (Cercopithecus lomamiensis).

Er zijn ook ecosystemen waar onderzoekers nog nauwelijks toegang toe hebben gehad. De eerste expedities in de kruinen van de woudreuzen in de Amazone en in het water van de diepzee leverden veel nieuwe, soms zelfs spectaculair ogende soorten op, vooral geleedpotigen.

Silky cuscus
De State of Observed Species (SOS), een telling die bijgehouden wordt door de universiteit van Colorado, schreef in 2009 bijna twintigduizend nieuwe soorten in. Daaronder deze juist ontdekte gigantische rat (Silky Cuscus).
Associated Press / Reporters, Haarlem

Zo blijken in de omgeving van hydrothermale uitlaten op de oceaanbodem – openingen waaruit gloeiend heet water stroomt – verschillende onbekende diersoorten met zeer bijzondere eigenschappen te leven. De druk is er zeer hoog, het is er pikkedonker en er is nauwelijks zuurstof. Toch overleven bepaalde kokerwormen in dit extreme milieu, doordat ze een symbiose aangaan met bacteriën die gebruikmaken van de hoge concentraties kooldioxide en zwavel in het hete water. Ook zijn op camerabeelden van onbemande duikboten diverse kreeftachtigen zichtbaar. In de zuidelijke poolzee zijn ook hydrothermale omgevingen met een zeer diverse fauna. Dat roept de vraag op hoe zulke levensgemeenschappen kunnen voortbestaan in extreme isolatie.

Expedities in grotten, diepe meren en grondwatermonsters van honderden meters diep in de aardbodem zullen ongetwijfeld nieuwe soorten opleveren. Hoe kleiner de soort is, hoe groter de kans dat deze nog niet eerder is beschreven en dus nieuw is. Dat geschiedt nu bij het onderzoek naar micro-organismen, waar de laatste paar jaar allerlei nieuwe processen en bacteriesoorten, die deze processen uitvoeren, zijn ontdekt.

Sterk verbeterde opsporing van nieuwe soorten

Er worden ook nieuwe soorten gevonden doordat de onderzoeksmethoden zijn verbeterd. Omdat het mogelijk is zeer kleine hoeveelheden erfelijk materiaal te analyseren in een monster organisch materiaal, is ontdekt dat het bacterierijk vele malen gevarieerder is dan gedacht. Het genetisch onderzoek heeft hele nieuwe takken toegevoegd aan de ‘boom des levens’, zoals bijvoorbeeld de Acidobacteria, een bacteriegroep die 10 jaar geleden praktisch onbekend was, maar waarvan nu blijkt dat 20 tot 40 procent van alle bodembacteriën er toe behoren. Ook is gebleken dat deze groep een enorme soortenrijkdom kent.

Voor het indelen van dieren gebruikt men tegenwoordig een ‘DNAstreepjescode’, een barcode. Men onderzoekt daarbij een afgesproken stukje DNA van 658 baseparen uit een gen dat in de mitochondriën (de energiefabriekjes in cellen) betrokken is bij de productie van energie. Dit stukje DNA is gemakkelijk te isoleren en te analyseren, en is kenmerkend voor een soort. Op deze manier kunnen genetici gemakkelijk soorten herkennen en nieuwe soorten opsporen. De uitwerpselen van een dier of een enkele vogelveer leveren tegenwoordig al voldoende materiaal voor zo’n analyse.

Dat we niet precies weten hoeveel soorten er op aarde zijn en dat er nog steeds nieuwe soorten worden ontdekt, betekent niet dat we niet kunnen vaststellen dat de biodiversiteit achteruitgaat. De gemeten achteruitgang betreft de soorten en groepen organismen die al wel eerder beschreven zijn en deze achteruitgang is onmiskenbaar. Hoewel we weten dat er ook nieuwe soorten worden gevormd en dat dit sneller gaat dan we vroeger dachten (zoals blijkt uit onderzoek van vissen in het Victoriameer in Centraal Afrika en het Tanameer in Ethiopië), is die biodiversiteitwinst veel kleiner dan de achteruitgang van de biodiversiteit.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 06 december 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE