Je leest:

Behandeling tbs’ers kent problemen

Behandeling tbs’ers kent problemen

Auteur: | 2 november 2007

Ruud Hornsveld ontwikkelde een nieuwe therapie die in sommige gevallen zorgt dat tbs’ers minder agressief worden. Een goed begin voor een behandeling die nog in de kinderschoenen staat. Wel is het een probleem dat patiënten die de therapie poliklinisch volgen zonder consequenties kunnen afhaken, ook al is de behandeling opgelegd door de rechter. Bovendien ontdekte Hornsveld dat er wat betreft psychische problematiek geen verschil is tussen delinquenten die wel of geen tbs opgelegd krijgen. Er lijkt hier sprake te zijn van willekeur.

Een nieuwe therapie moet ervoor zorgen dat psychiatrische patiënten die een geweldsdelict hebben gepleegd minder agressief worden. De behandeling leidt inderdaad tot minder agressief gedrag, maar helaas geldt dit niet voor alle patiënten, concludeert klinisch psycholoog en promovendus Ruud Hornsveld. En tijdens zijn onderzoek ontdekte hij nog iets anders, namelijk dat er wat betreft problematiek weinig verschil lijkt tussen delinquenten die wel en die geen tbs opgelegd krijgen.

Nederland telt momenteel ongeveer 1750 tbs’ers. Ruud Hornsveld zag er zo’n 175 die een geweldsdelict gepleegd hadden, en opgenomen waren in verschillende forensisch psychiatrische centra. Zij ondergingen daar een agressiehanterings-therapie die Hornsveld zelf opzette, naar Amerikaans voorbeeld. Deze behandelmethode, die inmiddels door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies van het Ministerie van Justitie is erkend, duurt vrij kort: achttien weken, met wekelijkse zittingen van 1,5 uur plus flink wat ‘huiswerk’. Een andere groep van zo’n 250 patiënten onderging dezelfde therapie. Zij hadden ook een geweldsdelict gepleegd, maar kregen door de rechter een poliklinische behandeling opgelegd.

Zelfs de beste behandelprogramma’s verkleinen in het allergunstigste geval de kans op recidive maar met 25%. Dat klinkt niet hoopgevend, maar de ontwikkeling van agressiehanterings-therapie voor tbs’ers staat nog maar in de kinderschoenen.

De behandeling werkt – soms

Voor beide groepen constateerde Hornsveld dat de therapie bij een aantal patiënten inderdaad leidt tot minder agressief gedrag, ook als na een tijdje geen behandeling meer wordt gegeven. Hornsveld verwachtte geen wonderen. “We weten namelijk uit internationaal onderzoek dat de beste behandelprogramma’s weliswaar leiden tot een afname van de kans op recidive met maximaal 25 procent – maar alleen onder de allergunstigste omstandigheden.” Of de therapie nieuwe misdrijven voorkomt, heeft Hornsveld niet kunnen onderzoeken, maar vergelijkbaar onderzoek in de Verenigde Staten heeft uitgewezen dat dit inderdaad het geval is.

Een ander zou er moedeloos van worden, maar Hornsveld vindt ook het beperkte resultaat van de therapie de moeite waard om mee verder te gaan. In het ontwikkelen van een effectieve behandeling gaan nu eenmaal vaak tientallen jaren aan onderzoek zitten. Hornsveld: “Met deze behandeling zijn we pas sinds 2000 bezig, dus nog geen tien jaar. Mogen we even de tijd hebben om erachter te komen hoe we deze mensen het beste kunnen aanpakken?”

Er zitten nog wat haken en ogen aan het behandelen van agressie bij delinquenten. Zo blijft vroegtijdig afhaken zonder consequenties, en is vanuit psychologisch oogpunt moeilijk te duiden waarom de een wel tbs krijgt en de ander niet.

Vroegtijdig afhaken blijft zonder consequenties

Wel maakt hij zich zorgen over het vroegtijdig afhaken van poliklinische patiënten. Bijna de helft komt op een gegeven moment gewoon niet meer opdagen. Formeel zou dat moeten leiden tot gevangenisstraf, maar Hornsveld kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het vaak zo gaat: óf de reclassering ziet niet langer de noodzaak van behandeling, óf de officier van justitie heeft wel ernstiger misdrijven aan z’n hoofd, óf de rechter oordeelt dat gevangenisstraf voor de patiënt toch niet zinvol is. “Zo blijft afhaken zonder consequenties. Ik zou dat graag anders zien. We zouden ons best wat drukker mogen maken om die groep.”

Wie wel of geen tbs krijgt lijkt willekeurig

Toen Hornsveld voor zijn onderzoek zijn groep gewelddadige tbs’ers en een groep ‘normale’ gedetineerden in kaart bracht, ontdekte hij dat beide groepen niet veel van elkaar verschilden als het gaat om persoonlijkheidsstoornis of andere problemen die kunnen leiden tot crimineel gedrag. “Dat werpt de vraag op waarom de een wel tbs krijgt en de ander niet. Naar mijn mening moet daar verder onderzoek naar worden gedaan. Ik zou dan ook willen pleiten voor duidelijkere criteria voor het opleggen van tbs. Want het ís nogal een maatregel, zowel voor de maatschappij (denk aan de hoge kosten) als voor de delinquent die lang opgesloten zit.”

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 02 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.