Je leest:

Allochtone sportclubs bevorderen inburgering

Allochtone sportclubs bevorderen inburgering

Auteur: | 27 september 2005

Wij gaan ervan uit dat de afzondering van allochtonen in eigen verenigingen slecht is voor de integratie in Nederland. Paul Verweel (hoogleraar bestuur- en organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht) laat zien dat allochtone voetbalclubs juist veel kunnen betekenen voor de inburgering van hun leden.

Paul Verweel: ‘In allochtone sportclubs zeggen Turken en Marokkanen dat ze moeten leren slikken als Nederlanders hen uitschelden. Omdat ze zich vernederd voelden, leidden zulke gebeurtenissen vroeger tot vechtpartijen. Tegenwoordig leren ze in een allochtone vereniging gezamenlijk omgaan met de negatieve beeldvorming die Nederlanders over hen hebben. Daarnaast wisselen ze veel informatie uit over hoe ze kunnen omgaan met Nederlanders en met maatschappelijke processen en organisaties. Ook is het een strategie om een dermate goede vereniging op te bouwen, dat anderen er jaloers op zijn.’

‘Zo is mijn ervaring dat je bij allochtone verenigingen zeer gastvrij wordt onthaald en herhaaldelijk wordt uitgenodigd om mee te eten’, aldus Paul Verweel, hoogleraar bestuur- en organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Hij is tevens bestuursvoorzitter van het W.J.H. Mulier Instituut, het centrum voor sociaal wetenschappelijk sportonderzoek. Met Jan Janssens, directeur organisatie van het Mulier instituut, leidt Verweel het tweejarige onderzoek ‘Sport en multiculturaliteit’. Het onderzoek maakt deel uit van het NWO-programma ‘Sociale cohesie’. De eindresultaten van het onderzoek zullen in het voorjaar van 2005 gepresenteerd worden in diverse artikelen, een boek, lezingen en tijdens een symposium.

Paul Verweel, hoogleraar bestuur- en organisatiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht.

’Mensen vragen me vaak of ik voor of tegen allochtone verenigingen ben. Ik zeg dan dat er verschillende antwoorden mogelijk zijn. Juridisch gezien heeft ieder het recht om een eigen vereniging op te richten. En als je in de geschiedenis kijkt, zie je aparte verenigingen voor katholieken, vrijzinnigen en arbeiders, dus ook allochtone verenigingen zijn mogelijk en liggen sociologisch voor de hand. Maar het blijkt dat zulke verenigingen leiden tot angst voor verscherping van de maatschappelijke verhoudingen. Nederlanders vragen zich af of die mensen zich niet gaan afsluiten.

Bij ons onderzoek zijn we ervan uitgegaan dat mensen in een vereniging sociaal kapitaal opbouwen. Het begrip sociaal kapitaal hebben we overgenomen uit het boek Bowling alone van Robert Putnam. Putnam kijkt daarin vanuit het niveau van de samenleving en constateert dat als er veel verenigingen zijn, er veel sociaal kapitaal is. Onze benadering is dat sociaal kapitaal betekent dat mensen snappen hoe de samenleving werkt en dat toepassen. Mijn vraag is daarom hóe mensen sociaal kapitaal opbouwen. Daarvoor hebben we Putnams boek goed doorgelezen. Alle voorbeelden die hij noemt, zoals op iemands huis passen, gebruiken we in ons onderzoek.’

‘Bowling Alone’, van Robert Putnam.

‘De heersende gedachte is dat mensen in allochtone clubs vooral bonding capital opbouwen: kapitaal dat de groepsbinding versterkt en identiteitsvorming stimuleert. In autochtone verenigingen zouden allochtonen meer bridging capital opbouwen: ze leren omgaan met andersdenkenden en dat leidt tot een betere integratie. Voorbeelden van sociaal kapitaal zijn de uitwisseling van diensten, zoals invullen van belastingformulieren, autoreparaties en elektriciteitsklussen. Het gaat ook om vaardigheden als het leren omgaan met instanties, zoals de KNVB, de banken en de gemeente’, vervolgt Verweel. ‘Allochtone clubs bieden goede mogelijkheden om bestuurservaring op te doen. Uit diepte-interviews blijkt dat mensen daardoor vaardigheden oefenen en zelfvertrouwen opbouwen. Dat is goed voor hun werk en heeft weer tot gevolg dat ze zich ook weer verder ontwikkelen in de sportwereld. Sport en de maatschappelijke loopbaan gaan op een ragfijne manier samen.’

‘Onze inzichten hebben we met name te danken aan de negen onderzoekers die gedurende een jaar participerend observeren in sportverenigingen. Daardoor kunnen we zelf zien wat er in de allochtone en autochtone (gemengde) sportclubs gebeurt en wat er te leren valt. De onderzoekers zijn lid geworden en doen mee aan trainingen en wedstrijden’, aldus Verweel, die zelf een fervent voetballer en coach is. ‘Onder de negen (mannelijke) onderzoekers bevinden zich een Iraniër, een Pakistaan en een Surinamer. De anderen zijn Nederlanders. De sporten die ze onderzoeken zijn basketbal, cricket, voetbal, boksen en karate. Ook zijn schriftelijke enquêtes uitgezet ten behoeve van een surveyonderzoek. Daarnaast hebben we veertig personen geselecteerd voor vier diepte-interviews om na te gaan hoe sport een rol speelt in hun leven en hoe dat verandert naarmate ze ouder worden.’ Vrouwelijke sporters worden niet onderzocht, omdat uit vooronderzoek bleek dat de sportdeelname van allochtone vrouwen te gering was voor een vergelijking tussen mannen en vrouwen.

