Je leest:

“Baby’s zijn woordleermachientjes”

“Baby’s zijn woordleermachientjes”

Auteur: | 11 mei 2007

Al meer dan dertig jaar houdt Anne Cutler zich bezig met het wonder van de menselijke taalverwerking. Hoe lukt het ons om in een klankenstroom woorden te herkennen en spraak om te zetten in betekenis? En hoe krijgen kinderen dat kunstje onder de knie?

“Dat is toch fantástisch”, roept ze uit met een licht Engels accent en een dito intonatie. “Baby’s van negen maanden die woorden herkennen in een verhaaltje waar ze niets van begrijpen! Hoe doen ze dat? En hoe kunnen wij, volwassen luisteraars, uit een ononderbroken reeks klanken moeiteloos woorden oppikken? Dát wil ik begrijpen: het raadsel van de menselijke taalverwerking.”

De uit Australië afkomstige Anne Cutler, vermaard taalpsychologe en wetenschappelijk directeur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen, gooit haar armen in de lucht. “Luisteren, het lijkt zo vanzelfsprekend. Geen kind hoeft daar les in te krijgen. Blootgesteld worden aan je moedertaal is voldoende om die taal te leren verstaan en spreken. Waarom vinden we dat dan zo moeilijk als het om een tweede taal gaat? Wat we als baby’s geleerd hebben, kunnen we als volwassenen niet meer loslaten.”

Hofnar

Vier jaar geleden haalde Cutler, die vloeiend Nederlands spreekt, uitgebreid de pers toen haar – als eerste vrouwelijke wetenschapper – de Spinoza-premie werd toegekend, de hoogste wetenschappelijke prijs in Nederland. De drie miljoen gulden die aan de prijs verbonden was, mocht ze besteden aan onderzoek. Ze heeft er een ‘babylab’ mee opgezet. Wat gebeurt daar precies?

“Het zijn eigenlijk twee labs. In het ene doen we gedragsonderzoek: we kijken hoe baby’s een voorkeur ontwikkelen voor bepaalde spraakklanken; we concentreren ons op kinderen van vijf maanden tot twee jaar. We trainen bijvoorbeeld twee groepen in het luisteren naar woorden als hofnar en python. De betekenis van die woorden kennen ze natuurlijk niet. De eerste groep krijgt voortdurend hofnar te horen, de andere python.”

Cutler laat een paar keer hofnar klinken als een koosnaam. “Na enige tijd krijgen beide groepen twee verhaaltjes te horen, één over een hofnar en één over een python. Dan blijkt dat die kleine baby’s al sterk een voorkeur hebben voor het ene of het andere verhaaltje, afhankelijk van wat ze daarvoor veel gehoord hebben. Kinderen zijn al vanaf vijf maanden in staat woorden te herkennen in continue spraak, ook al begrijpen ze er helemaal niets van. Puur op basis van klanken leren kinderen woorden en woordgrenzen onderscheiden.”

De volgende stap in het onderzoek is het zichtbaar maken van die getrainde woordjes via metingen van hersenactiviteit wanneer de woorden worden aangeboden. Dat gebeurt in het tweede lab. Veel wil Cutler er nog niet over kwijt. Een van haar promovendi publiceert er binnenkort haar proefschrift over. “Maar de uitkomsten stroken precies met wat we tot nu toe gevonden hebben.”

Professor Cutler: “Baby’s zijn woordleermachientjes”

Baarmoeder

“Baby’s zijn woordleermachientjes. Op vroege leeftijd zijn ze al bezig met het ontdekken wat een woord kan zijn en wat niet, maar voor verschillende talen als het Turks, het Engels of het Chinees loopt dat sterk uiteen. Kinderen hebben met negen maanden toch al duidelijk een idee over wat een woord in hun taal kan zijn en wat niet. We hebben in onderzoek laten zien dat Amerikaanse kinderen liever luisteren naar woorden die typisch zijn voor het Engels – ook al kennen ze die woorden nog helemaal niet – dan naar woorden die niet typisch Engels zijn. De verklaring moeten we zoeken in de klemtoon. Die ligt in heel veel Engelse woorden op de eerste syllabe, de eerste lettergreep, maar ik spreek toch liever van ‘syllabe’ omdat lettergreep vooral verwijst naar geschreven taal. Ook voor typisch Engelse klankvolgordes hebben ze al heel vroeg een voorkeur.”

