Je leest:

Alles wat waar is, is koud zonder waarde

Alles wat waar is, is koud zonder waarde

Auteur: | 11 mei 2007

In het onlangs verschenen boekje ‘Verandering en verloedering’ gaan drie taalkundigen in op veelgehoorde opvattingen over taal, zoals ‘Taalverandering is taalverloedering.’ Volgens Jan Renkema is hier nog wel meer over te zeggen. “De kern van het probleem is dat veel taalwetenschappers nauwelijks aandacht hebben voor normatieve kwesties.”

Eind januari verscheen het boekje ‘Verandering en verloedering’, een essayistisch betoog van drie taalkundigen die werkzaam zijn bij het Meertens Instituut: Hans Bennis, Leonie Cornips en Mare van Oostendorp. In deze publicatie worden in kort bestek tien populaire opvattingen over taal behandeld, bijvoorbeeld dat taalverandering taalversimpeling is, dat wie niet kan spellen zijn moedertaal niet beheerst en dat de omroep de taal verloedert.

Dit boekje is een prachtig cadeau voor elke taalliefhebber, omdat het laat zien hoe taalkundigen aankijken tegen discussies over zinnen als ‘Hun hebben meer zakgeld als mij’, over de tussen- n en over wat wel en niet zou mogen, kortom over alle kwesties die in columns en publieke discussies over taal aan bod komen. Het boekje heeft aardig wat aandacht gekregen in de pers. Enkele van die reacties waren uitgesproken negatief, in de trant van ‘Ze durven geen stelling te nemen en praten weer eens goed wat eigenlijk fout is.’ Wat zou er achter die afwijzende reacties zitten?

Anne Frank

De kwestie ‘hun hebben’ is heel geschikt om te laten zien waarom een taalkundige bijdrage vaak zo weinig enthousiasme oproept bij de niet taalkundig geschoolde taalliefhebber. Vorig najaar was het onderwerp weer uitgebreid in het nieuws, naar aanleiding van een symposium ter gelegenheid van het afscheid van taalkundige Jan Stroop. De pers berichtte dat het volgens de aldaar verzamelde taalkundigen slechts een kwestie van tijd is dat de constructie ‘hun hebben’ als correct taalgebruik wordt beschouwd, en dat leidde tot veel verontwaardigde reacties.

Het was niet de eerste keer dat er over hun hebben is gesteggeld. De bij Onze Taal-lezers welbekende taalkundige Joop van der Horst heeft er al eens op gewezen dat Anne Frank in haar dagboek deze constructie ook gebruikte, maar dat haar vader die na de oorlog, bij het persklaar maken van de tekst, heeft gecorrigeerd.

Al sinds de jaren zeventig ontvang ik regelmatig letterenstudenten op mijn werkkamer voor hun stage of scriptie, bijna afgestudeerde twintigers dus. Vanaf die tijd heb ik de constructie dikwijls kunnen noteren. En als je hun er dan op wees, kreeg je verbaasde reacties in de trant van: ‘Ja maar, hun zeggen het ook!’ Ook elders is de constructie geregeld te horen, bijvoorbeeld bij jongere cabaretiers, vooral als ze even van hun tekst afwijken.

Verwarrend

Wat zegt ‘Verandering en verloedering’ over ‘hun hebben’? De samenstellers halen een prachtig onderzoek aan van de Nijmeegse taalkundige Roeland van Hout, waarin wordt aangetoond dat ‘hun hebben’ is ontstaan in gebieden waar al een dialectvorm zoals ‘hullie hebben’ bestond. De vorm met ‘hun’ zou het eerst gebruikt zijn door lager opgeleiden, en wordt nu vooral door jongere sprekers gehanteerd. In sommige gebieden is het gebruik van ‘hun’ als onderwerp in een half mensenleven met twintig procent toegenomen.

De geïnteresseerde taalgebruiker die zich afvraagt of het nu wel of niet mag, bladert verder, komt nog een bekend gedichtje tegen van Annie M.G. Schmidt over “hun hebben de macht” en … vindt daarna niets meer over deze kwestie. Uit het boekje moet hij afleiden dat taalkundigen vinden dat tegen taalverandering niets te doen is, maar dat is zijn vraag niet.

