Je leest:

Ariane 4 – het werkpaard van Europa

Ariane 4 – het werkpaard van Europa

Auteur: | 1 april 2000

De Ariane 4 betekende een belangrijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke Ariane 1 omdat de eerste trap compleet werd herzien en sterk werd vergroot. Hierdoor werd het mogelijk een raket met veel maar lading dan voorheen in een geostationaire baan om de Aarde te brengen.

Toen in december 1979 de eerste Ariane 1 raket werd gelanceerd, waren er al plannen gepresenteerd om deze lanceerraket te verbeteren. In de publiciteitsgolf rondom de eerste lancering werd al aangegeven dat door het vergroten van de derde trap en het toevoegen van stuwraketten (boosters) de nuttige lading meer dan verdubbeld kon worden. De Ariane 2 en 3 zouden behalve het vergroten van de derde trap en het toevoegen van boosters, weinig veranderen ten opzichte van de Ariane 1. De Ariane 4 betekende echter een belangrijke verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke Ariane 1 omdat de eerste trap compleet werd herzien en sterk vergroot. Met vier vaste stuwstof boosters van het type dat in de Ariane 3 werd gebruikt zoude toen voorgestelde Ariane 4 3300 kg in een geostationaire baan overgangsbaan kunnen brengen. Deze raket werd toen gezien als een tussenstap naar de ontwikkeling van de Ariane 5 waarbij de tweede trap zou worden vervangen door een grote cryogene trap. Echter, in het begin van de jaren tachtig werd dit concept voor de Ariane 5 verlaten en werd de Ariane 4 door wisselende combinaties van standaard vloeibare en vaste stuwstof boosters uitgebouwd tot een draagrakettenfamilie die optimaal aan de verschillende nuttige ladingen kon worden aangepast. Om de flexibiliteit te vergroten werden er verschillende neuskegels en een systeem om twee satellieten tegelijk te vervoeren aan de Ariane 4 familie toegevoegd. Dit had tot gevolg dat men een klein aantal standaardonderdelen in relatief grote hoeveelheden zou kunnen bouwen, wat de raket goedkoop maakte.

Een Ariane 40 stijgt op van het lanceerplatform ELA 2. Arianespace

Ontwikkelingsprogramma

Het Ariane 4 programma werd in januari 1982 goedgekeurd en kon toen officieel van start gaan. Zes versies waren voorzien die ladingen tussen de 1900 en 4200 kg in een geostationaire overgangsbaan konden brengen. Het ontwikkelingsprogramma van de Ariane 4 verliep nagenoeg probleemloos. Het programma werd wel enigszins vertraagd door mislukte Ariane vluchten in 1985 (Ariane 2)en 1986 (Ariane 3). Tijdens deze laatste vlucht faalde het ontstekingssysteem van de derde trap en deze trap zou ook voor de Ariane 4 worden gebruikt. Tegen het einde van 1986 waren de meeste onderdelen van de Ariane 4 gekwalificeerd en was de bouw van de eerste Ariane 4, de 401 gestart. De lanceercampagne voor deze vlucht startte in december 1987 met de aankomst van de raket in Kourou. In het speciaal voor de Ariane 4 geconstrueerde ELA-2 (Ensemble de Lancement Ariane) lanceercomplex werd de Ariane 401 geassembleerd en op 28 april 1988 werd de raket van de assemblage hal naar het lanceerplatform gereden. Hier werden de voorbereidingen voor de vlucht voltooid en op 15 juni vond de lancering plaats. De lancering was een volledig succes en markeerde het einde van een succesvol ontwikkelingsprogramma. De ontwikkeling van de Ariane 4 is niet gestopt met de 401-vlucht. Tijdens haar leven zijn er continu kleine verbeteringen aangebracht. Belangrijke verbeteringen waren de introductie van de H-10+ derde trap in 1993 en de H-10-III derde trap in 1996. Met deze laatste verbetering werd de maximale lading in een geostationaire overgangsbaan vergroot tot 4800 kg.

