Je leest:

‘Alles hangt af van het oordeel van ecologen’

‘Alles hangt af van het oordeel van ecologen’

Auteur: | 1 oktober 2004

Ooit werden nieuwbouwprojecten stilgelegd door de aanwezigheid van slakjes en hamsters. Tegenwoordig zit de natuur verstedelijking zelden meer in de weg.

Zeggekorfslak, korenwolf en modderkruiper, ze waren kort na de invoering van de Flora- en Faunawet de symbolen van het conflict tussen bebouwing en natuur in Nederland. Immers, deze dieren blokkeerden voor langere of kortere tijd de aanleg van een snelweg bij Venlo, een bedrijvenpark in Limburg en een deel van de Betuwelijn.

Maar de tijd is voorbij dat gefrustreerde gemeenten en projectontwikkelaars klaagden dat het onmogelijk werd om ooit nog iets te kunnen bouwen in Nederland. Tegenwoordig berichten kranten vooral nog over de verhuizingen van modderkruipers en padden naar nieuwe sloten of de aanleg van geluidswallen en wildtunnels . Dat is het zichtbare gevolg van honderden ontheffingsprocedures die in het kader van de Flora- en Faunawet worden doorlopen.

Want sinds deze wet van kracht is – april 2002 – mag er eigenlijk geen spade de grond in voordat er ontheffing is verleend door bureau LASER van het ministerie van LNV. Onder de Flora- en Faunawet zijn vrijwel alle van nature in Nederland voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, veel soorten vissen en honderden plantensoorten beschermd. Deze lijst is met ongeveer duizend organismen veel langer dan het groepje streng beschermde organismen die zijn aangewezen door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

Verhuizing

Met duizend beschermde soorten is de aanleg van nieuwbouwwijken, wegen en sportvelden praktisch onmogelijk zonder voorafgaande ecologische inventarisatie en ontheffingsvergunning. Want er leeft al snel wettelijk beschermde soort en die mogen niet verstoord of gedood worden en ook hun leefgebied mag niet worden vernietigd.

Toch blokkeert dat zelden nieuwbouwprojecten, getuige de honderden ontheffingen die worden afgegeven. Er wordt namelijk altijd eerst gekeken welke soorten er leven en wat de effecten van de ingreep zijn op populatieniveau. Zijn ze niet te voorkomen dan kunnen er nog compenserende maatregelen worden genomen.

Uiteindelijk is er altijd sprake van een afweging tussen dwingende redenen van openbaar belang (een stad wil meer woningen en werkgelegenheid) en het beschermingsniveau van de planten- en diersoorten.

‘Het gaat erom dat je de schade voor een soort moet inschatten op populatieniveau’, zegt landschapsecoloog ir. Rene Henkens van Alterra. Henkens was onder meer betrokken bij de verhuizing van 695 grote modderkruipers in de gemeente Kampen. De vraag of schade optreedt hangt af van de soort. ‘Voor een zeearend, die kan wegvliegen en bij wijze van spreken half Nederland als territorium heeft, ligt dat anders dan voor een populatie modderkruipers in een sloot. Dat is misschien de enige populatie in de wijde omtrek.’

Er zijn geen voorschriften die per soort aangeven wat toelaatbaar is en wat niet. ‘Veel komt neer op de expert judgement van ecologen. LASER baseert het toekennen van de ontheffing grotendeels op de informatie en beoordeling van degene die de inventarisatie heeft gedaan. Dat levert een grote verantwoordelijkheid’, zegt Henkens.

Het ontbreken van wettelijke voorschriften geldt ook voor de kwaliteit van het ecologische onderzoek. ‘Dat is een beetje een hiaat in de wet’, zegt Henkens’ collega, stadsecoloog drs. Robert Kwak. Iemand kan in de zomer door een veld lopen en constateren dat er geen soorten van belang voorkomen. ‘Eigenlijk moet je over meerdere seizoenen inventariseren, voor meerdere soortgroepen. Als wij gevraagd worden om in de zomer te inventariseren, geven we aan welke soorten er nog meer zouden kunnen voorkomen, bijvoorbeeld in het broedseizoen.’

Ecologisch onderzoek zou zo wel eens beschermde soorten over het hoofd kunnen zien. ‘Lokale milieugroeperingen moeten dat dan controleren’, zegt Kwak. Als vervolgens blijkt dat het onderzoek niet grondig is uitgevoerd en er geen rekening is gehouden met bepaalde soorten, kan het project worden stilgelegd.

Nog belangrijker dan controle is volgens Kwak de samenwerking tussen gemeenten en lokale natuurorganisaties. ‘Dat klinkt overdreven, maar de Flora- en Faunawet leidt tot burgerparticipatie. Mensen kunnen door de inspraak zich actief bemoeien met de natuurontwikkeling in hun omgeving. Ik merk dat gemeenten daar nog heel vaak huiverig tegenover staan. Maar de Flora- en Faunawet heeft wel een geest van samenwerking en die geest moet wel uit de fles kunnen komen. Voor gemeenten geldt dat ze iets moeten willen met water en landschap in hun planontwikkeling.’

Volgens Henkens is er veel werk op dat gebied; alleen al de wens om vele tienduizenden woningen te bouwen en honderden kilometers asfalt aan te leggen maakt de druk op het buitengebied steeds groter. ‘Ik hoop dat men woonwijken veel minder gaat zien als afgescheiden van de natuur. Natuur wijkt niet massaal uit zodra er gebouwd wordt. Compenserende maatregelen voor de natuur kunnen dus ook binnen het plangebied worden aangelegd. Dat biedt de mogelijkheid om natuur binnen een stad te integreren.’

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 oktober 2004
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.