Je leest:

Bij Lobith komt de Kaspische zee ons land binnen

Bij Lobith komt de Kaspische zee ons land binnen

Auteur: | 16 september 2000

Sommige uitheemse planten of dieren dringen agressief een nieuw ecosysteem binnen. Sommige exoten bedreigen de biodiversiteit of leveren een enorme kostenpost op voor waterschappen of industrieën. Volgende week inventariseren internationale experts in Leiden de economische en ecologische schade

Barry Kelleher schrok toen hij op een ochtend in 1998 zijn Nijmeegse lab binnenliep. In het aquarium zwom alleen nog de Kaspische vlokreeft. De vorige dag had de aquatisch ecoloog de waterbak ook gevuld met exemplaren van de Noord-Amerikaanse tijgervlokreeft en een inheemse vlokreeft.

‘Even later besefte ik het. Ik wist nu hoe de Kaspische vlokreeft de andere vlokreeften eruitconcurreert: hij eet ze gewoon op,’ aldus Kelleher. ‘Die mogelijkheid was bij ons niet opgekomen, omdat de meeste vlokreeften en slijkgarnalen slechts plantaardig en organisch materiaal tot zich nemen.’

De toename van de Kaspische vlokreeft (Dikerogammarus villosus) in de Rijn vertoonde gelijke tred met de afname van de Kaspische slijkgarnaal (Corophium curvispinum) en de Noord-Amerikaanse tijgervlokreeft (Gammarus tigrinus). Dat was niet toevallig, zo bleek dus. In de afgelopen drie jaar heeft de Kaspische vlokreeft de andere kreeftachtigen overwoekerd.

Beide Kaspische diertjes zijn invasieve soorten. Invasieven komen van elders en dringen snel een nieuw ecosysteem binnen. Ze kunnen echter de biodiversiteit bedreigen. Volgens de World Conservation Union (IUCN), vormen invasieve soorten de een-na-grootste bedreiging van mondiale biodiversiteit (na habitatvernietiging).

Volgende week komen internationale experts van invasieve soorten bijeen in Naturalis. Op initiatief van het Nederlandse Comité van het IUCN discussiëren zij over de schade door agressieve exoten. Op het congres spreekt onder meer Gerard van der Velde, leider van het Nijmeegse onderzoek naar indringers in de Rijn.

Biofouling

Ironisch genoeg is de schade die invasieve soorten veroorzaken, de reden dat de wetenschap nu zoveel belangstelling voor hen toont. Met name de driehoeksmossel (Dreissena polymorpha) heeft het onderzoek aan invasieven de afgelopen tien jaar enorm doen groeien.

De driehoeksmossel is eenvoudig te herkennen als je ook nog de Engelse naam kent: zebramussel. Het driehoekvormige, zwart-wit gestreepte schelpdier komt uit de Zwarte zee, maar werd al in 1926 ook in de Rijn aangetroffen. Transatlantische schepen hielpen de mossel in 1985 de Atlantische oceaan oversteken.

De driehoeksmossel richt nu veel economische schade aan in met name Noord-Amerika. De mossels hechten zich en masse aan de binnenkant van koelwaterleidingen van drinkwaterbedrijven en electriciteitscentrales. En de ene mossel groeit prima op de andere; zo kan een dikke laag mosselen ontstaan. Een populatie driehoeksmosselen kan binnen één jaar een tweemeter-dikke leiding onbruikbaar maken.

Biofouling heet die biologische aangroei. Het ziet er leuk uit, maar daar heeft de installatie-beheerder geen oog voor. Die moet schoonmaken met chloor of mosselgif of aan de slag met antifouling-verf.

Waternavel

Een ‘invasie’ door exoten is niet zeldzaam. In Nederland zijn voorbeelden te over. Deze zomer werden de Hollandse binnenwateren overwoekerd met grote waternavel en watertheunisbloem. In de Biesbosch heeft een aasgarnaal in de afgelopen twee jaar de inheemse watervlooi weggejaagd – of beter gezegd: opgegeten. En vorig jaar in september trof het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) nog een nieuwe platworm in Nederland aan (in de IJssel).

Kanaal maakte invasie Kaspische vlokreeft in Rijn mogelijk © Bionieuws, Frank Bierkenz / Gaby van Caulil 2000. Klik op de afbeelding voor een grotere versie

Mesocosms

Al 25 jaar houdt Nederland structureel bij wat er aan fauna via de Rijn binnenkomt. Iedere maand halen RIZA-medewerkers een rekje met knikkers uit de Rijn bij Lobith. Op die knikkers vestigen zich kreeftachtigen als vlokreeften en slijkgarnalen – rivierbeestjes van 1 tot 20 mm lang. Het RIZA analyseert zo dichtheden en eventuele nieuwe soorten.

De Nijmeegse ecologen gebruiken Rijnmonsters om ook levenscycli, voedselgebruik en natuurlijk competitie tussen soorten te bepalen. Naast aquaria gebruiken ze daarvoor zogeheten mesocosms. Die houden het midden tussen een aquarium en de rivier zelf. Het zijn grote waterbakken waarin de natuurlijke situatie gesimuleerd wordt. Goede mesocosms zijn niet alleen uitgerust met de juiste stroming, temperatuur, licht en chemische stoffen, maar ook met planten, micro-organismen en andere dieren.

Uit dergelijke analyses bleek hoe de ene dominante soort de andere opvolgde. Nagelkerken: ‘Toen de Rijn nog schoon was – tot de jaren zeventig – was de inheemse vlokreeft heer en meester op de kribben in Rijn. Door lozing van fabrieken is vervolgens een groot deel van de bodemfauna verloren gegaan. Na afspraken daarover is de waterkwaliteit verbeterd. Een van de eerste beestjes die we in groten getale vonden, was echter een exoot: de Noord-Amerikaanse tijgervlokreeft. Deze belemmerde een succesvolle terugkeer van de inheemse vlokreeft. Niet lang na het Sandoz-ongeval in 1986 deed een andere exoot zijn intrede: de Kaspische slijkgarnaal. Deze maakt buisjes van modder om zich in te nestelen. Maar door opeenhoping van modder op rivierstenen konden andere dieren zich steeds moeilijker vestigen: de slijkgarnaal werd de dominante soort.’

Sinds een paar jaar heeft de slijkgarnaal zijn machtspositie moeten afstaan aan de Kaspische vlokreeft. Met dank aan het nieuwe Main-Donau-kanaal, want vanuit de Zwarte Zee heeft de vlokreeft via Donau en Main de Rijn bereikt. Deze grote en agressieve rover eet hier de andere kreeftachtigen op. Door lozing van zouten door Franse kalimijnen en koelwater door diverse industrieën is de Rijn nog altijd zouter en warmer dan andere rivieren. Maar dat deert de Kaspische vlokreeft niet. Het dier is bestand tegen grote variaties in zoutgehalte en temperatuur, zoals alle soorten uit de Kaspische en Zwarte zee.

Nagelkerken: ‘Wanneer één soort zo dominant is, komen andere diertjes nog maar nauwelijks voor. Dat is een verlies aan biodiversiteit. Wanneer de Rijn zoeter en kouder zou worden, kunnen de oorspronkelijke beestjes mogelijk meer ruimte voor zich opeisen. Dan kan de Rijn misschien weer een typisch West-Europese rivier worden, in plaats van een stuk Zwarte of Kaspische zee.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 september 2000

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.