Je leest:

Besmetting buurman blijft raadsel

Besmetting buurman blijft raadsel

Auteur: | 2 maart 2006

Hoe het virus van een kippenboer naar zijn buurman komt is een raadsel. Maar wetenschappelijke experimenten met complete kippenbedrijven en ziekteverwekkende virussen zijn nu eenmaal ondenkbaar. Kleinschalig onderzoek met virussen in vissen en kippen biedt wellicht uitkomst.

‘We weten statistisch hoeveel verspreiding er is, wat de kans is op verspreiding in een gebied, hoe snel dat gaat, en welke invloed vaccinatie heeft’, vertelt veterinair epidemioloog prof. Mart de Jong van de Animal Sciences Group. ‘Maar hóe het zich verspreid? Op de een of andere manier komt het bij een ander bedrijf of een andere stal terecht: via de boer, de lucht of ongedierte.’

‘Daar is niks mystieks aan’, benadrukt De Jong. ‘Dieren scheiden het virus uit en dat komt bij een ander bedrijf terecht.’ Boeren ontwikkelden hun eigen hypotheses. Kippenboeren vertellen dat zieke dieren bij luchtinlaten zitten, wat volgens hen wijst op verspreiding via de lucht. Maar dat is op zichzelf geen wetenschappelijk bewijs, aldus De Jong. Het lijkt eerder logisch dat kippen met een virale longziekte frisse lucht willen hebben.

Het wetenschappelijke onderzoek naar de verspreiding is vooral statistiek. Onderzoekers kijken bijvoorbeeld of windrichting, transportstromen of weersomstandigheden de verspreiding bij uitbraken in het verleden bepaalden. ‘Het hangt vooral af van de afstand tot het geïnfecteerde bedrijf’, aldus De Jong. ‘Hoe dichterbij je zit, des te meer kans op infectie.’

Als er erg veel pluimveebedrijven per vierkante kilometer zijn, zoals in de Gelderse Vallei en de Peel, dan kun je volgens prof. Mart de Jong van de Animal Sciences Group weinig anders doen dan hele gebied ruimen. De kans dat bedrijven in Lunteren besmet worden als de vogelgriep in Barneveld wordt geconstateerd, is als het virus zich eenmaal begint te verspreiden namelijk vrijwel honderd procent. Dat blijkt uit statistisch onderzoek naar de uitbraak in 2003. Het probleem speelt ook in andere Europese landen. Ir. Peter van Horne van het Landbouweconomisch instituut (LEI) werkt mee aan Europees onderzoek naar dergelijke risicogebieden. Ondanks het ontbreken van hard bewijs voor besmetting door trekvogels, kijken de onderzoekers naar drie risicofactoren: veel bedrijven, veel uitloop, en trekvogelroutes. Zo lopen Nedersaksen in Duitsland, West-Vlaanderen en Bretagne hoge risico’s. In Frankrijk maakt zich men dus terecht zorgen om de Bressekip, de enige kip met een eigen ‘appellation controlé’. Van Horne pleit daarom voor een reconstructie van de pluimveesector zoals bij de varkenshouderij. De risico’s zijn in de risicogebieden te groot, vindt hij. ‘In 2003 kostte de uitbraak van vogelgriep de overheid 280 miljoen en de sector enkele miljarden. Je moet een afweging maken hoe je de pluimveesector inricht, waar je bedrijven vestigt. Daarover moet een fundamentele discussie komen.’ En als trekvogels een besmettingsbron zijn, dan moet je voorbereid zijn. ‘Je kunt niet elk jaar twaalf weken dezelfde problemen hebben’, vindt Van Horne. De Jong ziet nog een optie. ‘Naast reconstructie kun je preventief gaan vaccineren tegen vogelpest in gebieden als de Gelderse Vallei.’

Maar het antwoord op de vraag hóe het virus zich verspreid, is moeilijk wetenschappelijk hard te maken. ‘Het grote probleem is dat je niet kunt experimenteren’, aldus De Jong. Stel je voor dat je in de Gelderse Vallei experimenten gaat uitvoeren met het vogelgriepvirus. ‘Dat is natuurlijk ondenkbaar. Er is weinig speelruimte om iets uit te proberen.’ Dit gaat ook op voor andere dierziektes, zoals varkenspest en mond- en klauwzeer (MKZ). ‘Na de varkenspest hebben wij in Nederland statistisch onderzoek gedaan, en in Engeland is uitgebreid onderzoek gedaan naar MKZ. Over de vogelgriep weten we veel minder.’

Structuur van het MKZ virus

De Jong hoopt dat kleinschalig onderzoek met vissen en pluimvee meer inzicht geeft in hoe het virus zich verspreidt over grote afstanden. In samenwerking met dr. Karel Keesman van de leerstoelgroep Meet-, regel- en systeemtechniek gaat hij onderzoek doen naar vissen in aquaria en pluimvee in hokken. Onderzoek met vissen heeft als voordeel dat waterstromen beter te reguleren zijn dan luchtstromen. ‘We willen bepalen hoeveel materiaal van het besmettelijke dier bij contactdieren komt en of we dat kunnen relateren aan de kans op infectie’, aldus De Jong.

Dit artikel is een publicatie van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR).
© Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 02 maart 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.