Je leest:

Agressie in de hand

Agressie in de hand

Auteurs: en | 1 september 2012

Genen en omgeving bepalen samen of, hoe en waarom iemand agressief gedrag vertoont. Daarnaast heeft het lichaam nog een hele reeks van controlemechanismen die agressie reguleren en in de hand moeten houden.

Ons lijf kent twee belangrijke regelsystemen: het centrale zenuwstelsel en het hormoonstelsel. Samen vormen ze het zogenoemde neuroendocriene systeem. Het zenuwstelsel zorgt voor de snelle bijsturing, letterlijk met de snelheid van een stroomstootje door een zenuwbaan. Het hormoonstelsel is verantwoordelijk voor de iets minder snelle en de lange termijn regulatie.

De interne communicatie in ons lichaam verloopt via snelle zenuwsignalen en iets tragere hormonale signalen.
Jos van den Broek

Communicatie tussen zenuwcellen vindt plaats via neurotransmitters. De ene zenuwcel geeft neurotransmitters af aan een volgende om ervoor te zorgen dat die de boodschap doorgeeft. Hormonen daarentegen zijn chemische boodschappers die via de bloedbaan worden vervoerd door het lichaam. Zij zijn belangrijk bij de communicatie tussen de hersenen en de rest van het lichaam, en omgekeerd. Aangekomen op de plaats van bestemming zorgen ze ervoor dat bepaalde processen op gang komen of juist worden geremd. Afhankelijk van het gewenste resultaat zorgen hormoonklieren voor de afgifte van het juiste hormoon, op het juiste moment en in de juiste hoeveelheid. Het doel van al die regelsystemen is het lichaam zo veel mogelijk in balans houden.

Sommige hormonen, zoals vasopressine hebben een dubbelrol: ze kunnen naast hormoon ook als neurotransmitter werken. In het lichaam speelt vasopressine een belangrijke rol bij de wateropname in de nier en bij de regeling van de bloeddruk. In de hersenen verzorgt het de communicatie in hersendelen die verantwoordelijk zijn voor sociaal gedrag en het aangaan van een sociale band met anderen.

Agressie en stress

In het algemeen kun je zeggen dat hormonen en neurotransmitters, zoals corticosteroïden, vasopressine en serotonine agressie en stress reguleren. Stress is een belangrijke factor als het over conflict en agressie gaat. Als twee individuen verschillende belangen hebben, ontstaat een conflict. Dit conflict activeert de stressrespons in beide individuen. Deze stressrespons kan een eventuele agressieve reactie in gang zetten.

Uit onderzoek met ratten blijkt dat het inspuiten van stresshormonen (glucocorticoïden) de gevoeligheid voor ‘agressieve stimuli’ vergroot. Daardoor wordt de zogenoemde hypothalamic attack area in de hersenen gestimuleerd. Dit veroorzaakt niet alleen agressief gedrag, maar zorgt er ook voor dat het stresssysteem opnieuw wordt geactiveerd, waardoor agressief gedrag blijft bestaan.

De eerste effecten van stresshormonen op agressie verlopen nog helemaal zonder directe bemoeienis van genen. Tegelijk hebben die hormonen wel invloed op de genen. Op de korte termijn wordt het agressief gedrag direct gestimuleerd, op de lange termijn wordt agressie via activatie van genen juist geremd. Op deze manier wordt via de stress-as controle uitgeoefend op agressief gedrag.

De hierboven beschreven experimentele stressrespons is niet in haar eentje verantwoordelijk voor de agressieve reactie. Zoals uit het vorige hoofdstuk blijkt, zijn ook de signalen uit de omgeving belangrijk voor het optreden van agressief gedrag. Er ontstaat geen agressie als de afgifte van glucocorticoïden wordt gestimuleerd in afwezigheid van een opponent. Andersom laat de proefrat ook geen enkel agressief gedrag zien als er wel een opponent aanwezig is, maar de afgifte van glucocorticoïden experimenteel wordt voorkomen. Dit laat zien dat agressief gedrag alleen optreedt indien zowel externe agressie uitlokkende signalen als interne fysiologische signalen aanwezig en op elkaar afgestemd zijn.