En het wordt nog verwarrender wanneer diezelfde taalgebruiker een krantenbericht onder ogen krijgt waarin dezelfde Nijmeegse taalkundige van zojuist aangeeft dat ‘hun hebben’ weliswaar een interessante ontwikkeling is, maar dat hij liever niet ziet dat zijn dochters die constructie gebruiken. ‘Mag ik dan nu uw standpunt?’, hoor je de taalgebruiker denken.

Wat is hier aan de hand? Wetenschappers, en dus ook taalwetenschappers, richten zich in eerste instantie op een beschrijving van wat er gebeurt, en hopen daarmee te verklaren waarom iets gebeurt zoals het gebeurt. Populair gezegd: wetenschap richt zich op wat de werkelijkheid is, op wat waar is. Het gaat om feiten die uitgedrukt kunnen worden in ‘Google-frequenties’ of om beschrijvingen van het spreektempo van een bekend politicus of om overwegingen dat ‘een mooie huis’ taalkundig gezien een vereenvoudiging is.

Maar de geïnteresseerde taalgebruiker zit met een ander probleem. Die wil weten of een bepaalde constructie al dan niet aanvaardbaar is, die wil horen hoe iets gewaardeerd wordt. De vraag van de taalgebruiker is eigenlijk een ethische vraag: mag het of mag het niet? En wat doet de taalkundige? Die zegt: sommigen doen het, anderen niet. Toch valt er veel meer te zeggen, zoals de medewerkers van de Taaladviesdienst van het Genootschap Onze Taal elke dag merken.

Illustratie Hein de Kort in Verandering en verloedering

Solliciteren

De kern van het probleem is dat veel taalwetenschappers nauwelijks aandacht hebben voor normatieve kwesties. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar doorgaans houden taalkundigen zich in hun ‘descriptie’ (oftewel beschrijving) verre van ‘prescriptie’ (voorschrijving). Nog geen drie decennia geleden was dit heel anders. Vanuit een taalfilosofische invalshoek werd toen ook in Nederland intensief nagedacht over wat een (taal)norm precies is, en hoe regels ontstaan.

Uit het werk van bijvoorbeeld Renate Bartsch en Otto Duintjer van de Universiteit van Amsterdam heb ik geleerd hoe een vraag naar de norm beschouwd kan worden als een vraag uit onzekerheid in een situatie waarin er een keuzemogelijkheid is: ‘Ik hoor hun en zij, wat moet ik doen?’ Uit de literatuur over normen is ook bekend dat men in bepaalde fasen van het leven normgevoeliger is dan in andere. Denk bijvoorbeeld aan de modenorm bij jongeren of het gebruik van woorden in een speciale betekenis ( heftig, cool) of aan de strakheid van normen bij bijvoorbeeld vijftigers (‘Die jongeren zeggen domweg hun!), die op latere leeftijd vaak weer milder worden: ’Grappig hoe mijn kleindochter hun gebruikt.’

Taalkundigen die reageren met resultaten van frequentietellingen hebben gewoon niet door dat de taalgebruiker een vraag stelt uit onzekerheid of irritatie, of dat hij geen afstand wil doen van wat hij met zo veel moeite geleerd heeft, bijvoorbeeld het onderscheid tussen ‘hun’ en ‘hen’. En het opmerkelijke is dat vele andere fouten moeiteloos geaccepteerd worden, sterker nog: nauwelijks iemand opvallen – bijvoorbeeld zinnen als ‘Tijdens zijn vakantie heeft God tot zich genomen onze lieve broer.’

Een taalkundige die het normenprobleem in taal aansnijdt of onderzoekt maar geen oog heeft voor de onzekerheid of irritatie van de taalgebruiker, mist een sensor voor het sociale aspect van taalgebruik. Jongeren móéten wel ‘hun hebben’ zeggen, anders horen ze niet bij hun groep, maar als ze gaan solliciteren, moeten ze weten wat het effect is van het gebruik van deze constructie, als ze tenminste als ‘algemeen beschaafd’ willen overkomen.

