Je leest:

Antidepressiva kunnen hartritme verstoren

Antidepressiva kunnen hartritme verstoren

Auteur: | 1 februari 2008

Veelgebruikte middelen tegen depressie, psychose en epilepsie kunnen bij sommige mensen tot fatale hartritmestoornissen leiden. Cardioloog Hanno Tan vond hier aanwijzingen voor. Nu wil hij uitzoeken wie het meeste risico lopen, en welke medicijnen zij het best kunnen mijden. Met een Vici-subsidie van NWO is Tan een onderzoekslijn gestart waarin ook andere oorzaken van hartritmestoornissen onder de loep worden genomen.

Het begon allemaal met één patiënt. Een twintigjarige vrouw die medicatie slikte tegen epilepsie, kreeg na een zelfmoordpoging met een overdosis van deze geneesmiddelen een hartstilstand door hartritmestoornissen. Met haar hart was verder niets mis, dus daar kon het probleem niet liggen. Tan, die haar op zijn spreekuur kreeg, dacht echter meteen aan wat anders. ‘Het is bekend dat bepaalde middelen – zoals antidepressiva, middelen tegen epilepsie en ook antipsychotica – de natriumkanalen beïnvloeden. Deze kanalen zijn ook belangrijk voor de prikkelbaarheid van het hart.’ Het hart krijgt om de zoveel tijd een elektrische prikkel ten teken dat het moet samentrekken. Dit proces begint in de sinusknoop, die het startsein geeft, waarna het signaal zich verspreidt. De natriumkanalen spelen hierbij een belangrijke rol. Als deze geblokkeerd worden dan vertraagt de prikkelgeleiding. Met als gevolg dat de elektrische prikkel gaat rondzingen waardoor het hart veel te snel samentrekt. Het kan dan geen bloed meer rondpompen, en als dat te lang duurt treedt plotse hartdood op.

Tan, die ook verbonden is aan het laboratorium voor Experimentele Cardiologie van het Hartfaalcentrum, past in dit lab een methode toe om te kijken wat geneesmiddelen doen met de stroom in natriumkanalen. Hij gebruikt daarvoor een celkweek waarin hij een gen tot expressie brengt dat zorgt voor de vorming van het natriumkanaal in het hart. Met een elektrode meet hij dan de prikkelvorming. ‘Het middel dat mijn jonge patiënte slikte is in dit meetsysteem getest en wat bleek? De natriumkanalen werden sterk geblokkeerd. Andere onderzoekers hebben nu hetzelfde aangetoond voor lithium, een veelgebruikt middel bij psychose.’

Een miljoen Nederlanders

Psychiaters wisten eigenlijk al – uit ervaring – dat de middelen die ze voorschrijven soms effect hebben op het hart. Ze vrezen het verschijnsel ook: de zwaar depressieve patiënt die aan plotse hartdood overlijdt door de medicatie die hij voor zijn aandoening neemt. Maar net als Tan weten ze niet hoe vaak zoiets voorkomt. Want zoveel is wel duidelijk: niet iedereen die dergelijke middelen slikt, krijgt ritmestoornissen.

Cardioloog Tan deed een pilotstudie bij 1612 patiënten die gereanimeerd moesten worden en achterhaalde hun medicijngebruik. Daar kwam uit dat antidepressiva en anti-epileptica het risico op hartritmestoornissen lijken te verhogen. Het gaat om middelen die door ongeveer een miljoen Nederlanders geslikt worden.

De resultaten schreeuwden om vervolgonderzoek en dat gaat nu starten met de Vici-subsidie van 1,25 miljoen euro van NWO, die bedoeld is voor senior-researchers die met succes een vernieuwende onderzoekslijn hebben opgezet. Tan: ‘We willen weten hoe groot het risico is dat iemand loopt. Want het scheelt nogal of iemand twee keer of tien keer meer kans heeft op plotse hartdood. Volgende vraag is of de patiënt zelf bijdraagt aan het risico. Bijvoorbeeld omdat hij al aan een hartziekte lijdt of omdat hij geboren is met een genvariant die hem overgevoelig maakt voor natriumkanaalblokkers. Ook daar zijn gevallen van bekend. Zo heb ik een patiënt die aan het trainen is voor de marathon. Sinds hij antidepressiva slikt valt hij echter bij iedere inspanning flauw. Hij blijkt zo’n genmutatie te hebben.’