Beschrijving van de raket

De Ariane 4 raket bestaat uit zeven hoofdonderdelen, zijnde de drie trappen, de vloeibare stuwstof booster, de vaste stuwstof booster, de Vehicle Equipment Bay (de besturingseenheid) en de neuskegel met de verschillende systemen om meerdere satellieten te kunnen lanceren. Met deze bouwstenen kan voor elke vlucht de meest optimale configuratie worden samengesteld. In principe zijn er, afgezien van de verschillende neuskegel configuraties, zes combinaties mogelijk. De Ariane 40 die geen boosters heeft, de Ariane 42P, die twee vaste stuwstof boosters heeft, de Ariane 42L, die twee vloeibare stuwstof boosters heeft, de Ariane 44P, die vier vaste stuwstof boosters heeft, de 44LP die een mix van twee vaste en twee vloeibare stuwstof boosters heeft en tot slot de 44L die vier vloeibare stuwstof boosters heeft. Interessant is overigens dat de Ariane 40 niet genoeg stuwkracht heeft om met volledig gevulde tanks gelanceerd te kunnen worden. Bij deze versie wordt de eerste trap daarom maar voor tweederde gevuld.

Een Ariane 4 wordt rechtopstaand vanuit het integratiegebouw naar het lanceerplatform gereden op een mobiele lanceertafel. De satellieten worden pas op het lanceerplatform met de raket samengevoegd. Arianespace

Vaste stuwstof boosters

De vaste stuwstof boosters zijn vergrote versies van de boosters die voor de Ariane 3 werden ontwikkeld. Ze bevatten 9500 kg vaste stuwstof in een stervormige stuwstofpil die in iets meer dan 30 seconden wordt verbrand. De boosters zijn hoofdzakelijk van staal gemaakt. Op het moment dat de Ariane 4 wordt losgelaten worden de boosters ontstoken en na ongeveer 66 seconden worden ze door sterke veren afgeworpen. Ze vallen in de buurt van het lanceerplatform weer terug op aarde, maar worden niet hergebruikt.

Vloeibare stuwstof boosters

De vloeibare stuwstof boosters zijn speciaal voor de Ariane 4 ontwikkeld. Om de ontwikkelingskosten zoveel mogelijk te beperken is zoveel mogelijk bestaande Ariane 4 technologie gebruikt. In feite zijn de boosters een geschaalde versie van de eerste trap. Ze zijn uitgerust met twee identieke tanks waarin 39 ton UH25 (een mengsel van 75% asymmetrische di-methyl hydrazine en 25% hydrazine hydraat) en stikstoftetroxide zit, dezelfde stuwstoffen die ook in de eerste en tweede trap worden gebruikt. De boosters hebben een Viking 6 motor die vrijwel identiek is aan de Viking 5 motoren in de eerste trap. De vloeibare stuwstof boosters worden gelijk met de hoofdmotoren van de eerste trap ontstoken en na het uitbranden worden ze met behulp van kleine scheidingsraketjes afgeworpen.

De eerste trap

De grootste verschillen tussen de Ariane 4 en de eerdere Ariane versies zitten in de eerste trap. Hoewel de ontwerpfilosofie van de eerste trap gelijk is gebleven, is de trap voor de Ariane 4 geheel opnieuw ontworpen. De trap heeft twee identieke tanks die 226 ton UH25 en stikstoftetroxide stuwstoffen bevatten, meer dan anderhalf keer zoveel als in eerste trap van de Ariane 1, 2 en 3. Het motorcompartiment en het verbindingsdeel tussen de twee tanks werd aangepast om de grotere krachten te kunnen doorleiden en de watertank werd naar het verbindingsdeel tussen de tanks verplaatst. In de eerste trap van de Ariane 1, 2 en 3 bevond deze watertank zich in het motorcompartiment. Het water wordt gebruikt om de mengverhouding te controleren en om de uitlaatgassen van de turbine te koelen tot een temperatuur waarbij ze kunnen worden gebruikt om de stuwstoftanks onder druk te zetten. Ook de verbindingsstructuren met de tweede trap werden versterkt om de verhoogde krachten in de Ariane 4 aan te kunnen. Deze verbindingsstructuur tussen de eerste en de tweede trap is door Fokker Space ontworpen en wordt door Fokker Special Products gebouwd. De motoren zijn dezelfde Viking 5 motoren die ook al in de vorige versies gebruikt werden. Wel werd de uitlaat versterkt om de langere brandtijd van de Ariane 4 aan te kunnen. Een uitgebreide duurtest bewees dat deze verandering een Ariane 4 vlucht kon weerstaan.