‘Zodra je het veld ingaat, ontdek je dat als mensen het over een allochtone vereniging – bijvoorbeeld een Marokkaanse vereniging – hebben, het in werkelijkheid gaat om een vereniging die voor 50 procent uit Marokkanen bestaat en voor 50 procent uit niet-Marokkaanse allochtonen. Ook blijken Surinaamse clubs veel Ghanese en Turkse leden hebben. Er valt dus ook heel veel bridging capital in deze clubs te leren, zij het tussen allochtonen van verschillende afkomst. Daaruit blijkt ook dat Nederlanders vaak niet in staat zijn aan te geven waar buitenlanders vandaan komen’, licht Verweel toe. ‘Zo zijn er in Utrecht drie Turkse voetbalclubs. Buitenstaanders vragen zich dan af waarom die clubs niet bij elkaar gedaan worden. Maar gereformeerden, communisten en vrijzinnig hervormden doe je ook niet bij elkaar. De toegepaste definities van ’allochtone’ en ‘gemengde’ vereniging zijn in de praktijk dus te strak. Vanuit antropologisch perspectief gezien had ik liever niet van zulke strakke definities gebruik gemaakt. Om goedkeuring van NWO te krijgen was het echter nodig om het onderzoeksdesign vooraf sterk te structureren.’

Aankondiging van een sysmposium over sport en integratie, bron: Sportutrecht.nl

‘Een gemengd team is geen automatisch recept voor integratie’, stelt Verweel. ’Als een gemengd team zich moet verdelen over twee kleedkamers, zie je dat de verdeling autochtonen en allochtonen zich doorzet over de kleedkamers. Hetzelfde zie je aan tafels in de kantine en ook tijdens trainingspartijen als de trainer de groepen niet indeelt. Maar is dat gek? Hetzelfde zie je bij arbeiders en mensen uit de middenklasse. Deze scheiding wordt nog verstevigd door maatschappelijke ontwikkelingen.

Stel dat er ergens een vechtpartij met drie Turkse jongens is geweest, dan krijgt de enige Turk in het elftal te horen: “Hé Ali, kun je die jongens niet opvoeden?” Er is een dualiteit tussen “je bent er één van ons” en voortdurend op je allochtone identiteit gewezen worden. Naast bridging capital wordt dus juist ook door deze uitsluitingsmechanismen tussen allochtonen onderling veel bonding capital opgeroepen. Daarom noem ik de opvoedende en integratieve waarden van sport ook wel de mythes van sport. Deze waarden zijn er wel, maar er zijn condities voor nodig. En het gaat er ook om hoe je die waarden definieert.

Uit het onderzoek van Agnes Elling (zie het interview in Facta, juni 2002, red.) bleek dat sport niet per se tot meer integratie in de vorm van vriendschap leidt. In sportclubs kunnen mensen wel andersoortig sociaal kapitaal bouwen: je hoeft niet een vriend te zijn om een tuin aan te leggen. Bij sport kweek je wel intieme banden, maar die zijn anders van aard.’

‘We onderzoeken ook verschillen tussen Turkse, Marokkaanse en Surinaamse clubs. Het lijkt erop dat de leden van Surinaamse verenigingen het makkelijkst sociaal kapitaal inzetten en vergaren in clubs en dat vervolgens weer aanwenden’, aldus Verweel. ‘Surinamers vormen een zeer gemêleerd gezelschap, ook sociaal-economisch, en ze zijn al dertig tot veertig jaar in Nederland. Het sociaal kapitaal dat ze al hebben vergaard, bijvoorbeeld in een goede baan, zetten ze in voor de club om andere leden zich meer thuis te laten voelen in Nederland. Voor geslaagde Surinamers is een allochtone sportvereniging een plek waar ze, naast hun werk waar ze hoofdzakelijk Nederlandse collega’s hebben, onder elkaar kunnen zijn. In een allochtone sportclub heerst een gemoedelijke sfeer en ze kunnen er zichzelf zijn zonder steeds van alles uit te hoeven leggen over hun afkomst.

De Marokkaanse en Turkse clubs lopen wat achter op de Surinaamse clubs. Voorlopig lijkt het alsof Turkse verenigingen nu wat meer structuur beginnen te vinden. Hoogopgeleide Turken en kleine ondernemers nemen daarbij het voortouw, want die hebben het type kapitaal dat nodig is voor een vereniging, zoals kennis van de frituurwet en de arbowet. Overigens beseffen autochtone sportorganisaties niet hoeveel ongeschreven regels er bestaan in de sportwereld. Sociaal kapitaal dient zich uit te strekken tot juist dit domein. Als ze ook allochtone leden en vrijwilligers willen aantrekken, zullen die regels geëxpliciteerd moeten worden. Daarom worden in Utrecht allochtone jongeren die lid willen worden van een voetbalclub, eerst samen met hun ouders uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek.’

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen).
© Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 september 2005

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.