Esthetische oordelen

Er is nog een waarde die bij de waarheid van de feiten hoort. Dat is de waarde van de esthetica. Hoe vaak hoor je niet: “Maar dat ‘hun’ is toch gewoon lelijk!” Of: “Dat klinkt gewoon niet, ‘een mooie huis’.” De taalkundige kan dan zeggen dat ons taalsysteem heel goed een derdenaamvalsvorm in onderwerpspositie kan hebben, zoals in het Afrikaans ( ‘ons gaan nie’) of zoals in de uitdrukking ons ‘kent ons’. Maar zo’n ‘ware’ systeemopmerking is niet relevant in een discussie over mooi of lelijk.

En ook de autoriteitsnorm helpt hier niet: u zou ‘een mooie huis’ mooi moeten vinden, want ook de grootste dichter uit de Gouden Eeuw gebruikte de uitgangs- ‘e’ voor ‘het’-woorden. Leest u maar bij Vondel: “Gelukkig is een vast gemoed / Dat in geen blijde weelde smilt / En stuit, gelijk een taaie schild, / Den onvermijbren tegenspoed!”

Hoort dat bij wetenschap, een discussie over schoonheid? Misschien niet. Maar esthetische oordelen waren en zijn wel een interessant onderzoeksobject. Neem nu de volgende zinnen – die in het aprilnummer 2004 van Onze Taal ook al door Henk Spaan zijn besproken:

- “Hij eet zich een appel.” - “Koot droomt zich af.”

De eerste is, zo wordt uiteengezet in ‘Verandering en verloedering’, een constructie die in Heerlen voorkomt. De tweede is de titel van een boek van Kees van Kooten uit de jaren zeventig, die door de drie auteurs wordt opgevoerd om aan te geven dat literaire schrijvers de constructie ook weleens gebruiken, als stijlmiddel. Inderdaad blijkt ons taalsysteem in dit geval het woordje ‘zich’ te kunnen verdragen.

Heel interessant is dat ‘zich’ in een bepaald dialect betekent dat de appel helemaal opgegeten wordt, en dat men daarom weer niet kan zeggen ‘Hij eet zich appels.’ Maar zulke ‘ware’ opmerkingen zijn hier niet relevant. Want voor de taalgebruiker die houvast zoekt, is er een behoorlijk verschil tussen beide zinnen.

Bij de Heerlense constructie wil hij weten of die nu juist of onjuist is. Bij Van Kooten zal hij die vraag niet zo snel stellen, omdat hij ziet dat het hier om een woordspeling gaat, en daarbij geldt een heel andere vraag: bezorgt die hem een esthetisch genoegen of niet? In veel discussies over taal speelt die esthetica wel degelijk een rol.

Afsterven

De Taaladviesdienst van het genootschap krijgt vaak de vraag of een zin of constructie wel mooi is, wel goed loopt. “Dat is toch geen gezicht,” hoor je vaak, “die spelling ‘odeklonje’.” Of: " ‘Hij heb’ is toch veel lelijker dan ‘hij heeft’." Hoe die esthetische oordelen tot stand komen, is nog een groot raadsel, maar ik vermoed dat er meer consistentie in zit dan men op het eerste gezicht zou vermoeden.

Het boekje ‘Verandering en verloedering’ roept bij mij twee reacties op: wat een rijkdom aan ware kennis over taalvariatie en taalverandering! En: wat een gemiste kans! De drie taalkundigen zeggen aan het einde van hun betoog wel dat ze best eens willen zeggen dat er iets fout is. Waar ze dan echter op wijzen, is het onderwijsbeleid. Ook dit is weer helemaal waar.

Maar wat heeft de geïnteresseerde taalgebruiker hieraan? Die wil weten of iets goed of fout is, die wil zijn oordeel over mooi of lelijk toetsen. Die verwacht van een taalkundige niet alleen een voorspelling over het al dan niet doorzetten van een verandering. (Op welke theorie zou die trouwens gebaseerd moeten zijn?) De taalgebruiker verwacht van de taalkundige een beredeneerd advies over wat hij moet doen in twijfelgevallen, of een advies over zinsritme en andere esthetische aspecten. Taalkunde die hier niet op reageert, sterft zich langzaam af.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.