  • “De klank is dus essentieel. Is dat nog verder uit te splitsen naar bijvoorbeeld afwisseling in toonhoogte of volume?”* “De basis is het ritme. Dat horen ze al in de baarmoeder, want daar dringen veel geluiden in door. Bij opnames die in de baarmoeder zijn gemaakt, kun je met een beetje goede wil soms bijna letterlijk verstaan wat er ‘buiten’ gezegd wordt.”
  • “Je zou toch verwachten dat een foetus vooral gewend raakt aan de stem van de moeder.”* “Dat klopt. Onderzoek in Parijs door Jacques Mehler heeft laten zien dat kinderen direct na de geboorte liever naar de stem van de moeder luisteren dan naar de stem van iemand anders. Bovendien hebben ze dan ook al een voorkeur voor de moedertaal: ze luisteren liever naar iemand die de moedertaal spreekt dan naar iemand die een andere taal spreekt, én ze hebben ook al een voorkeur voor een taal die op de moedertaal lijkt. Ze kunnen bij de geboorte geen verschil horen tussen Engels en Nederlands, maar wel tussen Engels of Nederlands enerzijds en Japans anderzijds.”

“Hoe kun je dat vaststellen?”

“Dat meet je met de zuigkracht op een speen. Als kinderen zich vervelen, dan zuigen ze minder. Bied je iets nieuws aan, dan beginnen ze harder te zuigen: hun aandacht wordt getrokken. Bij afwisseling van Nederlands en Engels in alle mogelijke variaties horen ze het verschil niet, want er is geen zuigreflex. Doe je er als onderzoeker wat Japans tussendoor, dan horen ze dat blijkens de reflex juist wel.”

Anne Cutler

Anne Cutler promoveerde in de psycholinguïstiek op een proefschrift over de invloed van klemtoon op het begrijpen van gesproken taal. Als post-doc werkte ze een jaar aan het Massachusetts Institute of Technology, de moederschoot van de moderne Amerikaanse taalkunde.

Bijna twintig jaar deed ze experimenteel taalpsychologisch onderzoek aan verschillende instellingen in Engeland, voordat ze in 1993 wetenschappelijk directeur werd van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Daarnaast is ze sinds 1996 hoogleraar Vergelijkende Taalpsychologie aan de Nijmeegse universiteit. Haar onderzoek concentreert zich op het ontrafelen van de menselijke spraakherkenning, en met name op de rol van klank bij de waarneming van woorden.

Cutler heeft zo’n driehonderd publicaties op haar naam staan. Ze is een van die zeldzame wetenschappers die taaie materie in kraakheldere taal uiteen kan zetten, zoals blijkt uit haar Nederlandse publicaties Hoe het woord het oor verovert (2000) en De baby in je hoofd: luisteren naar eigen en andersmans taal (2001).

In 1999 werd haar de Spinoza-premie toegekend, waarmee ze o.a. twee ‘babylabs’ opzette om de vroegste stadia in de ontwikkeling van spraakherkenning te onderzoeken. Het juryrapport bij de Spinoza-premie roemt Cutler als “zeer productieve en creatieve wetenschapper”, die bovendien een grote aantrekkingskracht heeft op jonge, veelbelovende onderzoekers. “Cutler behoort tot de absolute wereldtop op haar vakgebied.”

“Waar komt uw grote interesse voor de taalontwikkeling bij baby’s vandaan?”

“Het gaat me niet zozeer om die baby’s. Ik wil vooral de menselijke spraakherkenning begrijpen. De wortels daarvan liggen in het eerste levensjaar, dus dan moet ik me wel met baby’s bezighouden. Toen ik meer dan dertig jaar geleden in dit vakgebied begon, was er in de taalpsychologie nauwelijks belangstelling voor de ontwikkeling van spraakherkenning. Dat maakte het vakgebied extra aantrekkelijk.”

“De weg die ik gegaan ben, heeft misschien ook met mijn jeugd te maken. Ik ben – helaas – eentalig opgegroeid. Een deel van mijn jeugd heb ik op het platteland in Tasmanië doorgebracht. Daar hoorde ik alleen maar Engels. Maar soms kwamen er door het werk van mijn vader mensen uit Engeland, en die hadden een ander accent. Dat vond ik zo interessant dat ik dat imiteerde – bijvoorbeeld het opvallende accent van het Engelse Newcastle. Ik kreeg straf van mijn moeder omdat ze dacht dat ik de gasten belachelijk probeerde te maken. Maar ik deed dat volstrekt onbewust.”