Onderzoek bij zowel dieren als mensen laat zien dat niet alleen extra hoge, maar ook lage niveaus van glucocorticoïden agressief gedrag in de hand werken. Eenzelfde paradox lijkt te bestaan voor de neurotransmitter serotonine: lage niveaus van serotonine worden bij mensen geassocieerd met meer agressief gedrag. Tegelijk kunnen medicijnen die serotonine verlagen ook agressief gedrag verminderen. Bovendien worden afwijkingen in het MaoA enzym Monoamine oxidase A, die zorgen voor stapeling van serotonine, ook gerelateerd aan meer agressie.

Een mogelijke verklaring voor deze paradox is de volgende. Het lijkt erop dat het niet draait om een ‘te hoog’ of ‘te laag’ niveau van stresshormonen of neurotransmitters. Timing lijkt veel belangrijker dan het feitelijke niveau van een hormonaal signaal; is er op een zeker moment sprake van een stijging of een daling? Als we de rol van serotonine en glucocorticoïden op deze manier kunnen onderzoeken, is het misschien mogelijk dat we beter kunnen begrijpen waarom zowel hoge als lage niveaus agressief gedrag kunnen bewerkstelligen.

Verschillen in agressie

Het lijkt erop dat de verschillen in een hoog of laag niveau van hormoon- en neurotransmittersignalen leiden tot verschillende vormen van agressie. Wanneer je het effect van corticosteroïden op agressie bestudeert, zie je dat ratten die kort voor het conflict een hoog niveau van glucocorticoïden hadden, agressie tonen die als doel heeft vast te stellen wie de baas is. De agressie is dan ook gericht op die delen van het lichaam die niet zó kwetsbaar zijn dat de ander er blijvende fysieke schade van kan oplopen. Als je de toename van glucocorticoïden vlak voor een conflict remt, dan ontstaat er helemaal geen agressie. Maar als die stresshormonen langdurig geremd worden, ontstaat een ander soort agressie: het soort agressie dat individuen laten zien als zij proberen aan een hopeloze situatie te ontkomen. De agressor richt zich dan juist op de zwakste delen van de tegenstander, om zo snel mogelijk zo veel mogelijk schade toe te brengen. Vergelijkbare effecten zie je als je naar de boodschapperstof serotonine kijkt. Dieren die over een langere periode agressie vertonen waarbij zij de kwetsbare delen van de tegenstander opzoeken, blijken een chronisch verlaagd niveau van serotonine hebben.

Wanhopige dieren richten hun agressie op de kwetsbare delen.
Prof. J.M. Koolhaas, Department of Behavioral Physiology, University of Groningen

Ervaring lijkt eveneens een rol te spelen in de verschillende uitingen van agressie. Ook dat is duidelijk gemaakt door proefdieronderzoek. Voor een rat is het belangrijk dat hij als enige de baas is in zijn territorium. Als daar een indringer komt, ontstaat er een gevecht. Naïeve ratten, die nog nooit hun territorium hebben verdedigd, reageren minder snel met agressief gedrag op een indringer dan ratten die al een aantal keren een indringer hebben verslagen. Bij die laatste ratten is het absolute niveau van het glucocorticoïd-hormoon veel lager, maar zij reageren veel sneller met agressie als het glucocorticoïd door de stress van een indringer omhoog gaat.

Tijdens de eerste gevechten die een naïeve rat meemaakt, zorgt het stresshormoon glucocorticoïd ervoor dat de hypothalamic attack area in het brein gevoeliger wordt. Bij een volgende keer dat een andere rat het territorium binnenkomt zal het dier dan ook eerder kunnen reageren en meer kans hebben om te winnen. Deze zogenoemde ‘cycle of violence’ lijkt zich ook bij mensen voor te doen. Hoe vaker mensen agressief zijn, hoe sneller ze in een volgende situatie weer agressief zullen zijn.

Toch lijkt alleen maar winnen ook niet goed. In een normale omgeving verliezen dieren ook wel eens een gevecht, of worden ze in toom gehouden door de sociale omgeving die een te agressief dier afstraft. De Russische onderzoekster Natalia Kudryavtseva liet in een muizenexperiment zien dat dieren die alleen maar winnen opiumachtige stoffen in het brein vrijmaken. Uiteindelijk vertonen deze dieren gedrag dat je het beste kunt omschrijven als ‘verslaafd aan geweld’.

