Je leest:

Adenovirus kan fataal zijn voor beenmergpatiëntjes

Adenovirus kan fataal zijn voor beenmergpatiëntjes

Auteur: | 13 mei 2001

Een paar dagen snotteren of diarree is alles wat je merkt van een infectie met een adenovirus. Als je verder gezond bent tenminste. Patiëntjes die pas een beenmergtransplantatie hebben ondergaan, kunnen door deze infectie echter ernstig ziek worden en zelfs overlijden. Leidse en Amerikaanse onderzoekers ontwikkelden een methode om de virussen vroeg op het spoor te komen, zodat de behandeling misschien nog niet te laat komt. Voorkómen van de infectie is niet aan de orde, want het virus slaat van binnenuit toe.

“Het zijn natuurlijk altijd zorgenkindjes.” Kinderen die een beenmergtransplantatie ondergaan, hebben tijdelijk een minder goed werkend afweersysteem. Hoewel ze de eerste weken in een steriele omgeving verblijven, komen infecties regelmatig voor. Dat hoeft niet aan gebreken in de hygiëne te liggen, meent microbioloog dr. Louis Kroes.

“De kinderen hebben blijkbaar al iets onder de leden voordat ze de transplantatie ondergaan. Nadat het eigen beenmerg vernietigd is, krijgt de indringer vrij spel totdat het nieuwe afweersysteem gaat werken. Waar zo’n virus zich verschuilt weten we niet. Je kunt dus ook niet vooraf zeggen wie er ziek zal worden en wie niet.”

Adenovirussen zijn een toenemend probleem. “Ik kwam hier eind 1993 werken”, vertelt Kroes, “en in de jaren daarna zagen we steeds meer gekke infecties bij beenmergtransplantatiepatiëntjes. Vaak bleek dat het gevolg van adenovirussen te zijn. Tot dan kende ik die alleen als onschuldige veroorzakers van luchtweginfecties, maar hier kreeg ik de indruk dat er soms kinderen aan overleden. De mensen van het transplantatieteam werden daar met mij steeds ongeruster over.” Niet alleen in het LUMC, maar over de hele wereld is er de laatste jaren een toename te zien in het aantal kinderen dat na een beenmergtransplantatie ernstig te lijden krijgt onder een adenovirusinfectie", zegt Kroes. Waar ligt dat aan?

Grotere kans op complicaties

“Tja, goeie vraag. De oorzaak is niet duidelijk. Mogelijk speelt het feit een rol dat we steeds vaker risicokinderen in onze groep krijgen, met een transplantaat dat niet helemaal bij ze past. Die hebben een grotere kans op allerlei complicaties. Maar de hele verklaring kan dat niet zijn.” Dr. Maarten van Tol weet ook niet wat de opmars van de adenovirussen veroorzaakt, maar dát er sinds 1995 meer infecties optreden blijkt duidelijk uit de cijfers die hij noemt. Vijf à acht van de 35 jaarlijks getransplanteerde patiëntjes vertoont deze infectie, terwijl dat vroeger minder dan tweemaal per jaar werd gezien.

Van Tol is hoofd van het Immunologisch Laboratorium van het Willem-Alexander Kinder- en Jeugdcentrum. Hij werkt veel samen met Kroes, hoofd van het Klinisch Microbiologisch Laboratorium van het Centrum voor Infectieziekten. Met medewerking van kinderarts prof. dr. Jaak Vossen en een drietal onderzoekers van de Johns Hopkins Medical Institutions (Baltimore, VS) schreven ze een artikel over de opsporing van adenovirusinfecties bij beenmergpatiëntjes. Het verschijnt binnenkort in medisch tijdschrift The Lancet.

“Het is niet eenvoudig een infectie met een adenovirus te herkennen bij zo’n kind”, zegt Kroes. “En dat is ook wel logisch, want normaal krijg je er niet veel méér van dan een loopneus en een zere keel. Dat lijkt in niets op de ernstige problemen die deze virussen bij de beenmergpatiëntjes kunnen veroorzaken. Hun hele lichaam raakt soms geïnfecteerd. Als het zover komt, weet je al bijna zeker hoe het afloopt. Niet goed, nee. Het behandelend team staat er dan vrijwel hulpeloos bij. We worstelden daar erg mee. Nog steeds hoor, maar we hebben nu wel een manier ontwikkeld om een infectie veel vroeger aan te tonen, zodat we de schaarse middelen die we hebben eerder kunnen inzetten. Ik verwacht dat er daardoor minder kinderen aan adenovirusinfecties zullen overlijden.”

DNA-detectiemethode

De eerste aanzet voor de nieuwe manier om adenovirussen op te sporen, werd gegeven toen Kroes twee jaar geleden op een congres in gesprek raakte met Amerikaanse collega’s. “Ze hadden een gevoelige methode ontwikkeld om het DNA van adenovirussen te detecteren. Het komt er in het kort op neer dat je een stukje DNA neemt dat al die virussen gemeen hebben, en daar een soort moleculaire kopieermachine voor ontwerpt. Zit het gezochte stukje niet in je monster, dan gebeurt er niets, maar als het er wel is krijg je miljarden kopieën die je zichtbaar kunt maken.” (zie kader).