“Later, op de middelbare school kon ik vreemde talen kiezen en toen bleek al meteen dat ik daar heel goed in was. Ik ben uiteindelijk Duits en psychologie gaan studeren en ik schreef een proefschrift over ‘prosodie’, over de rol van klemtoon bij het begrijpen van gesproken zinnen. De volgende stap is dan om talen te vergelijken: hoe zit het met talen die niet gebruikmaken van klemtoon? Klemtoon is namelijk geen universeel verschijnsel en als psycholoog wilde ik dé menselijke spraakherkenning onderzoeken.”

  • “Uit wetenschappelijk oogpunt begrijp ik het belang daarvan, maar wat is het praktisch nut van de kennis die dat onderzoek oplevert?”* “We begrijpen nu veel beter dat de ervaringen die we als baby’s hebben opgedaan met klanken ons nooit meer loslaten. We hebben dat systeem van klankverwerking bij het leren van onze moedertaal zó goed onder de knie gekregen, dat het ons bij het luisteren naar een tweede taal in de weg zit. Dat is wat ik ooit ‘’de baby in je hoofd’ heb genoemd.”

Staart

“Een voorbeeld uit een onderzoek van mijn promovenda Andrea Weber laat zien hoe dat werkt. In het Duits komt de klankcombinatie _sjl_aan het begin van een woord vaak voor (bijvoorbeeld in Schluss), maar in het Engels kan dat niet, evenmin als in het Nederlands. Andersom is het zo dat _sl_in het Duits niet aan het begin van een woord voorkomt, en juist wel in het Engels en het Nederlands.

Duitsers die heel goed Engels spreken, blijken zich er bij het luisteren naar het Engels toch niet van bewust te zijn dat _sjl_in die taal niet mogelijk is als woordbegin. Bij het luisteren naar een tweede taal spelen de regels voor klankcombinaties van onze moedertaal dus nog een rol. Dat is een van de mechanismen die dat luisteren zo lastig maken."

Een taalpsychologisch experiment

Mensen die veelvuldig een vreemde taal gebruiken, zeggen weleens dat ze ook in die taal gaan denken en dromen. Het volgende experiment van Anne Cutler en Andrea Weber laat echter zien dat de moedertaal zelfs bij gevorderden nog steeds ‘een woordje meespreekt’.

Nederlanders die goed Engels kennen, zien in een Engelstalige test op een beeldscherm vier voorwerpen: een deksel, een schommel, een bureau en een bloem. Ze krijgen de opdracht om met de muis een van die voorwerpen te verplaatsen en op een geometrische figuur te zetten: “Click on the desk and move it on top of the diamond.” Tot het moment waarop de proefpersonen “Click on the de-” horen, hebben ze meer aandacht voor het plaatje van het bureau (“desk”) en het deksel dan voor de andere twee. Dat stellen de onderzoekers vast met het registreren van oogfixaties. Blijkbaar wordt het Nederlandse woord deksel ook heel even geactiveerd en concurreert het met het Engelse desk.

Cutler: “Met activering bedoelen we hier dat er informatie beschikbaar komt over de woordvorm, in dit geval meerdere woordvormen tegelijk, maar nog niet over de betekenis. Die vorm-informatie moet de luisteraar zien te rijmen met het spraaksignaal: ‘Hé, is het misschien dát woord?’ Dat gaat razendsnel, maar hoe dat in het brein precies verloopt, daar hebben we nog geen greep op. We zijn nog mijlenver verwijderd van het inzicht in de manier waarop onze hersenen dat doen.”

  • “Wat zijn voor u als Engelstalige de lastigste klankonderscheidingen in het Nederlands?”* “O, ik heb nog steeds moeite met ou tegenover ui, het verschil tussen uit en oud is lastig te horen en te zeggen. Voor Engelstaligen – uitgezonderd Amerikanen – is ook het onderscheid tussen lange en korte klinkers voor de r moeilijk, want dat kan in het Engels niet. Dus het verschil tussen start en staart. Als ik dat probeer uit te spreken, moet ik even stoppen en het als het ware vooroefenen in mijn hoofd.”