Overzicht van alle Ariane 4 vluchten. H. M. Sanders

Tweede en derde trap

De tweede en derde trap zijn onveranderd gebleven ten opzichte van de Ariane 1, 2 en 3, op een aantal kleine versterkingen van de raketstructuur na. Daarnaast zijn de metalen drukvaten die het helium bevatten waarmee de tanks van de tweede trap onder druk worden gehouden, vervangen door veel lichtere tanks op basis van koolsftofvezels. De tweede trap is in feite een verkleinde uitvoering van de eerste trap en gebruikt dezelfde stuwstoffen. Hij heeft echter maar één Viking 4 motor. De Viking 4 is vrijwel identiek aan de Viking motoren in de eerste trap maar omdat deze trap alleen in vacum werkt is de uitlaat langer zodat hij efficienter kan werken. De derde trap heeft een HM-7B motor die vloeibare zuurstof en waterstof als stuwstoffen gebruikt. Deze stuwstoffen geven veel betere prestaties, maar hebben als nadeel dat ze tot ver onder het nulpunt gekoeld moeten worden om vloeibaar te blijven. De motor van de derde trap heeft een relatief kleine stuwkracht ten opzichte van het gewicht van de trap. Hierdoor is de brandduur erg lang en dit verklaard ook de achtbaanbeweging die de trap tijdens de lancering beschrijft. Tijdens de vijftigste lancering werd een verbeterde derde trap geintroduceerd, de H-10+. Deze trap kan ongeveer 340 kg extra stuwstof vervoeren en heeft een lichtere structuur. Daarnaast werden de reserves verminderd omdat de vluchtervaring had aangetoond dat de raket meer voorspelbaar was dan eerst werd voorzien. Deze maatregelen geven gezamenlijk een vermeerdering van 200 kg in de lading die in een geostationaire overgangsbaan kan worden gebracht. Bij de V70 vlucht werd de H-10-III geintroduceerd. In deze variant werd de mengverhouding van de motor enigszins geoptimaliseerd en werd het tussenschot tussen de waterstof en zuurstoftank veranderd zodat er meer stuwstoffen mee konden. De verbindingsstructuur tussen de tweede en derde trap is een ander onderdeel dat bij Fokker gebouwd wordt. Deze structuur was bij de Ariane 1, 2 en 3 uitgevoerd als een traditionele verstijfde aluminiumstructuur. Bij de Ariane 4 is de structuur uitgevoerd in koolstofvezel, wat een aanzienlijke besparing in massa opleverde.

opmerkingen- De tabel is gesorteerd op vluchtnummer, door de overlap met Ariane 2, 3 en 5 vluchten ontbreken aan het begin en einde van de tabel vluchtnummers. Door vertragingen met satellietenzijn de vluchtnummers niet volledig op chronologische volgorde- De versies worden aangeduid met 40, 42P etc. Een + betekent gebruik van de H-10+ trap, 3 betekent gebruik van de H-10-III trap. De banen zijn GTO (geostationaire overgangsbaan), SSO (zonsynchrone baan), HEO (zeer eliptische baan), LEO (lage cirkelvormige baan). PVA betekent Perigee Assist Manoeuvre, de Ariane brengt de satelliet in een lagere baan om zo de manoeuvre van de satelliet te optimaliseren.

De Vehicle Equipment Bay en neuskegel

Ook het ontwerp van de Vehicle Equipment Bay (VEB) werd geheel herzien ten opzichte van de eerdere Arianes. De VEB zit tussen de derde trap en de neuskegel en bevat alle geleidings- en controleapparatuur. De Ariane 4 heeft een volledig inertiaal geleidingssysteem dat met behulp van gyroscopen en versnellingsmeters berekent waar de raket zich op ieder moment bevindt. Deze positie wordt vergeleken met de baan in het geheugen van de boordcomputer en de raket genereert vervolgens zelf stuursignalen om naar de goede baan toe te sturen. Omdat men de neuskegel sterk had vergroot, moest de structuur geheel opnieuw ontworpen worden. Maar ook de elektronica in de VEB werd grondig vernieuwd. Zo werden de traditionele gyroscopen door lasergyroscopen vervangen en het geleidingssysteem werd vervangen door een volledig digitale versie.

