Je leest:

Bestaat de wiskundeknobbel?

Bestaat de wiskundeknobbel?

Auteur: | 3 maart 2013

Duitse onderzoekers ontdekten dat het ontwikkelen van wiskundige vaardigheden meer afhankelijk is van de motivatie en leermethodes van een leerling dan van zijn of haar intelligentie.

Hoe leer je wiskunde het best? En is het inderdaad zo dat jongens beter zijn in rekenen dan meiden? Onderzoek toont aan dat het vooral aan je eigen motivatie ligt; externe factoren of zelfs intelligentie hebben op de lange termijn weinig invloed.

Drie factoren voor vaardigheid

Uit vorige studies bleek al dat er drie verschillende factoren belangrijk waren voor schoolprestaties: de hoeveelheid controle die men over de prestaties ervaart, intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie. Deze drie factoren samen maken van iemand een succes of een mislukking op school, is het idee.

‘Ervaren controle’ is de term voor de ervaring dat je acties ook daadwerkelijk bijdragen aan je ontwikkeling. Als je het idee hebt dat tientallen sommen maken er echt niet voor gaat zorgen dat je het snapt, is de kans klein dat je het oko daadwerkelijk beter gaat begrijpen. Andersom kan deze controle over het leerproces ook positief werken. Zo heeft het gevoel van controle een positief effect op de toewijding aan een taak en de mate van doorzettingsvermogen bij moeilijke opdrachten.

De ‘intrinsieke motivatie’ wordt gevormd door de eigen interesse die iemand heeft in een opdracht, terwijl bij de ‘extrinsieke motivatie’ gedacht kan worden aan concrete beloningen voor het werk. De extrinsieke motivatie heeft vooral op de korte termijn effect: het kan iemand helpen om één opdracht goed te maken, maar uiteindelijk heeft men niets écht geleerd. De intrinsieke motivatie daarentegen heeft volgens de onderzoekers een groot effect op langetermijnvaardigheden.

Motivatie belangrijk

Dit onderzochten ze door een groep kinderen goed in de gaten te houden. Over een tijdsbestek van vijf jaar, ongeveer tussen hun tiende en hun vijftiende zijn deze kinderen twee keer getest op hun wiskundevaardigheden. Ook werden de drie verschillende factoren getest.

Het resultaat: over een periode van vijf jaar blijkt de intrinsieke motivatie verreweg het grootste verschil te maken voor de ontwikkeling van vaardigheden. De intelligentie van een persoon bepaalt wel voor een groot deel het startniveau, maar iedereen die gemotiveerd genoeg is kan met oefening een hoge vaardigheid in wiskunde bereiken.

Het feit dat intelligentie zo weinig uitmaakt voor een toename in wiskundige kennis heeft grote gevolgen voor het onderwijs. Zo zou het bijvoorbeeld kunnen zijn dat als wiskunde leuker wordt gegeven, mensen ook automatisch béter worden in wiskunde. Natuurlijk: als een docent wiskunde leuk maakt, is het voor de leerling een extrinsieke motivatie. Maar daardoor kan de leerling wiskunde ook écht leuk gaan vinden, van binnen. Intrinsiek. Daardoor zou een deel van de op deze manier gemotiveerde mensen uiteindelijk toch van binnen gemotiveerd kunnen raken en goed worden in wiskunde.

De onderzoekers concluderen in hun onderzoek dat hun bevindingen vooral vertellen dat de lange termijn belangrijk is. Leer- en lesmethoden moeten niet gericht zijn op een hoog cijfer halen op een toets over een week, maar op een mooi cijfer voor een tentamen op de universiteit.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 03 maart 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.