Onderzoek blijft echter voortgaan. We weten dat serotonine een belangrijke rol speelt bij agressie, net als de verschillende componenten van de stress-as. Maar hoe deze twee precies samenhangen, is nog onduidelijk.

Een pil tegen agressie

Verschillende hormonen en neurotransmitters spelen een rol bij agressief gedrag. Agressief gedrag gaat onder andere gepaard met lage niveaus van de neurotransmitter serotonine. Zou het dan niet handig zijn deze stof met een simpel medicijn wat te stimuleren, om daarmee agressie te voorkomen?

Een pil tegen agressie ligt voorlopig niet voor de hand.

Schutterstock

Uit proefdieronderzoek blijkt dat er inderdaad stoffen zijn waarmee je agressie sterker kunt maken, of delen van agressie kunt onderdrukken. Voor een deel worden deze medicijnen ook wel toegepast bij mensen, zoals in de vorm van stoffen die serotonine verhogen. Bij het toedienen van die medicijnen komt natuurlijk wel een ethisch vraagstuk om de hoek kijken. Wie stelt bijvoorbeeld vast wie zo’n medicijn nodig heeft? Er is bovendien nog veel niet bekend over de mechanismen die een rol spelen bij agressie en de effecten van eventuele medicatie. ‘Zomaar’ voorschrijven van medicijnen tegen om het even welke vorm van agressie lijkt voorlopig dan ook niet een voor de hand liggende strategie.

Mensen zijn geen ratten

In het fundamentele onderzoek naar agressie is bij ratten en muizen veel mogelijk wat je bij mensen nooit zou mogen doen. Je kunt nu eenmaal niet besluiten om het effect van opvoeding te onderzoeken door een groep kinderen bewust onder slechte omstandigheden groot te brengen. Bij dieren kunnen dat soort zaken, binnen strenge wettelijke grenzen, wel. Toch roept dit vragen op. Een rat of een muis is toch geen mens?

Onderzoek bij jonge ratten… …is niet meteen toepasbaar op jonge kinderen.
Schutterstock

Vanuit de evolutie bekeken is agressie heel oud gedrag. Het komt eigenlijk bij alle gewervelde dieren voor. De hersenstructuren die betrokken zijn bij agressie laten tussen verschillende zoogdiersoorten dan ook veel overeenkomsten zien. Wanneer we de biologische processen met elkaar vergelijken, krijgen we wel degelijk inzichten in universele grootheden die ons helpen om ook agressie bij mensen te begrijpen.

De Hongaarse neurobioloog József Haller waarschuwt voor een adder onder het gras: er bestaan grote verschillen in de benadering door de diverse wetenschappers. We gaan er vrijwel automatisch van uit dat degenen die mensen bestuderen het onderling over hetzelfde hebben, en dat degenen die dieren bestuderen het onderling over hetzelfde hebben, maar geen van beide is waar! Sterker nog, sommige mensenstudies lijken meer op sommige dierstudies, dan sommige mensenstudies lijken op andere mensenstudies. Een deel van die verschillen kunnen wetenschappers voorkómen door helder te vertellen wat ze eigenlijk doen. Als de ene onderzoeker tijdens de zoogperiode van een jonge rat een stressprikkel toedient, en een ander doet dat kort nadat het dier bij de moeder is weggehaald, denken beiden dat ze een rat op jonge leeftijd hebben onderzocht. Inmiddels is duidelijk dat het twee compleet verschillende perioden in de ontwikkeling van het dier en van de aard van agressie kunnen zijn.

Voor de interpretatie en vergelijking van de verschillende onderzoeken naar agressie bij muis, rat, mens of wat voor dier dan ook, is het cruciaal om de gebruikte methodes kritisch naast elkaar te houden, zodat niet de vermeende verschillen tussen soorten feitelijk verschillen tussen levensfasen blijken te zijn. Omdat vanuit allerlei verschillende disciplines onderzoek naar agressie wordt gedaan, en deze disciplines vaak hun eigen wielen hebben uitgevonden, is deze waarschuwing van belang voor eenieder die vanuit verschillende invalshoeken naar agressie wil kijken.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 september 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.