Overzicht van het ELA 2 lanceercomplex. Arianespace

De Ariane 4 kan gebruik maken van drie neuskegels: een korte van 9 meter lang, een lange van 10 meter, en voor speciale gevallen kan de neuskegel worden verlengt tot 11 meter. De neuskegel is gemaakt van een sandwichstructuur. De verschillende structuren die beschikbaar zijn voor meervoudige lanceringen zijn de SPELDA, de mini-SPELDA, de SYLDA en de ASAP. De SPELDA (Systeme Porteuse Externe pour le Lancement Double Ariane externe dragende structuur voor Ariane dubbellanceringen) is een container van koolstofvezelcomposiet waarin een satelliet wordt vervoerd, de neuskegel met daarin de tweede satelliet wordt dan bovenop de SPELDA bevestigd. Tijdens de lancering wordt eerst de neuskegel afgeworpen. Als de derde trap is uitgebrand wordt eerst de bovenste satelliet uitgezet. Daarna wordt de bovenste helft van de SPELDA afgeworpen waarna de satelliet die zich in de SPELDA bevindt, wordt uitgezet. In de loop van de jaren is er een verkorte versie ontwikkeld om kleine satellieten in te vervoeren. De SYLDA is een overblijfsel uit het Ariane 1 tot en met 3 programma en is een vergelijkbare structuur als de SPELDA. Echter, de SYLDA is kleiner en wordt geheel omhuld door de neuskegel. De ASAP (Ariane System for Auxiliary Payloads) is een ringvormige structuur die zich onderin de neuskegel bevindt en waarop maximaal zes kleine satellieten met een gewicht tot 50 kg kunnen worden gemonteerd.

Volgfaciliteiten

De Ariane 4 is in principe volledig autonoom en de enige invloed die men op de raket kan hebben is het tot ontploffing brengen van de raket als de lancering niet naar wens verloopt. Om de raket en zijn vlucht te kunnen volgen zijn er nabij de basis een drietal radars en andere sensoren zoals telemetrie antennes en een infrarood telescoop beschikbaar. De raket heeft een tweetal radartransponders en een telemetrie zendeenheid in de VEB die het volgen van de raket vergemakkelijken.

De Adour 2 radar staat dicht bij het lanceerplatform en wordt alleen voor de allereerste vluchtfase gebruikt. Zodra de raket in zicht komt van de Bretagne 1 radar, die op een bergtop ten oosten van Kourou staat, wordt hiernaar overgeschakeld. Deze krachtige radar kan de raket voor een groot deel van de vlucht volgen. Op dezelfde locatie als de Bretagne 2 staat ook nog een telemetrie ontvangstantenne die de gegevens die de raket naar beneden zendt, opvangt. Nog verder naar het oosten, nabij Cayenne, de hoofdstad van Frans Guyana, bevindt zich nog een reserve Bretagne 2 radar. De serie sensoren rondom Kourou wordt gecompleteerd door een infrarood volgtelescoop die op het IIle Royale voor de kust van Kourou staat. Deze telescoop, die temidden van de runes van de voormalige strafkolonie staat, volgt de hitte van de motoren van de raket tot het uitbranden van de eerste trap.

De lancering van Helios-1B op 3 december 1999 met een basis Ariane draagraket. Deze lancering was de 50ste met succes gelanceerde Ariane-4 op rij sinds maart 1995. Arianespace

Als de raket uit het zicht van Kourou verdwijnt, nemen andere volgstations het werk over. Voor de Ariane 4 zijn er volgstations in Natal (Brazilie), Ascension Island in de Atlantische Oceaan, Libreville in Gabon en Hartebeesthoek in Zuid-Afrika. Alleen de eerste twee zijn uitgerust met zowel telemetrie antennes als een radar, de laatste twee hebben alleen radarantennes. Als het nodig is worden andere volgstations ingezet.

Lanceercampagne

Een lanceercampagne van de Ariane 4 duurt in principe een viertal weken en start met de aankomst van de raket in de haven van Cayenne, waarna zij over de weg naar Kourou wordt gereden. De satellieten komen ook al enige tijd voor de lancering in Kourou aan, alwaar zij in de ECPU (Ensemble de Préparation des Charges Utiles, Complex voor het Voorbereiden van Nuttige Ladingen) worden klaargemaakt voor de lancering. De ECPU is een verzameling gebouwen, deels in het technische centrum, deels in de buurt van het lanceerplatform, waar de satellieten in elk gebouw een specifiek deel van de voorbereidingen ondergaan.

