Je leest:

Bang om te beschamen

Bang om te beschamen

Auteur: | 7 december 2007

Ach, een beetje verlegenheid. Dat dachten veel Nederlandse wetenschappers lang over sociale fobie. Toch zijn de gevolgen voor de patiënt enorm. Irene van Vliet deed onderzoek, en niet zonder resultaat: ze vond aanwijzingen dat een behandeling met bepaalde antidepressiva kan helpen.

Extreme verlegenheid, oftewel sociale fobie, komt ook in Japan voor en zou misschien op dezelfde manier behandeld kunnen worden als in westerse landen, veronderstelden vijf Japanse onderzoekers en één Nederlandse. Ze probeerden het bij patiënten die aan een typisch Japanse variant leden: de angst ánderen in verlegenheid te brengen.

Nagata, Yamada, Kataoka, Iketani, Kiriike en… Van Vliet. Dit opvallende lijstje auteursnamen trof de redactie van Cicero aan in het wetenschappelijke tijdschrift Depression and Anxiety. Psychiater dr. Irene van Vliet (chef de (poli)clinique Psychiatrie) vertelt over het werk van deze onderzoekers uit Osaka, Japan, en haar eigen bijdrage daaraan.

Mrs. Social Phobia

“Mijn onderzoek heeft zich onder andere gericht op sociale fobie en andere angststoornissen”, vertelt Van Vliet. "Tijdens mijn promotieonderzoek was er nog weinig belangstelling voor sociale angststoornis. ‘Ach, een beetje verlegenheid’, zo dacht men.

Dat veranderde rond 1990, toen er ook vanuit de neurobiologie meer onderzoek werd gedaan naar sociale fobie. Uit ons onderzoek bleek dat sommige anti-depressiva, de zogenoemde selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI’s), ook werkzaam zijn bij angststoornissen. De interesse werd steeds groter. Op een gegeven moment gaf ik zó veel lezingen dat ik de bijnaam mrs. Social Phobia kreeg."

Ach, een beetje verlegenheid. Dat dachten veel Nederlandse wetenschappers lang over sociale fobie. Toch zijn de gevolgen voor de patiënt enorm: ze krijgen bijvoorbeeld al een paniekaanval als ze moeten afrekenen in een winkel. Gelukkig neemt de belangstelling toe, én lijkt er een manier te zijn waarop sociale fobie behandeld kan worden.

Die belangstelling is volgens Van Vliet niet overdreven. “Patiënten hebben er extreem veel hinder van. Het gaat niet om ‘een beetje verlegenheid’, maar om patiënten die niet durven af te rekenen in een winkel, nog geen handtekening durven te zetten als er iemand toekijkt en koffie drinken met familie al een beproeving vinden. Ze gaan bijvoorbeeld zweten, blozen, trillen of krijgen een paniekaanval. Vaak moeten ze een activiteit afbreken en gaan uiteindelijk bepaalde situaties maar liever helemaal vermijden.”

Vaker een uitkering

De gevolgen voor het leven van een patiënt zijn dan ook groot. “Zo weten we dat slechts één derde van de patiënten een partner heeft, tegenover twee derde van de algemene volwassen bevolking”, zegt Van Vliet. “Daarnaast hebben patiënten vaker een uitkering of werken ze onder hun opleidingsniveau, bijvoorbeeld omdat ze kiezen voor werk waarbij ze weinig met andere mensen te maken hebben.”

In de tweede helft van de jaren negentig werd het gebruik van SSRI’s bij patiënten met een sociale angststoornis gebruikelijker, naast cognitieve gedragstherapie. “Ik kwam in contact met een farmaceutisch bedrijf dat ook een vestiging in Japan had. In 2000 nodigden ze mij en een Engelse psycholoog uit voor een tiendaagse tour door Japan, om voordrachten te geven op universiteiten en congressen. Tussendoor kreeg ik ook wat van Japan zelf te zien: niet alleen het prachtige land, maar ook de cultuur. Ook raakte ik in gesprek met psychiater Toshihiko Nagata. Ik leerde dat de neurobiologie en gedragstherapie in Japan net in opkomst waren; eigenlijk bestond psychiatrie vooral uit psychoanalyse.”

In het begin van deze eeuw stond de neurobiologie en gedragstherapie in Japan nog in de kinderschoenen. Had je een psychiatrisch probleem, dan was psychoanalyse eigenlijk je enige optie. (Op de foto zie je de originele sofa van Sigmund Freud, de grondlegger van de psychoanalyse).

Anderen beledigen

In Japan kent men taijin kyofusho (TKS), dat lijkt op de sociale angststoornis in de westerse wereld. Letterlijk betekent dit stoornis (sho) van vrees (kyofu) voor interpersoonlijke, sociale contacten (taijin). “Er zijn twee types”, legt Van Vliet uit. “Het eerste type kenmerkt zich vooral door de angst om opgemerkt te worden en zelf negatief beoordeeld te worden door anderen, dit lijkt heel veel op onze sociale angststoornis.”

“Dat geldt niet voor het andere, het offensieve subtype. Die patiënten vrezen vooral ánderen te beledigen of in verlegenheid te brengen. Ze zijn bijvoorbeeld bang dat anderen last hebben van hun uiterlijk, lichaamsgeur, gezichtsuitdrukkingen of bewegingen. Dit syndroom komt vrijwel alleen voor in Japan en andere Oostaziatische landen, waarschijnlijk omdat de samenleving daar veel meer op het welzijn van de groep gericht is dan op het individu.”

Verschillen

Toen Van Vliet met Japanse psychiaters in gesprek raakte over de verschillen, vroegen ze zich af of SSRI’s ook zouden werken bij TKS. Was het nou écht een ander syndroom dan de sociale angststoornis, of was alleen de uitingsvorm anders gekleurd? “Dat wilden we onderzoeken door twaalf weken lang een SSRI voor te schrijven aan patiënten met het offensieve subtype. Mijn rol bestond uit coachen, meedenken over het onderzoeksprotocol en meeschrijven aan het uiteindelijke artikel. Overigens ging dat allemaal via e-mail: ik ben helaas sinds die ene keer niet meer in Japan geweest.”

En de uitkomsten van het onderzoek? “Het was nog maar een eerste studie, met tweeëntwintig patiënten en zonder controlegroep”, zegt Van Vliet. “Maar de resultaten lijken veelbelovend. Allerlei klachten namen significant af en patiënten bleken door de SSRI ook meer inzicht in hun eigen ziekte te krijgen.” Het lijkt er dus op dat TKS inderdaad een andere uitingsvorm is van de bekende sociale fobie.

Dit artikel is een publicatie van Cicero (LUMC).
© Cicero (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 december 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.