Je leest:

Bemiddelaar in taal

Bemiddelaar in taal

Auteur: | 10 oktober 2007

Niels Schiller, hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek, brengt taalkundigen en psychologen bij elkaar. ‘Er is nog heel veel te doen. Iedereen moet zich alleen een beetje aanpassen, wat afstand nemen van zijn vakjargon.’ Vrijdag houdt Schiller zijn oratie.

Het gaat goed met het brein- en cognitieonderzoek in Leiden, zegt Niels Schiller, hoogleraar in de psycho- en neurolinguïstiek. Het is dan ook een hot topic, populair bij studenten en fascinerend voor niet-vakgenoten. Niet zo vreemd, meent hij. ‘Iedereen heeft een stel hersens, en moet daar zijn weg mee vinden door het leven. Maar we begrijpen er nog steeds vrij weinig van hoe ze precies werken. Hoe ze taal produceren, of gevoelens. Er is nog ontzettend veel te doen.’

Prof. dr. Niels O. Schiller over zijn dit jaar opgerichte Taal & Cognitiegroep: ‘Er zijn uit de groep al verschillende voorstellen gekomen voor nieuw interdisciplinair onderzoek.’

Oratie

Vrijdag 12 oktober houdt Schiller zijn oratie. Op de kop af drie jaar na zijn eerste oratie aan de Universiteit Maastricht, en iets langer dan een jaar nadat hij in Leiden aantrad als hoogleraar, aangetrokken door de mogelijkheden van het nieuwe interdisciplinaire Leiden Institute for Brain and Cognition (LIBC). Zijn oratie had hij ook al na twee maanden mogen houden, maar dat vond hij wel erg snel. ‘Ik kan niet steeds maar oraties geven’. Bovendien had hij zichzelf een jaar gegeven om op te starten. Dat is goed gelukt, concludeert hij, de balans opmakend.

Woorden en klanken

De oratie zal gaan over zijn vak, natuurlijk. Over zijn onderzoek naar de relatie tussen woorden en klanken. Over de vraag hoe onze hersenen begrippen opdiepen uit het ‘mentale woordenboek’, en die vervolgens stapsgewijs omzetten in gesproken taal. Fonologisch encoderen heet dat.

Experimenten

En over de manier waarop hijzelf op en neer pendelt tussen theorie en experiment. Die experimenten bestaan uit timen hoeveel tijd onze hersens gemiddeld nodig hebben om een taakje te volbrengen, of meer sophisticated uit EEG- of fMRI-onderzoek. Het eerste om nog directer reacties te meten van verschillende hersengebieden, het tweede om met eigen ogen te kunnen zien welke hersengebieden actief zijn bij een bepaalde taak.

Architectuur

Iets simpels als het benoemen van een object kan al omgevormd worden tot een experiment in het lab dat duidelijkheid moet bieden over de architectuur van ons mentale woordenboek, en de relatie daarvan met het spreekproces, zo leert de oratie van Schiller.

Meloen

Als we een plaatje van een meloen zien, dan roepen we ook meteen ‘meloen’, zou je denken. Maar in het lab blijkt dat het zo simpel niet ligt, dat onze hersens op verschillende sporen kunnen worden gebracht. Een plaatje van een meloen met daarop het woord ‘tafel’ blijkt ons sneller ‘meloen’ te doen zeggen dan een plaatje van een meloen met het woord ‘appel’ erop. Het woord ‘appel’, ook een vrucht, helpt ons dus niet, maar brengt ons juist in de war. ‘Meloen’ moet in ons mentale lexicon kennelijk concurreren met andere vruchtnamen, onder andere ‘appel’, en door het woord ‘appel’ wordt ook nog eens ‘appel’ zelf geactiveerd.