Algemene gegevens over de Ariane 4. Arianespace

Inmiddels wordt de raket in de assemblagehal uit haar containers gehaald en op een mobiel platform in elkaar gezet. In principe duurt het assembleren vijf werkdagen en daarna zijn er nog vijf werkdagen ingeruimd voor het uittesten van de raket. Daarna wordt de raket zeer langzaam vanuit de assemblagehal naar het platform gereden. Op het lanceerplatform aangekomen worden pneumatische, stuwstof en elektrische aansluitingen gemaakt en daarna wordt de mobiele servicetoren om de raket heen gereden om haar te beschermen en verdere voorbereidingen mogelijk te maken. Zo worden de met stuwstoffen geladen vaste stuwstof boosters pas op het lanceerplatform aan de raket bevestigd. De in de ECPU geprepareerde en in de neuskegel verpakte satellieten worden boven op de raket gemonteerd. Daarna wordt alle pyrotechniek geinstalleerd en aangesloten. Hierna volgt de lanceeroefening die ook dient om alle systemen uit te testen. Verloopt deze oefening goed, dan kunnen de eerste twee trappen en de vloeibare stuwstofboosters worden gevuld. De derde trap wordt pas op de lanceerdag zelf gevuld om te voorkomen dat de zeer koude vloeibare zuurstof en waterstof verdampen. Pas als vijf uur voor de lancering de mobiele service toren is weggereden kan het vullen van de derde trap beginnen. Een voor een worden alle systemen op het CSG, in de raket en bij de satellieten uitgetest om zeker te zijn dat ze klaar zijn voor de lancering. Op zes minuten voor het ontsteken van de motoren gaat de synchronised sequence in, het punt waarna menselijk ingrijpen eigenlijk niet meer mogelijk is.

Lancering

De meeste lanceringen van een Ariane 4 worden uitgevoerd om één of twee satellieten in een geostationaire overgangsbaan te brengen. Dit betekent dat de raket in oostelijke richting vliegt (in de richting van de evenaar) en de satelliet aflevert in een baan met een perigeum van ongeveer 200 km en een apogeum van ongeveer 36000 km. In feite begint de lancering met de al eerder genoemde synchronised sequence, zes minuten voor de lancering wanneer de computers de controle over de lancering overnemen. Als de vluchtleiders ingrijpen in deze fase moet de klok weer terug naar zes minuten voor de lancering. Drie en een halve minuut voor de lancering wordt het signaal “groene status voor alle systemen” gegeven om aan te geven dat alles klaar is voor de lancering. Een minuut later schakelt de raket over op haar interne batterijen. Tot dan toe werd alle elektronica vanaf de grond gevoed. Op negen seconden voor de lancering wordt de traagheidsnavigatie van de raket afgekoppeld en worden invoergegevens niet meer vanaf de grond bijgewerkt. Vier seconden later openen zich de cryogene armen van de derde trap, die tot dan toe de tanks van de derde trap hebben bijgetankt. Dit omdat de superkoude vloeibare zuurstof en waterstof die in de tanks zit langzaam verdampt en zo lang mogelijk moet worden bijgevuld.

Ariane 44L draagraket op lanceerplatform ELA 2. Vlucht 39 met de communicatiesatellieten SBS 6 en GALAXY VI. Arianespace

Als het aftellen bij nul aankomt, worden de motoren van de eerste trap en de vloeibare stuwstof boosters ontstoken. Vier zware metalen kaken houden de raket echter op haar plaats totdat de computers op de grond zich ervan hebben verzekerd dat de motoren goed werken. Als alles goed is bevonden, worden de kaken geopend en worden de vaste stuwstof boosters ontstoken en gaat de Ariane omhoog. De vlucht recht omhoog duurt tussen de 10 en 15 seconden en daarna stuurt het geleidingssysteem de raket langzaam in oostelijke richting. Na 35 seconden zijn de vaste stuwstof boosters uitgebrand en zij worden een dertigtal seconden later afgeworpen. Op 140 seconden na de lancering zijn de vloeibare stuwstof boosters uitgebrand en worden ook zij afgeworpen. Drie minuten en 25 seconden na de lancering zijn de stuwstoffen in de eerste trap ook verbruikt en wordt deze afgeworpen. Kleine scheidingsraketjes drijven de twee trappen uit elkaar. Op de tweede trap zijn ook raketjes gemonteerd die ervoor zorgen dat de stuwstoffen onderin de tank zitten als de hoofdmotor wordt opgestart. Binnen enkele seconden na het afwerpen van de eerste trap heeft de tweede trap het werk overgenomen. Viereneenhalve minuut na de lancering heeft de raket een hoogte van meer dan 120 km bereikt en wordt de neuskegel afgeworpen. Vijf minuten en veertig seconden na de lancering is de stuwstof van de tweede trap verbruikt en wordt deze afgeworpen. De derde trap begint nu aan haar vijftien minuten lange vlucht die uiteindelijk de satellieten in een baan om de aarde zal afleveren. Als de correcte baan is bereikt, sluit het geleidingssysteem de stuwstof toevoer naar de hoofdmotor af en begint een serie manoeuvres om de satellieten op de correcte manier uit te zetten. De satellieten worden vaak door middel van tolstabilisatie in een stabiele stand gebracht en in verschillende richtingen weggestoten door veren. Hierdoor worden botsingen vermeden. Aan het einde van deze fase in de vlucht worden alle stuwstoffen geloosd om de baan van de derde trap zelf te veranderen en om ontploffingen te vermijden. Op dat moment is de vlucht van de Ariane 4 voorbij, ongeveer een half uur nadat zij het platform heeft verlaten.

