Je leest:

Afscheid van de fietsende biggen

Afscheid van de fietsende biggen

Auteur: | 1 oktober 2001

De toepassing van marker-vaccins heeft een belangrijke rol gespeeld bij de bestrijding van de ziekte van Aujeszky. Zo belangrijk zelfs dat er een moment komt dat vaccinatie niet meer nodig is: de vinding maakt zichzelf overbodig.

In 1902 beschreef de Hongaar Aujeszky een nieuw virus dat bij varkens een ziekte veroorzaakt. De ziekte van Aujeszky komt bij alle leeftijden voor, maar is vooral zichtbaar bij jonge biggen. Ze wordt gekenmerkt door kwijlen, koorts en nerveuze afwijkingen. Dit laatste leidt tot ‘fietsende biggen’, die ongecontroleerde trappelende bewegingen maken als de infectie de hersens bereikt. Vooral onder de jonge biggen komt ook sterfte voor.

Pseudorabiës

Het virus dat de ziekte van Aujeszky (in de Angelsaksische landen wordt het pseudorabiës genoemd) veroorzaakt, is een alfa-herpesvirus uit de groep waartoe ook de veroorzakers van de koortsblaar en waterpokken behoren. Alleen bij het varken komt de ziekte endemisch voor. Bij de mens, mensapen en reptielen slaat het virus niet aan. In vrijwel alle landen waar varkens worden gehouden komt de ziekte voor, behalve in Engeland, Scandinavië, en Australië.

Tegen veel ziekten zijn levende vaccins effectiever dan geïnactiveerde vaccins, omdat ze de natuurlijke infectie beter nabootsen. De eerste levende vaccins tegen de ziekte van Aujeszky kwamen beschikbaar in de jaren zestig en zeventig, vooral vanuit de Oost-Europese landen. Deze hadden echter nogal eens het nadeel dat de vaccinstammen zo ‘heet’ waren dat de varkens ziek werden van de vaccinatie.

Om het wilde virus te verzwakken tot een geschikte vaccinkandidaat, werd het virus geweekt in cellen van andere diersoorten zoals runderen of kippen. Ook bevruchte eieren werden hiervoor met succes gebruikt.

Bron: N.Visser, Intervet.

Gat in gen

Eind jaren 70 kwam er dankzij de ontwikkelingen in de moleculaire biologie en door de samenwerking tussen destijds het CDI in Lelystad (thans ID-Lelystad geheten) en de Universiteit van Nijmegen (Berns) de mogelijkheid om op genniveau de veranderingen in het genoom van het herpesvirus te analyseren.

Het bleek dat de adaptatie op cellen van andere gastheren bijna altijd leidde tot een specifieke fout in het genoom, namelijk een gat in het gen dat codeerde voor het glycoproteïne E (gE). Dit bood een kans om een uitroeiingsprogramma op te zetten.

Het idee was om te beginnen met een wild virus met maximale potentie om een goede immuunrespons op te wekken. Vervolgens om via recombinant-DNA technieken het gE-eiwit te verwijderen. Bij het testen in varkens bleken de aldus veranderde virussen effectief, maar kon de veiligheid beter. De dieren kregen nog koorts van de vaccinatie.

Begonia

Op dat moment werd ingezien dat het inactiveren van een ander gen (het TKgen) bijdroeg aan de verzwakking van het virus. Het was bekend dat de spontane mutatiefrequentie tussen de 1 op 100.000 tot 1.000.000 lag. Vervolgens werd gekeken naar de aanwezigheid van spontane, stabiele TK-mutanten. Na screening van meer dan 500.000 monsters kwam één stabiele mutant te voorschijn. Deze bleek een klein gat in het TK-gen te hebben naast een gat in het gE-gen. Het vaccin dat hierop gebaseerd is, heeft de afkorting Begonia gekregen, afgeleid van namen van de eerst betrokken onderzoekers en het wilde uitgangsvirus: Berns, Gielkens, van Oirschot en NIA-3.

Bron: N.Visser, Intervet.

Marker-vaccin

Het betreft een zogenoemd markervaccin. Dit behelst dat de gE-mutatie het mogelijk maakt om onderscheid te maken tussen dieren die besmet zijn en dieren die gevaccineerd zijn. De laatste hebben in het bloed geen antistoffen tegen gE en besmette dieren wel. Ook andere glycoproteïnen van het virus zijn wel voor dit doel voorgesteld. De gE-mutatie bleek echter om allerlei praktische redenen een gouden greep.

Niet direct tevreden met de eersteling, Begonia, en de verwachting dat verdere verbetering mogelijk was, werd door het CDI een grootschalig onderzoeksproject voorgesteld, financieel ondersteund door de Stichting Technische Wetenschappen en de veterinaire bedrijven Intervet, en destijds van Solvay en en Gist-brocades (thans DSM-Gist). Dit onderzoeksproject leidde tot de vaccinstam 783, die een recombinant geconstrueerd gat in TK heeft. Deze stam is genetisch anders, maar gedraagt zich hetzelfde als Begonia.

Verplichte vaccinatie

De toepassing van de vaccinstammen Begonia en 783 heeft een belangrijke rol gespeeld in de bestrijding van Aujeszky in Nederland. Na het instellen van verplichte enting is het voorkomen van besmette dieren teruggebracht van meer dan tachtig procent tot minder dan één of zelfs nul procent, afhankelijk van de locatie in Nederland. In de andere EU landen lopen soortgelijke programma’s. Ook in de rest van de wereld heeft dit type vaccin ondertussen zijn weg gevonden. In Nederland zal op een gegeven moment het punt bereikt worden waarbij verdere vaccinatie niet meer nodig geacht wordt. De laatste positieve dieren kunnen dan via de normale slacht afgevoerd worden. De kracht van de vinding is dan ook dat ze zichzelf uiteindelijk overbodig maakt.

Literatuur

  • G. Tatarov, Apathogener mutant des Aujeszky-virus, induziert von 5-Jodo-2- deoxyuridin (JudR), Zentralblatt Veterinäre Medizin, 15B (1968), pp. 847-853
  • J. van Oirschot, C de Waal, An Elisa to distinguish between Aujeszky’s disease vaccinated and infected pigs, Vet. Rec., 121 (1987), pp. 305-306
Dijken
KNAW

Dit artikel is afkomstig uit het boek Chemie achter de dijken, een gezamenlijke uitgave van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV). Het werd in 2001 uitgegeven ter herdenking van het feit dat de Nederlander Jacobus Henricus Van ‘t Hoff honderd jaar eerder in 1901 de allereerste Nobelprijs voor de scheikunde won. Chemie achter de dijken belicht Nederlandse uitvindingen en ontdekkingen op chemisch gebied sinds 1901. In zo’n zeventig bijdragen (voor het overgrote deel opgenomen in Kennislink) wordt de betekenis van de Nederlandse chemie duidelijk voor ontwikkelingen op het gebied van de gezondheidszorg (bijvoorbeeld de kunstnier), de voedingsmiddelenindustrie (onder andere zoetstoffen), de kledingindustrie (bijvoorbeeld ademende regenkleding) of de elektronica (zoals herschrijfbare CD’s).

Dit artikel is een publicatie van KNAW/KNCV.
© KNAW/KNCV, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 oktober 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.