Vakjargon

Maar Schillers oratie zal ook gaan over interdisciplinariteit zelf, en over zijn rol als koppelaar tussen taalkundigen en psychologen. Want daar is hij voor ingehuurd, zegt hij. Om mensen bij elkaar te brengen. ‘Ik heb in beide vakken gewerkt en weet dus precies wanneer mensen langs elkaar heen praten. Iedereen moet zich daarbij een beetje leren aanpassen, een beetje afstand nemen van het eigen vakjargon. Mijn rol is te zeggen: als zij dit zegt, dan bedoelt ze in jouw vakjargon dat.’

Taal- en cognitiegroep

Begin van dit jaar richtte Schiller de Taal & Cognitiegroep op, die goed loopt. ‘Ik ben verbaasd hoeveel mensen dat leuk vinden. Als er een spreker uit het buitenland komt zeggen niet alleen de leden van de groep, maar ook vaak de spreker nieuwe ideeën te hebben opgedaan in de discussie. Er zijn uit de groep al verschillende voorstellen gekomen voor nieuw interdisciplinair onderzoek.’

Studenten

Zowel bachelor- als masterstudenten, en zelfs scholieren betrekt Schiller bij het onderzoek. Studenten taalkunde wijdt hij in in experimenteel onderzoek. ‘Ze moeten er wel tijd in kunnen investeren. Experimenteel onderzoek kost nu eenmaal meer tijd dan een literatuurscriptie. Je moet vaardigheden leren: experimenten afnemen, data analyseren. En er zijn meer factoren die je niet precies kunt bepalen. Er kunnen technische problemen zijn, of het lab is nooit eens vrij. En je moet van alles leren: hoe kom je aan proefpersonen, hoe betaal je ze?’

fMRI-onderzoek

Een EEG-studie in drie maanden doen lukt niet, zo weet hij. fMRI-onderzoek vergt nog meer tijd. ‘Maar voor een research master student is het mogelijk’, zegt Schiller. ‘Er zijn nu een paar studenten betrokken bij promotieonderzoek in het LUMC naar twee groepen dove patienten: patiënten die al doof waren voordat ze gingen praten, en patiënten die later doof zijn geworden. Dat is een win-win situatie voor de promovendus en de studenten.’

Scholieren

In het kader van Lapp-Top, een onderwijsprogramma voor getalenteerde en gemotiveerde bovenbouwscholieren, gaan leerlingen voor hun profielwerkstuk zelf een afasiepatient testen en de data analyseren. Schiller: ‘Ik heb contacten gelegd met een taal- en spraakpatholoog in het Rijnlands Revalidatie Centrum die afasiepatiënten behandelt, en die was enthousiast. Zodra we een geschikte patiënt geselecteerd hebben kunnen ze aan de slag.’

Exotische talen

Graag zou Schiller ook onderzoekers van meer exotische talen betrekken bij het experimentele onderzoek. ‘Leiden heeft een grote traditie in beschrijvend taalonderzoek. Ook een reden waarom ik naar Leiden kwam was de overvloed aan talen, vooral niet-westerse talen, die hier bestudeerd worden. Theoretisch en psychologisch taalonderzoek richt nog steeds te veel op westerse talen.’

Spreken en lezen

Een promovendus van Schiller, Rinus Verdonschot, is nu bezig met het Japans, in het kader van een onderzoek naar mogelijke overeenkomsten in de hersens tussen spreken en hardop lezen, zo vertelt Schiller. Maar alle talen en taalfamilies hebben hun eigen ontstaansgeschiedenis en eigenaardigheden die ze interessante kandidaten maken voor experimenteel onderzoek. Om theorieën te testen en te verfijnen. Om erachter te komen wat universeel is, en wat taalspecifiek. ‘Er valt nog heel veel te doen. We zijn in dit soort onderzoek aangewezen op mensen met specifieke kennis uit heel verschillende vakgebieden. Wat we nodig hebben zijn mensen die zin hebben om het te gaan doen.’

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief van de Universiteit Leiden.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 oktober 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.