Tan verwacht nog meer genvarianten te vinden die een grotere kans geven op hartritmestoornissen door medicatie. Daartoe gaat hij DNA-profielen verzamelen van slachtoffers van een plotse hartstilstand. ‘Helaas is daaraan geen gebrek, want het is een van de meest voorkomende doodsoorzaken: één op de vijf Nederlanders overlijdt eraan. Dat zijn zestienduizend mensen per jaar.’

Om aan de benodigde patiënten te komen, trekt de cardioloog op met AMC-collega Ruud Koster, die al langer met de ambulancediensten samenwerkt. Tan krijgt een melding na iedere reanimatie in Noord-Holland, en stuurt vervolgens een medewerker naar het ziekenhuis waar de patiënt naartoe is gebracht. ‘We vragen dan om het restant van het bloed dat ze daar hebben afgenomen in verband met de behandeling van de patiënt. Zo verzamelen we het DNA.’

De studie naar de effecten van antidepressiva, antipsychotica en middelen tegen epilepsie maakt deel uit van een groter geheel. Met de Vici-subsidie wordt ook gekeken naar andere aspecten van hartritmestoornissen. Zo loopt er een project om een biopacemaker te ontwikkelen. In plaats van een apparaatje te implanteren dat een verstoord hartritme corrigeert door een elektrische puls af te geven, wil Tan uiteindelijk naar een behandeling met gentherapie. Hiermee moeten hartspiercellen ertoe aangezet worden om een nieuwe sinusknoop te vormen, die voor de prikkelvorming in het hart zorgt. Dit ter vervanging van de door een hartziekte beschadigde oorspronkelijke sinusknoop.

Een laatste deel van de onderzoekslijn betreft een nadere studie van rechterhartkamerfalen, een aandoening die onderbelicht is omdat ze veel minder vaak voorkomt dan linkerhartkamerfalen en omdat ze momenteel niet te behandelen is. Bij rechterhartkamerfalen treden door bindweefselvorming structurele veranderingen op die op hun beurt weer tot hartritmestoornissen leiden. Tan zoekt uit hoe en wanneer je zou kunnen ingrijpen om deze veranderingen tegen te gaan.

Behandeldilemma’s

Daarnaast hoopt de onderzoeker per groep van medicijnen vast te stellen hoeveel zij het risico vergroten op hartritmestoornissen. Hij gebruikt hiervoor de Pharmo-database die werd opgezet door professor Ton de Boer van het UMC Utrecht. Deze database bevat geanonimiseerde data van een groot deel van de apotheken in Nederland. Je kunt deze data gebruiken om het medicijngebruik van de gereanimeerde patiënten te vergelijken met dat van de rest van de bevolking. Hierdoor krijg je een aardig beeld, meent Tan. Blijkt dan dat middel A in de algemene populatie twee keer werd voorgeschreven maar onder mensen met een hartstilstand veertig keer, dan weet je dat het mis is. Vervolgens keert de onderzoeker terug naar zijn lab voor de harde gegevens. Met zijn meetsysteem kijkt hij of de natriumkanalen bij de patiënten al afwijkend waren en of de situatie erger wordt als er bepaalde geneesmiddelen aan worden toegevoegd.

Uiteindelijk zullen DNA-gegevens, laboratoriumresultaten en gegevens van de Pharmo-database aan elkaar gekoppeld worden, zodat je tegen mensen met een bepaald genprofiel of ziektebeeld kunt zeggen dat ze een bepaalde groep medicijnen beter kunnen mijden. ‘Dat zal wellicht behandeldilemma’s met zich meebrengen. Want ze slikken die middelen niet voor niets’, beseft Tan maar al te goed. ‘Dat probleem doet zich nu voor bij onze marathonloper. Maar het einddoel is om de therapie te verbeteren door veiliger middelen te gebruiken. Het kan zijn dat je dan geen ideaal medicament slikt, maar wel een middel dat zo optimaal mogelijk werkt.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 februari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.