Het artikel in The Lancet beschrijft hoe de wetenschappers aan beide zijden van de oceaan samenwerkten om te onderzoeken of het met de methode lukte om oude monsters van patiëntjes te verdelen in wel en niet geïnfecteerde gevallen. Het werkte uitstekend, zegt Van Tol: “We stuurden van een veertiental patiëntjes bloedmonsters op. Gecodeerd, zodat zij niet wisten waarin wij virus verwachtten aan te treffen. Vier monsters kwamen van patiëntjes die helemaal geen adenovirusinfectie hadden, drie van patiëntjes met een virus maar zonder symptomen, drie monsters waren afkomstig van kinderen met een plaatselijke ontsteking door een adenovirus, en tenslotte waren er monsters van vier kinderen die aan de infectie waren overleden. De DNA-detectiemethode toonde alleen bij die laatste groep een positief resultaat.” Teleurstellend? “Nee, dat was juist de bedoeling. Pas bij een massale verspreiding van het virus verwacht je het in de bloedbaan.”

Direct beginnen met behandelen

Het onderzoek gaat intussen verder. Sinds vorig jaar heeft men in de laboratoria van Van Tol en Kroes de methode zelf onder de knie en wordt die daar verder verfijnd. Van Tol: “Inmiddels kunnen we niet alleen aantonen óf er een adenovirus aanwezig is, maar ook aangeven hoe hoog de concentratie virusdeeltjes is. Dat is een maat voor de ernst van de besmetting. We gebruiken die kennis ook al in de praktijk: in een onderzoek dat nu loopt controleren we op gezette tijden of we adenovirussen kunnen aantonen in bloedmonsters van beenmergtransplantatiepatiëntjes. Zodra we iets vinden, kunnen we direct beginnen met behandelen. En natuurlijk volgen we of en hoe die behandeling aanslaat. Onze collega dr. Eric Claas werkt ondertussen ook aan middelen om onderscheid te maken tussen verschillende typen adenovirussen. Er zijn namelijk veel typen bekend, en ze zijn niet allemaal even agressief.”

Van Tol vertelt ook dat hij en Kroes plannen hebben voor een internationale aanpak van dit onderwerp. Collega’s in Engeland, Frankrijk en Tsjechië willen wel meedoen aan een studie waarin verschillende middelen vergeleken worden. Een vergelijkend onderzoek zou geen enkel centrum alleen kunnen uitvoeren, omdat daar te grote aantallen patiënten voor nodig zijn. Van Tol: “Samen kunnen we wel uitzoeken welk middel het meest effectief is bij vroeg ingrijpen. Tot nu toe kon dat dus niet, omdat het altijd pas laat duidelijk werd dat het om een adenovirus ging.” Te laat, in veel gevallen. De anders zo onschuldige verkoudheidsvirussen zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de sterfte onder beenmergontvangers. Hopelijk loopt de strijd tegen deze virussen in de toekomst beter af.

Vissen naar virussen

Virussen zijn piepklein. Proberen een virus te vinden in een bloedmonster is een extreme vorm van zoeken naar een speld in een hooiberg. Eigenlijk lijkt het eerder op zoeken naar miljoenen spelden in een oceaan van hooi, want een virus op oorlogspad is nooit alleen. Nu zijn spelden van ijzer, dus met een sterke magneet komen ze vanzelf wel naar je toe. Bij virussen is ook zoiets mogelijk. Bij deze techniek, nucleïnezuuramplificatie, werken de ‘magneten’ tegelijkertijd als kopieerpasje.

Virussen bestaan uit eiwit en erfelijk materiaal: DNA (of ook wel RNA, dat daar op lijkt). Dit is opgebouwd uit vier verschillende bouwstenen: A, T, G en C. Ze liggen in twee lange, dubbele strengen tegen elkaar. Die strengen zijn elkaars negatief, want tegenover een bepaalde bouwsteen ligt altijd een vaste partner. A hoort bij T en G hoort bij C. Heb je de ene streng, dan weet je precies hoe de andere er uitziet.

Speuren naar een virus doe je met stukjes DNA die zo gekozen zijn dat ze op een deel van het virus-DNA passen. Vergelijkbaar met magneten, maar dan heel specifiek. Maken ze contact met hun doelwit, dan wordt heel het stuk DNA gekopieerd dat daaraan vastzit. Ook deze kopieën passen weer aan de ‘magneten’ en worden opnieuw gekopieerd, enzovoort, net zolang totdat er heel veel kopieën van het virus-DNA zijn ontstaan. Dat kan vervolgens eenvoudig zichtbaar worden gemaakt. Was er in het begin geen virus, dan zal er uiteraard niets te zien zijn.

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 mei 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.