“In het algemeen vormen de ‘pseudo-homofonen’ een groot knelpunt, dat zijn die woorden die voor een tweedetaalleerder hetzelfde klinken maar voor een moedertaalluisteraar beslist niet. Voor een Chinees klinken rijst en lijst hetzelfde. Nederlanders horen het verschil niet tussen flash en flesh, terwijl dat voor mij overduidelijk is.”

  • “Is daarop te trainen door bijvoorbeeld het luisteren te combineren met nazeggen?”* “Het blijft moeilijk omdat het verankerd ligt in je hoofd. Maar de combinatie van luisteren en spreken is interessant. Ik heb eens onderzoek gedaan naar de waarneming en productie van de t-klank in Engelse woorden als water. Die varieert in het Engels van een korte t-klank tot zelfs een zogenoemde ‘glottal stop’ in het ‘Cockney’; dan klinkt water als [wa’er]. De stem stokt daar even, net als in het Nederlandse woord beambte tussen de e en de a. Maar het Brits- Engels is daarin anders dan het Amerikaans-Engels.”

“Dat onderzoek liet zien dat Britten die lang in Amerika hadden gewoond, hun spraak wel aanpasten, maar zij maakten van die tussenklank een soort d, dus [wadder]. Hun waarneming zette hen op het spoor van een verandering in de productie, het ging de goede kant op, maar het verliep nog niet vlekkeloos. Je kunt zeggen dat luisteren en spreken voor een deel hand in hand gaan, maar eerlijk gezegd is spraakproductie niet echt mijn onderwerp.”

Spraaksignaal en context

Hoe is het mogelijk dat mensen een continue reeks klanken razendsnel betekenis kunnen geven? Dat is een van de kernvragen waar taalpsychologen zich mee bezighouden. Zij delen dat proces – dat wij gewoon luisteren noemen – op in verwerking op verschillende niveaus, te beginnen bij de informatie die het spraaksignaal geeft, tot uiteindelijk de betekenis in de context op het bovenste niveau. Gaat het inderdaad in deze richting, dan spreekt men van ‘bottom-up processing’. Dat houdt dus in dat de informatie in een richting gaat van signaal naar betekenis.

Wanneer echter informatie in de andere richting vloeit en invloed uitoefent op de verwerking op een lager niveau, dan spreken we van ‘top-down processing’. Die invloed zorgt ervoor dat het werkwoord missen in een context van ‘trein’, ‘schieten’ en ‘nostalgie’ steeds een andere betekenis krijgt (terwijl de overige betekenissen van missen níét beschikbaar zijn). Het maakt ook dat je bij het horen van “Geachte lui…” op de radio, het vervolg niet anders kan horen dan als “…steraars.” Twistpunt is hoe de context de verwerking beïnvloedt: is het sturend of vooral versnellend?

Voor Anne Cutler is het spraaksignaal bij de taalverwerking cruciaal. “Als context zo’n sturende rol zou spelen, zou je bijvoorbeeld nooit merken dat iemand zich verspreekt of een woordspeling maakt. Als iemand ‘Geachte luistelaars’ zegt, dan valt je dat wel degelijk op. Context helpt uiteraard, maar dan vooral bij het versnéllen van de doorstroom bij het verwerken van het signaal. Deze visie op het proces doet meer recht aan alles wat we – als taalgebruikers én wetenschappers – over de spraakverwerking weten.”

  • “U weet veel over taalverwerving, maar u hebt zelf ook vloeiend Nederlands geleerd. Hebt u als leerder een advies aan andere buitenlanders die Nederlands leren?”* “Ik heb Nederlands leren als hobby beschouwd. Maar ik maakte er ook erg veel werk van en had mezelf een doel gesteld. Ik wist al dat ik hier hoogleraar Vergelijkende Taalpsychologie zou worden, en wilde binnen drie jaar mijn inaugurele rede in het Nederlands houden. Dat is gelukt. Een advies is: luisteren en nog eens luisteren, ook onder moeilijke omstandigheden. Ik luisterde ’s ochtends onder de douche naar het Radio 1 Journaal.

Ik ben ook veel gaan lezen. Daar leer je weer allerlei nieuwe woorden en uitdrukkingen van. Ik weet nog dat ik in een roman van Renate Dorrestein in het eerste hoofdstuk las: ‘Op een open plek hurkte het meisje en deed een plas.’ Dat moest ik opzoeken in het woordenboek, want die uitdrukking had ik op de les niet geleerd."

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.