Belangrijke vluchten

Hoewel het de bedoeling was dat de Ariane 4 rond 1996 door de Ariane 5 zou worden vervangen, zal de carrire van deze raket in ieder geval tot 2001 doorgaan. Inmiddels zijn er al meer dan negentig Ariane 4 raketten gelanceerd en zal het totale aantal Ariane 4 raketten dat gelanceerd ver boven de 100 komen. De Ariane 4 heeft nog steeds een groot deel van de commerciele lanceerraketmarkt in handen. Belangrijke vluchten in het Ariane 4 programma zijn: -De V22 was de eerste Ariane 4 missie. De versie was een Ariane 44LP om alle componenten van de Ariane 4 gelijktijdig te kunnen uittesten. De vlucht vond plaats op 15 juni 1988. -Tijdens de V31 vlucht op 6 juni 1989 werd voor het eerst de krachtigste versie van de Ariane 4 gebruikt, de 44L. -Op 22 januari 1990 werd voor het eerst de Ariane 40 gebruikt en werd ook voor het eerst door een Ariane 4 een satelliet in een polaire baan gebracht. -De V36 vlucht was de eerste keer dat een Ariane 4 vlucht faalde. Op 23 februari 1990 brak de raket na ongeveer 100 seconden in stukken en explodeerde. Een geblokkeerde waterleiding in de eerste trap was de oorzaak van dit falen. -Op 20 november 1990 werd voor het eerst een Ariane 42P gelanceerd, de versie met 2 vaste stuwstof boosters. -Op 4 april 1991 werd voor het eerst gebruik gemaakt van de 44P versie. -Tijdens de V50 vlucht op 15 april 1992 werd voor het eerst de H-10+ trap gebruikt. -Op 10 augustus 1992 werd de Ariane voor het eerst gebruikt voor een niet-standaard baan. De vlucht bracht de Topex-Poseidon satelliet in een baan op 1330 km hoogte met een inclinatie van 66 graden. -Tijdens de V54 vlucht werd voor het eerst de manoeuvre van de satelliet en de raket geoptimaliseerd. Het apogeum van de Ariane 4 geostationaire overgangsbaan was lager en de satelliet verhoogde zelf het apogeum en voltooide de overgang naar een geostationaire baan. Hierdoor hield de satelliet uiteindelijk meer stuwstof over voor zijn operationele levensduur. -De V63 vlucht mislukte doordat een lager in de turbopompen van de derde trap het begaf. -Ook de V70 vlucht liep op een mislukking uit doordat de zuurstofleiding naar de gasgenerator van de derde trap verstopt raakte. -Tijdens vlucht V73 werd de H-10-III derde trap voor het eerst gebruikt. -Tijdens vlucht V113 bracht de Ariane 4 haar zwaarste lading ooit in de ruimte, 4946 kg voor een 44L. Dit gewicht is zo hoog opgeklommen door een programma van continue verbeteringen. -Vlucht 124 in december 1999 was de 50ste succesvolle Ariane 4 lancering op rij, een ongeevenaard record in de ruimtevaart.

Slotopmerkingen

De Ariane 4 kan zonder meer Europa’s meest succesvolle raket worden genoemd. De raket wordt geroemd om haar betrouwbaarheid; er zijn al meer dan 50 raketten achter elkaar gelanceerd zonder mislukking. Over enige jaren zal de Ariane 5 de vlag van de Ariane 4 overnemen, maar tot die tijd blijft de Ariane 4 het werkpaard van Europa.

Dit artikel is een publicatie van Nederlandse Vereniging voor Ruimtevaart.
© Nederlandse Vereniging voor Ruimtevaart, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 april 2000

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.